Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Uit de oude doos: Socialistisch Pamflet tegen de Partij van de Arbeid

    0

    Deze recensie verscheen vrijdag 4 april 2008 in het Katern, de boekenbijlage van hetNederlands Dagblad.

    Arie van der Zwan, Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA (Amsterdam : Balans 2008). ISBN 9789050189149

    Arie van der Zwan, ex-topmanager, hoogleraar en biograaf, heeft een boek over zijn Partij van de Arbeid geschreven. De titel ‘Van Drees tot Bos’ en de ondertitel ‘Zestig jaar succes en mislukking’ zijn geslaagd, over de tweede ondertitel ‘Geschiedenis van de PvdA’ ben ik wat minder gelukkig. Het boek is namelijk geen geschiedenis van de PvdA, in ieder geval geen geschiedenis in enge zin. Hoofdvraag van het boek is waarom de partij het nu zo slecht doet. Van der Zwan zou hierover een essay kunnen schrijven voor het NRC Handelsblad, Trouw of Socialisme & Democratie, maar hij heeft besloten aan zijn frustraties over de slecht presenterende PvdA een heel boek te wijden. Lezers die, afgaande op de titel, denken aan een wetenschappelijk verantwoord verhaal of een gedenkboek met leuke plaatjes zoals Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 (1986) van Den Uyl-biograaf Anet Bleich, worden op het verkeerde been gezet. Het boek geeft alleen de mening weer van de auteur over de PvdA, een partij waar Van der Zwan een haat-liefde-verhouding mee heeft. Als hij nu een belangrijke PvdA-prominent was – een Wim Kok, Ed van Thijn, een Klaas de Vries, een Felix Rottenberg of een Max van den Berg – dan zou zijn boek misschien enige deining kunnen veroorzaken, maar Van der Zwan is binnen de partij een linksbuiten met dissidente ideeën over de allochtonenproblematiek, kortom iemand die door de PvdA gemakkelijk genegeerd kan worden.

    De gekozen vorm roept verwarring en daarom irritatie op. Ondanks het feit dat het hier om een socialistisch pamflet gaat, presenteert Van der Zwan zijn verhaal als een objectieve weergave van de geschiedenis van de PvdA. Feitelijke gebeurtenissen en juiste analyses zijn echter zeer vermengd met tendentieuze typeringen (“Het toonde evenzeer hoe begerig de PvdA was om toe te treden tot het politieke kartel en daarin zelfs een leidende rol te vervullen”, “In het machtsspel zou de KVP heel wat gewiekster blijken te zijn dan de PvdA”) en zeer gekleurde beschrijvingen (“Zoals de gevestigde orde Troelstra’s oproep in 1918 had aangegrepen om alles wat links was in de ban te doen, zo deed de opvolger van de SDAP datzelfde in mei/juni 1945 met de communisten en eenieder die zich met hen verbond of zelfs maar met hen sympathiseerde”) , die echter niet controleerbaar zijn omdat een notenapparaat in zijn geheel ontbreekt en de literatuurlijst verre van volledig is.

    Kern van Van der Zwans betoog is dat de Partij van de Arbeid, sinds de oprichting in 1946, haar sociaal-democratische geboortepapieren heeft verloochend. De partij mikte namelijk op de kiezers van het midden, schudde begin jaren zestig en opnieuw in de jaren negentig haar “ideologische veren” af en liet zich, behalve in 1972/3, bij de coalitiebesprekingen waarbij men betrokken was inpakken door de verraderlijke christendemocraten.

    Het is daarom niet verwonderlijk dat de Socialistische Partij van Jan Marijnissen de volle sympathie heeft van Van der Zwan, omdat de SP het gat op links opvult dat de PvdA, behalve in de tijd van Den Uyl, heeft laten liggen. De eigenlijke reden van de oprichting van de PvdA, de Doorbraak, de poging om de tegenstelling tussen confessionele en niet-confessionele partijen op te heffen en in Nederland een tweepartijenstelsel te laten doen ontstaan, wordt door Van der Zwan miskent. Dat de PvdA niet slechts de voortzetting van de vooroorlogse socialistische SDAP was maar een fusie van deze partij met de vrijzinnig-democratische VDB en de progressief-christelijke CDU, bagatelliseert hij. Zijns inzien horen de vrijzinnig-democraten eigenlijk niet bij de PvdA. Ook Wouter Bos die uit een christelijke Doorbraakfamilie komt en daarom niet zo’n zin had in de linkse lente van Marijnnissen en Femke Halsema, kan op weinig waardering van de auteur rekenen.

    De Katholieke Volkspartij en later het CDA spelen in het betoog van Van der Zwan de rol van antagonist. Zij blijven, behalve tijdens het kabinet-Den Uyl en het Paarse intermezzo (1994-2002) in het centrum van de macht en geven er in de regel de voorkeur aan om met de liberalen te regeren. De stelling van RKSP-leider W.H. Nolens, dat alleen in “uiterste noodzaak” met de SDAP geregeerd mocht worden, gaat volgens Van der Zwan ook op voor de houding van de christendemocraten ten opzichte van de PvdA. Men gaat alleen met de PvdA in zee als deze partij dusdanig is verzwakt, zoals in 1989 (het kabinet-Lubbers III) en 2006 (Balkende-IV), of wanneer men uit is op een breuk met de PvdA om vervolgens weer met de liberalen te regeren, zoals in 1965/6 (Cals) en 1981/2 (Van Agt-II). Op zich is dit wel een interessante bewering, maar zo’n bewering moet worden onderbouwd en dat doet Van der Zwan in zijn uit de hand gelopen essay niet.

    Interessant is wel Van der Zwans positionering in het debat over de multiculturele samenleving. Hij onderschrijft de kritiek van Bolkenstein en Fortuyn en moet niets hebben van de struisvogelpolitiek die wordt bedreven door de PvdA en het elitaire GroenLinks van Halsema. Ook hieruit blijkt dat Van der Zwan beter past bij de SP.

    Van der Zwans pathetische pamflet eindigt met een aanval op Wouter Bos, die zich volgens helemaal zou laten inpakken door het CDA en door zijn pragmatische sociaal-liberale koers en de focus op hoe goed hij het in de media deed (‘De Wouter tapes’) verantwoordelijk zou zijn voor de neergang van de PvdA, die eigenlijk al was ingezet met de pragmatische Wende van Wim Kok.

    Het PvdA-bashende boek, dat net als de boeiende biografie van Bleich over Joop Den Uyl bij uitgeverij Balans is verschenen, zal ongetwijfeld op het nachtkastje van Jan Marijnissen komen te liggen. Wouter Bos – die zich na het verkiezingsdebacle van november 2006 ontpopt heeft tot een uitstekend minister die in tegenstelling tot vele linkse lieden van zijn partij niet doet aan kabinetje-pesten – hoeft van Van der Zwans slagen in de lucht echter geen minuut wakker te liggen.

    Tags: Anet Bleich, Arie van der Zwan, Ed van Thijn, Joop den Uyl, PvdA
    Read More
  • De Partij van de Animositeit houdt van de mensheid, niet van mensen

    0

    Door: Ewout Klei

     

    De Partij van de Arbeid is een bijzondere partij. De partij kampt al jaren met een crisis. De PvdA moest dikwijls zware electorale klappen incasseren maar kwam telkens weer terug. Hoe komt het dat de PvdA constant in een crisis lijkt te verkeren? En waarom werd en wordt er in PvdA zo veel geruzied? Thijs Niemantsverdriet, parlementair verslaggever bij NRC Handelsblad, schreef over de recente PvdA-geschiedenis een boek waarin hij op deze vragen ingaat.

    De vechtpartij is natuurlijk niet het eerste boek dat over de PvdA is verschenen. Over de PvdA zijn boekenkasten vol geschreven. In mijn eigen boekenkast staan Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 van Anet Bleich, haar biografie over Joop den Uyl en Arie van der Zwans pamflet Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA.  Niemantsverdriet laat zijn verhaal in 1986 beginnen, het jaar dat Joop den Uyl het leiderschap van de partij overdraagt op Wim Kok. De vechtpartij sluit wat chronologie betreft dus perfect aan op beide boeken van Bleich. Er is enige overlap met het verhaal van Van der Zwan, die behandelt daarin een veel langere periode en eindigt in 2008, maar Van Drees tot Bos is een zeer subjectief getoonzet verhaal van een ontevreden partijlid dat de PvdA van koers wil doen laten veranderen. Niemantsverdriet is wat dat betreft een stuk objectiever. Je bespeurt bij hem wel enige sympathie voor de PvdA, maar dat neemt niet weg dat hij van een afstandje de boel rustig kan analyseren en patronen ontwaart die belangrijk zijn om grip te krijgen op een kleine dertig jaar PvdA-geschiedenis.

    Het grote nadeel van De vechtpartij is dat dit boek voornamelijk gebaseerd is op materiaal dat we al kennen: boeken over de PvdA en PvdA-bewindslieden, PvdA-rapporten, de PvdA-jaaroverzichten op de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen en vooral heel veel artikelen en interviews uit kranten en opiniebladen. Voor zijn onderzoek heeft Niemantsverdriet maar één archief geraadpleegd, het persoonlijk archief van Arend Hilhorst die tijdens het eerste paarse kabinet de persoonlijk assistent van Kok was. Omdat Niemantsverdriet een journalistiek boek heeft geschreven en geen monografie is het natuurlijk logisch dat hij de bestuursnotulen, partijprogramma’s en dergelijke niet heeft doorgenomen.  Zo’n onderzoek vergt heel veel tijd en Niemantsverdriet wilde gewoon een leuk toegankelijk boek schrijven. Dat is hem trouwens gelukt: het is een mooi verhaal geworden dat leest als een trein. En af en toe staan er ook dingen in die je nog niet weet. Maar spectaculaire onthullingen tref je niet in het boek aan. En omdat het boek vanwege de journalistieke opzet aan de oppervlakte blijft mis je als lezer soms ook wat duiding: dat het PvdA-electoraat tegenwoordig veel minder trouw is dan vroeger heeft toch ook alles te maken met de ontzuiling en de voortgaande individualisering? Is het niet zo dat VVD en D66 wat dat betreft veel beter bij deze tijd passen? En hoe zit het eigenlijk met erfenis van Nieuw Links? Is de PvdA geen vechtpartij vanwege de oververtegenwoordiging van hoogopgeleide Babyboomers die in de roerige jaren zestig en zeventig lid werden van de partij? Hoe groot is hun stempel op de partijcultuur? En hoe zit het precies met het PvdA-electoraat? Is de achterban de afgelopen 25 jaar qua leeftijdsopbouw, opleidingsniveau en inkomen (erg) veranderd? Het zijn interessante vragen die in een wetenschappelijk opgezette studie aan de orde zouden moeten komen.

    De Vechtpartij houdt het verhaal over de PvdA simpel. Centraal in het boek staan de PvdA-leiders na Den Uyl: Wim Kok, Ad Melkert, Wouter Bos, Job Cohen en Diederik Samsom. Van deze vijf zou je alleen Wim Kok een geslaagde politicus kunnen noemen: hij wist de partij door de roerige WAO-crisis te loodsen en onder zijn leiding werd de PvdA bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 en 1998 de grootste. Natuurlijk was Kok niet volmaakt maar zijn rustige, nogal vaderlijke manier van leiderschap wekte gezag en vertrouwen. Degenen die na Kok kwamen raakten hun gezag binnen een korte of iets langere periode kwijt.

    Ad Melkert was echte technocraat. Hij was zeer bedreven in politieke spelletjes maar kon zijn boodschap maar niet overbrengen bij de kiezer. Melkert was niet warm maar zuur. Toen hij op televisie werd blootgesteld aan de populistische professor Pim Fortuyn was de deconfiture compleet. De afgang van Melkert was natuurlijk ook te danken aan bijzondere omstandigheden – de grote angst voor de fundamentalistische islam en de stormachtige opkomt van Pim Fortuyn – maar zijn regenteske houding maakte alles alleen maar erger.

    De PvdA halveerde in 2002 maar vond zich daarna opnieuw uit. Wouter Bos, die de indruk wekte wel te willen luisteren naar de wil van het volk, zorgde voor de spectaculairste opwekking uit de dood sinds Lazarus en maakte de nederlaag van 2002 in 2003 weer ongedaan. Tussen 2003 en begin 2006 was Bos de populairste politicus van het land en iedereen dacht hij na de volgende verkiezingen premier zou worden. Bos liet de overwinning echter door zijn vingers glippen. De verkiezingen van 2006 waren een groot fiasco voor de PvdA. Bos wilde morrelen aan de AOW, een deel van de PvdA-achterban vond dat niet fijn en dit was voor het CDA een uitgelezen kans om een keiharde campagne te voeren. ‘Met Bos met je de klos’ was het (overigens op de klank af niet helemaal perfecte) rijmpje dat de christendemocraten hadden bedacht om de PvdA-leider als onbetrouwbaar weg te zetten.  De PvdA had 42 zetels in de Tweede Kamer en stond begin 2006 in de peilingen op 60 zetels. Dankzij de harde CDA-campagne en de zigzagkoers van Bos werden het er op 22 november 2006 slechts 33. Deze nederlaag was volgens Niemantsverdriet erger dan die van 2002. Niet alleen had de PvdA deze keer de nederlaag helemaal aan zichzelf te danken maar ook was de SP met 25 zetels definitief doorgebroken. De PvdA liep het risico straks niet meer de grootste partij te zijn op links.

    De PvdA stapte met het CDA en de ChristenUnie in een kabinet. Dit kabinet was niet bepaald een succes. In 2008 was Bos even helemaal in zijn element toen de economische crisis uitbrak en hij de banken moest redden, maar verder was hij doodongelukkig en verliep de samenwerking met de christendemocraten uiterst moeizaam. Toen het kabinet-Balkenende IV begin 2010 viel kondigde Bos dan ook aan uit de politiek te stappen. Hij was helemaal opgebrand.

    Bos werd opgevolgd door Job Cohen, de bedeesde burgervader van Amsterdam. Hij zou de PvdA straks een klinkende verkiezingsoverwinning gaan bezorgen, zo was de overtuiging van de partijtop. Het liep toch een beetje anders. Cohen, en dat laat Niemantsverdriet heel goed zien, was totaal niet geschikt voor de hijgerige Haagse politiek. Hij kende zijn dossiers niet goed, kon niet debatteren en gaf geen leiding aan de partij. De virtuele winst van de partij in de peilingen verdampte en op 9 juni 2010 haalde de PvdA 30 zetels, drie minder nog dan in 2006. De VVD was de grootste geworden. Cohen verloor daarna ook de formatie zodat de gedoodverfde premier noodgedwongen een rol moest spelen die hij niet wilde: die van oppositieleider. Job Cohen bleef stuntelen maar niemand durfde tegen hem te zeggen dat hij de Messias niet was. Ze bleven, tegen beter weten in, in JC geloven of veinsden dat. Pas na anderhalf jaar, na enkele vervelende confrontaties in de Tweede Kamer en met zijn eigen fractiegenoten, besloot Cohen het bijltje erbij neer te leggen.

    De laatste PvdA-leider die Niemantsverdriet bespreekt is Diederik Samsom. De hyperintelligente en hyperactieve Samsom, die voor zijn arbeid voor de partij campagneleider was bij Greenpeace, wist de PvdA weer elan te geven. Dit leidde in 2012 tot een grote verkiezingszege. De PvdA kwam op 38 zetels uit. Dat waren er acht meer dan in 2010, maar misschien wel twintig meer dan de PvdA begin 2012 in de peilingen had. De PvdA won omdat Samsom zijn dossiers wel goed kende, hij met ‘het eerlijke verhaal’ kwam en een betere debater was dan VVD-leider Mark Rutte en SP-leider Emile Roemer. De SP, die volgens de peilingen van begin 2012 de grootste partij van Nederland leek te worden, won helemaal niks en bleef haar 15 zetels houden. De PvdA was weer de onbetwiste leider op links.

    De deconfiture kwam echter snel. Hoewel Samsom vriend en vijand verraste met een snelle formatie lukte het hem niet om het beleid van het VVD-PvdA-kabinet uit te leggen. In plaats van compromissen te sluiten hadden VVD en PvdA dingen uitgeruild. De PvdA-achterban was hoogst verontwaardigd dat het kabinet besloten had om illegaliteit strafbaar te stellen, een stokpaardje van de VVD. De Iraanse Nederlander Sander Terphuis werd de stem van de boze PvdA-achterban. Zijn petitie kreeg de handtekeningen van veel PvdA-prominenten, waaronder Cohen, Jan Pronk en Jeltje van Nieuwenhoven. Samsom wilde het kabinetsbesluit aan de achterban uitleggen, maar door het er steeds maar over te hebben maakte hij het erger en erger. Als leider zorgde Samsom bovendien voor veel irritaties bij zijn collega-Kamerleden. Toen Samsom nog gewoon Kamerlid was stelde hij zich vaak eigenzinnig en onafhankelijk op, maar zo’n opstelling accepteerde hij niet van zijn collegae toen hij zelf fractievoorzitter was geworden. De neuzen moesten dezelfde kant op. Dit was voor het jonge veelbelovende Kamerlid Myrthe Hilkens begin 2013 een reden om op te stappen. Hoewel Hilkens tegen de PvdA-traditie in niet (in een interview in Vrij Nederland of in een stuk in de Volkskrant) met modder begon te gooien naar haar baas, wist iedereen toen dat het leiderschap van Samsom een flinke deuk had opgelopen. De glans was er bij Samsom definitief af.

    Vanwege al het geruzie en gekonkel noemt Niemantsverdriet de PvdA de vechtpartij. Natuurlijk wordt er ook in andere partijen geruzied, maar bij de PvdA lijken deze ruzies extra hard. En wat belangrijker is: ze zijn (bijna) altijd openbaar. Geen enkele partij heeft zoveel kritische rapporten over zichzelf geschreven als de PvdA. En boze PvdA’ers vallen elkaar (bijna) altijd af via de media. Het zelfkritische vermogen van de PvdA heeft als voordeel dat de partij ambitieuze idealisten aantrekt die geen blad voor hun mond nemen en soms ook heel inspirerend kunnen zijn: denk aan Felix Rottenberg, Ahmed Marcouch en Myrthe Hilkens,  en aan Wouter Bos, Diederik Samsom en Frans Timmermans in hun jongere jaren. Het nadeel is dat deze mannen en vrouwen met ambitie elkaar vaak in de weg lopen en via machiavellistische spelletjes politiek uit de weg willen ruimen. De Partij van Animositeit houdt van de mensheid, niet van mensen.

     

    N.a.v. Thijs Niemantsverdriet, De vechtpartij. Euforie en chagrijn binnen een van de grootste politieke partijen van Nederland (Amsterdam, Atlas Contact 2014). ISBN 9789020412109. 288 pagina’s. €19,99.

    Tags: Ad Melkert, Anet Bleich, Diederik Samsom, Job Cohen, Myrthe Hilkens
    Read More
  • Voor islamitische partijen liggen voorlopig alleen lokaal kansen

    0
    Ewout Klei en Jan Jaap de Ruiter

    In verschillende plaatsen doen islamitische partijen aan de verkiezingen mee. In Den Haag zitten de Islamdemocraten en de Partij van de Eenheid (PvdE) in de gemeenteraad. De PvdE doet ook in Amsterdam en Roermond aan de verkiezingen mee. In Rotterdam ten slotte doet Nida een poging om in de gemeenteraad en in enkele gebiedscommissies verkozen te worden.  Waarom is een landelijke islamitische partij (tot dusverre) mislukt? En is er lokaal wel ruimte voor een moslimpartij?

    Islamitische partijen in het verleden

    Twee islamitische partijen hadden het plan om aan de Tweede Kamerverkiezingen mee te doen, maar zagen daar uiteindelijk van af. In 2006 was dat de Arabisch-Europese Liga (AEL), in 2010 en 2012 de Nederlandse Moslimpartij (NMP). De in Antwerpen opgerichte AEL is een buitenparlementaire beweging. De AEL was in 2002 betrokken bij rassenrellen in Antwerpen en kwam vanwege haar militante opstelling vaak negatief in nieuws. In 2003 slaagde de AEL er niet in om in het Belgische parlement te komen ondanks de lijstineenschuiving met de PvdA, een marxistische Vlaamse partij. Met veel bombarie werd er in 2003 een afdeling in Nederland opgericht, maar ook de Nederlandse AEL zorgde niet voor een revolutie onder de islamitische kiezers.   Eind 2005 besloot de AEL om van deelname aan de Tweede Kamerverkiezingen af te zien en riep haar aanhangers op om GroenLinks te stemmen. Dat de AEL niet aansloeg kwam ook omdat haar leider Nabil Marmouch onbekend was bij het grote publiek. Bekende islamitische Nederlanders die door de AEL werden benaderd, onder andere Ali Eddaoudi en publicist Mohammed Benzakour, haakten af.

    Bekeerlingen in de politiek

    De NMP kampte met vergelijkbare problemen. Leider van deze partij was de ‘autochtone’ moslim Henny Kreeft, die zich vanwege zijn vrouw tot de islam had bekeerd. Kreefts eerdere politieke carrière had veel gemeen met die van bekeerling en voormalige PVV’er Arnoud van Doorn. Kreeft was eerder een actieve fortuynist en daarna betrokken bij de lokale partij Ons Noordoostpolder. Hij probeerde van de NMP een islamitisch CDA te maken, een conservatieve partij die de democratie respecteerde. Omdat Kreeft geen charisma had en als autochtone moslim nauwelijks een netwerk onder islamitische kiezers, moest zijn partij echter wel op een mislukking uitlopen. In 2010 en in 2012 lukte het de partij niet om aan de Tweede Kamerverkiezingen mee te doen en in 2013 besloot de NMP om zichzelf maar op te heffen.

    Waarom wil het maar niet lukken?

    Naast interne oorzaken – het ontbreken van een charismatische leider en een goed netwerk – zijn er ook twee belangrijke externe oorzaken waarom een landelijke islamitische partij tot dusverre is mislukt: de verdeeldheid onder de islamitische kiezers en de Partij van de Arbeid. Islamitische kiezers vormen niet één groep maar zijn zeer verdeeld. Ze verschillen met elkaar van opvatting over hoe de islam politiek vertaald moet worden – als ze überhaupt van mening zijn dat dat moet – en daarnaast zijn er ook etnische verschillen. Turkse, Marokkaanse en andere gemeenschappen hebben elk hun eigen netwerken en organisaties. Politicoloog André Krouwel van de Vrije Universiteit wijst terecht de PvdA aan als de grootste sta-in-de-weg voor nieuwe islamitische partijen. De PvdA beschikt, omdat de partij zich al jaren op de verschillende islamitische kiezers richt, namelijk wel over een groot netwerk onder de verschillende groepen kiezers. Ook ondersteunt de partij islamitische organisaties en heeft de PvdA veel islamitische vertegenwoordigers. Via de PvdA kunnen islamitische kiezers invloed uitoefenen, een nieuwe islamitische partij die nog niet in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd is daarentegen een onzeker avontuur.

    Lokale kansen

    Lokaal zijn er echter wel kansen voor islamitische partijen. Een belangrijke voorwaarde voor succes is natuurlijk dat er een aanzienlijke moslimpopulatie in de gemeente in kwestie woont. Een islamitische partij in Staphorst heeft net zo min kans van slagen als de SGP in Amsterdam. Maatschappijhistoricus Zihni Özdil stelt in een interview met RTV Rijnmond terecht dat als Nida zich goed weet te organiseren, er geen interne ruzies zijn en een charismatische leider heeft deze Rotterdamse partij een groot kiezerspotentieel heeft, vooral onder jongeren. Özdil verwacht dat Nida bij de komende gemeenteraadsverkiezingen hooguit één zetel krijgt, maar op termijn kunnen dat er meer worden. Overigens heeft Nida een hippe verkiezingsposter, waar een islamitische Uncle Sam de Rotterdamse burger oproept om actief voor de partij te zijn. De partij lijkt hiermee zich vooral op jongeren te richten, die in tegenstelling tot ouderen meer open staan voor verandering en dus ook voor nieuwe partijen.

    Gaat het in Den Haag dan echt gebeuren?

    In Den Haag hebben lokale islamitische partijen wat meer voet aan de grond gekregen. De Islamdemocraten, nu met één zetel in de raad, hebben een heel degelijk verkiezingsprogramma opgesteld met allemaal praktische voorstellen, waaruit blijkt dat ze geen gemakzuchtig getuigenispartijtje zijn. De PvdE, die nu twee raadsleden heeft waaronder Arnoud van Doorn, lijkt in haar verkiezingsprogramma meer op confrontatie uit te zijn. Dit geldt trouwens niet alleen voor thema’s die direct betrekking hebben op de islam. ‘De Partij van de Eenheid wil afrekenen met malafide zorginstellingen en thuiszorgorganisaties die frauderen met gemeenschapsgelden. Een harde aanpak is het motto en het zoveel mogelijk kaalplukken van malafide organisaties en instellingen.’ Arnoud van Doorn vormt echter wel een risicofactor voor de PvdE. Hij is niet alleen omstreden vanwege zijn PVV-verleden, zijn liaison met de radicale en democratie afwijzende imam Haitham Al-Haddad, die de partij afgelopen maandag 10 februari nog een bezoek bracht, nota bene in het stadhuis van Den Haag, en onduidelijkheid over mogelijke financiering van de partij door Saoedi-Arabië, maar vooral vanwege de rechtszaak die tegen hem gevoerd wordt. Van Doorn zou drugs hebben geleverd aan minderjarigen en bovendien het ambtsgeheim hebben geschonden door een journalist inzage te geven in vertrouwelijke stukken. Volgens een opiniepeiling van Maurice de Hond zou de PvdE met moeite één zetel kunnen halen.

    Geduld is een schone zaak

    Voor islamitische partijen liggen voorlopig alleen lokaal kansen. De partijen moeten eerst de tijd krijgen om hun netwerk uit te bouwen en meer vertrouwen te krijgen onder het islamitische electoraat voordat ze de sprong naar de landelijke politiek kunnen wagen. Omdat Nida voorlopig gebonden is aan Rotterdam en de andere twee partijen aan Den Haag zal dit wellicht nog jaren duren. Maar geduld kan een schone zaak zijn. Zo deed het in 1948 opgerichte Gereformeerd Politiek Verbond er vijftien jaar over om in de Tweede Kamer te belanden, en de in 1972 opgerichte Socialistische Partij zelfs 22 jaar. De Partij van de Arbeid blijft voorlopig de partij van de moslims, maar over vijftien à twintig jaar zou dit misschien heel anders kunnen worden.

    Ewout Klei is politiek historicus en Jan Jaap de Ruiter is arabist en verbonden aan Tilburg University

    Tags: Moslimpartij, PvdA
    Read More
  • Uit de oude doos: Joop den Uyl als drammer en dromer

    0

    Onderstaande recensie schreef ik in 2008.

     

    Zelden heeft een biografie zoveel aandacht gekregen als de Joop den Uyl-biografie van de journaliste Anet Bleich. Alle grote kranten schreven over haar proefschrift, het stond op teletekst en haalde zelfs het journaal.
    De onthullingen die Bleich deed waren dan ook onthullend. Den Uyl had in zijn jeugd sympathie voor het nationaal-socialisme gehad (het bleek achteraf slechts een jeugdzonde te zijn) en hoewel Den Uyl als minister-president de Lockheed-affaire van 1976 op kundige wijze oploste zorgde hij ervoor dat het Nederlandse publiek niets te horen kreeg van de Northrop-affaire, een andere smeergeldaffaire waar prins Bernhard bij betrokken was.
    Deze onthullingen en de zeer plezierige schrijfstijl van Bleich maken de biografie tot een erg goed boek, dat eigenlijk bij iedereen die geïnteresseerd is in / placht wat te weten over de Nederlandse politiek in de boekenkast zou moeten staan.

    Den Uyl groeide op in een streng gereformeerd gezin, viel in de Tweede Wereldoorlog van zijn geloof, bekeerde zich tot de sociaal-democratie, ging schrijven voor het linkse verzetsblad Vrij Nederland en werd in 1946 lid van de Partij van de Arbeid.
    Den Uyl was een man met grote ambities en had op jonge leeftijd al de ambitie om minister te worden. Als directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, en als wethouder van Amsterdam wist Den Uyl zich in de kijker te spelen zodat hij in 1965 gevraagd werd om minister te worden in het kabinet-Cals. Na de val van dit kabinet in de nacht van Schmelzer werd Den Uyl leider van de PvdA.

    Den Uyl komt in het boek vooral naar voren als een flexibele partijleider die met zijn tijd meeging. Hij ging in debat met andersdenkenden (Provo’s, kabouters, rebelse studenten, communisten etc.) en nam ze serieus. Toen Nederland als gevolg van de culturele revolutie van de jaren zestig ingrijpend veranderde, bewoog Den Uyl tot op zekere hoogte met de nieuwe tijd mee. Den Uyl wilde geen regent zijn en luisterde daarom naar de eisen van de radicale jongeren van Nieuw Links, een pressiegroep binnen de PvdA. Ook liet Den Uyl zich overhalen om leider te worden van het schaduwkabinet van PvdA, D’66 en PPR (de Politieke Partij Radicalen, één van de voorlopers van GroenLinks), dat een progressief kabinet moest voorbereiden.

    De kracht van Den Uyl bleek meteen ook zijn zwakte te zijn. Door zo te afhankelijk te zijn van de radicalen plaatste hij zijn partij namelijk in een onmogelijke positie, waardoor in 1977 ondanks de grote verkiezingsoverwinning de formatie door de PvdA werd verloren. De partij won 10 zetels en kwam uit op 53, maar een tweede kabinet-Den Uyl zou er nooit komen omdat de christen-democraten en hun onnavolgbare leider Dries van Agt uiteindelijk liever met de VVD regeerden.
    Den Uyl had hier zelf de hand in gehad: in het eerste kabinet-Den Uyl waren de christen-democraten geen volwaardige coalitiepartners maar waren ze de ‘witte rand’ van Dan Uyls rode kabinet, waarvan de kern werd gevormd door de drie partijen van het schaduwkabinet. Het CDA wilde in een tweede kabinet-Den Uyl niet opnieuw de tweede viool spelen en wilde daarom niet buigen voor de harde eisen die de PvdA stelde. Den Uyl stond erbij er keek erna. In plaats van in te grijpen en tegen de Tweede Kamerfractie, het partijbestuur en de ledenvergadering van de partij te zeggen dat hun eisen onredelijk waren, deed Den Uyl niets en kwam hij in de formatie uiteindelijk ook buitenspel te staan.

    Het doel van Den Uyl was een politiek tweestromenland te creëren, waar geen ruimte was voor confessionelen maar alleen voor een progressieve en een conservatieve partij. Dit doel streefde hij na de Tweede Wereldoorlog na in Vrij Nederland en als lid van de (aanvankelijke) doorbraakpartij PvdA, en begin jaren zeventig als leider van het progressieve schaduwkabinet en leider van het eerste en enige kabinet-Den Uyl.
    Als gevolg van zijn polariseren ontwikkelde het Nederlandse politieke landschap zich echter in een driestromenland, waar de zich van hun nederlagen herstellende christen-democraten het vermaledijde politieke midden van uitmaakten. De VVD van Hans Wiegel – die erg van de polarisatie had geprofiteerd en groot was geworden door zich af te zetten tegen de potverterende ‘Sinterklaas’ Den Uyl– wilde namelijk onder geen beding met de PvdA in zee.

    De anders altijd voor nieuwe ontwikkelingen openstaande Den Uyl snapte na het niet tot stand komen van zijn vurig gewenste tweede kabinet de veranderde tijdgeest niet. Hij bleef tot 1986 de (betwiste) leider van de PvdA. Pas in 1989, Den Uyl was in 1987 overleden, kon de PvdA weer aanschuiven (als we het kortstondige tweede kabinet-Van Agt even buiten beschouwing laten). Den Uyl was een dromer en een doordouwer. Hij had grote idealen, grootste visioenen om de samenleving te veranderen, maar in de praktijk waren de marges hiervoor te smal. Hoewel den Uyl dit in theorie besefte en in 1970 een artikel over de ‘Smalle marges van de democratie’ schreef, waren zijn dromen te idealistisch en werkte zijn drammen (door Bleich eufemistisch doordouwen genoemd) contraproductief.

    Tenslotte bevat Bleichs biografie helaas een enkel schoonheidsfoutje. Het is jammer dat de leescommissie die er niet uitgehaald heeft. Bijzonder storend vooral vond ik dat Bleich, sprekende over de ‘warme zomer van 1969’, de Praagse Lente en de studentenrellen in Parijs met dit jaartal associeert, terwijl deze gebeurtenissen toch echt in 1968 plaatsvonden. Bleich blijkt dus toch minder een soixante-huitard te zijn dan ik aanvankelijk dacht.
    Afgezien van dit ene voorbeeld is deze opmerking trouwens positief bedoeld, want hoewel de bewondering van de feministe en voormalige linkse activiste Bleich voor Den Uyl duidelijk is, blijft ze objectief en is haar biografie ook de moeite waard voor de Den Uyl-haters. Ondergetekende heeft sympathie voor de persoon Den Uyl gekregen en is het na het lezen van dit prachtige proefschrift daarom in ieder geval niet meer.

     

    N.a.v.: Anet Bleich, Joop den Uyl 1919-1987. Dromer en doordouwer (Amsterdam: Balans 2008). ISBN 9789050188180. 35 euro.

    Tags: Anet Bleich, Dries van Agt, Joop den Uyl, Lockheed-affaire, Nieuw Links
    Read More
  • De smalle marge van democratische politiek

    0

    File:Uyl, Joop den - SFA008007393.jpg

    In Vrij Nederland van 8 december 2012 schreef Anet Bleich, biografe van Joop den Uyl, een kritisch artikel over Diederik Samsom. Volgens haar was Diederik geen Joop. Hiervoor is het tweede kabinet-Rutte in haar ogen namelijk niet links genoeg. Hoewel Bleich hiermee een open deur intrapt legt ze de vinger bij een belangrijk politiek probleem, namelijk dat het in de democratie erg moeilijk is om helemaal je zin te krijgen. Een regering die helemaal links of helemaal rechts is, is in Nederland vrijwel onmogelijk.

    De Pacifistisch Socialistische Partij, in 1991 opgegaan in GroenLinks, wenste een regering die helemaal links was. De partij formuleerde enkele voorwaarden, waaronder de PSP bereid was tot regeringsdeelname en een regeerakkoord.

    Als eerste voorwaarde moet er een reële basis aanwezig zijn tot de vorming van een linkse parlementaire meerderheid en moeten partijen die streven naar behoud van het kapitalistisch stelsel voor een dergelijk akkoord worden uitgesloten.

    Verder moet een linkse regering niet alleen steunen op een parlementaire meerderheid, maar tevens berusten op een wisselwerking met buitenparlementaire machtsvorming van een strijdende basis in buurten en bedrijven.

    Tenslotte moet een dergelijk akkoord getoetst worden aan de bijdrage die het funktioneren van een regeerakkoord levert aan de socialistische machtsvorming en bewustwording aan de basis om mede daardoor resultaten te kunnen behalen in de strijd voor antikapitalistische struktuurhervormingen.

     

    De PSP ging dus heel erg ver en wilde dus alleen in de regering stappen als die regering een radicaal antikapitalistisch beleid zou gaan uitvoeren. Alleen als de PSP helemaal haar zin zou krijgen, zou de partij in de regering stappen. De PSP was bovendien kritisch over het parlement en zocht ook hierbuiten naar legitimiteit. Het kabinet-Den Uyl, dat de geschiedenis is ingegaan als het meest linkse kabinet van Nederland ooit, kon in de ogen van PSP-Kamerlid Fred van der Spek niets goeds doen.

    Den Uyl was natuurlijk minder radicaal dan de PSP. Over het probleem dat je in de democratie moeilijk je zin krijgt schreef hij in 1970 in Socialisme en Democratie het beroemde artikel ‘De smalle marge van democratische politiek’. De PvdA-voorman, toen nog leider van de grootste oppositiepartij, keerde zich in dit stuk met name tegen de radicaal-linkse opvatting dat via buitenparlementaire acties politieke veranderingen moesten worden afgedwongen. Den Uyl vond dat de PvdA moest streven naar een progressieve meerderheidsregering, die op basis van een van te voren afgesproken regeerakkoord voor veranderingen moest zorgen. Alleen via deze weg konden maatschappelijke hervormingsplannen uitgevoerd worden.

    Het programma Keerpunt ’72, waaraan PvdA, D66 en PPR zich committeerden, was de uitwerking van Den Uyls theorie. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1972 behaalden de Keerpuntpartijen echter geen parlementaire meerderheid, met als gevolg dat ze in 1973 alsnog moesten samenwerken met de christelijke partijen KVP en ARP. De marge van democratische politiek bleek in de praktijk dus nog smaller dan dat Den Uyl had gevreesd.
    Dat de marge zo smal is komt omdat ons land een coalitieland is. Geen enkele politieke partij is er ooit in geslaagd over een parlementaire meerderheid te beschikken. De rechtse partijen beschikken decennialang samen over net iets meer zetels dan de linkse partijen, een gegeven dat een linkse coalitie tot nog toe onmogelijk maakt. Over rechts is het wel mogelijk maar dat werkt niet. Het in 2010 aangetreden kabinet-Rutte I was wankel, omdat men afhankelijk was van de gedoogsteun van de onbetrouwbare PVV. Halverwege de rit moest de SGP voor extra gedoogsteun zorgen. In 2012 viel dit kabinet, omdat Geert Wilders het advies van Jolande Sap had opgevolgd en de stekker eruit had getrokken.

    De politieke partijen die het meest in aanmerking komen om te regeren zijn grote partijen die niet al te extreme standpunten verkondigen: PvdA en VVD, en tot voor kort ook het nu flink gemarginaliseerde CDA. Andere partijen zijn vaak te klein en daarom niet nodig om een parlementaire meerderheid te vormen, of hebben standpunten die te ver afstaan van het politieke midden. D66, de ChristenUnie en in de jaren zeventig DS’70 en de PPR hebben als kleine partij in het regeringsbootje gezeten, maar ze konden daar maar weinig invloed uitoefenen. De SP is nooit in de regering terecht gekomen, en de PVV gaf alleen maar gedoogsteun. Kleine principiële partijen zoals vroeger de PSP en tegenwoordig de SGP en de Partij voor de Dieren maken ten slotte alleen als de politieke omstandigheden zeer extreem zijn een kansje om in de coalitie te komen, maar alleen als gedoogpartner. Zelfs dan is de invloed klein: Nederland is niet opeens veranderd in een theocratie en de heilige huisjes van de SGP – de weigerambtenaar en het vloekverbod – staan nu op het punt om afgeschaft te worden.

    De les van Nederland coalitieland is dat je nooit helemaal je zin kunt krijgen en compromissen moet sluiten die soms pijnlijk zijn. Natuurlijk moeten partijen niet hun ziel en zaligheid verkopen voor een schotel linzenmoes, maar een beetje compromisbereidheid is noodzakelijk om te kunnen regeren. Diederik Samsom is geen Joop den Uyl, daarvoor is de marge van democratische politiek te smal. Zelfs Joop den Uyl was niet de Joop den Uyl die hij wilde zijn. De werkelijkheid is immers meestal niet zo fijn als het idealiter zou moeten zijn.

    Tags: Anet Bleich, Diederik Samsom, Fred van der Spek, Joop den Uyl, PSP
    Read More
  • Een volkspartij zal D66 nooit worden – gelukkig maar

    1

    Onderstaande artikel stond op zaterdag 13 oktober in het dagblad Trouw.


    Een kiezersonderzoek zou moeten uitwijzen of potentiële D66-stemmers vanwege de te rechtse koers op 12 september overliepen naar de PvdA.

    Ewout Klei

    Politiek historicus en D66-lid

    D66 vierde op 12 september 2012 uitbundig feest. Maar was dit terecht? De verkiezingsuitslag is een pyrrusoverwinning voor Alexander Pechtold.

    Hoewel D66 de enige middenpartij was die een bescheiden winst boekte – de partij ging van 10 naar 12 zetels terwijl het CDA zakte van 21 naar 13 zetels en GroenLinks van 10 naar 4 – had de partij op meer gehoopt. NRC-Handelsblad voorspelde op de dag van de verkiezingen zelfs dat D66 een cruciale rol zou spelen in de kabinetsformatie. Uiteindelijk bleken echter veel potentiële Pechtold-kiezers toch te kiezen voor Rutte of Samsom. VVD en PvdA werden zelfs zo groot, dat ze D66 niet nodig om tot een meerderheidscoalitie in het parlement te komen.

    Moet D66 zich in navolging van GroenLinks ook gaan bezinnen op de te varen koers? Want net als het linkse zusje hebben de Democraten niet hun doel – bruggenbouwer in een brede Paarse coalitie – bereikt.

    De partij werd in 1966 opgericht om het door de christelijke partijen gedomineerde partijensysteem doen te laten ontploffen en de burger meer invloed te geven op de politiek, onder andere via referenda, de gekozen burgemeester en de gekozen minister-president (de zogenoemde kroonjuwelen). Omdat het partijensysteem maar niet wilde ontploffen, werd D66 onder Jan Terlouw een gewone politieke partij , het ‘redelijk alternatief’ voor VVD en PvdA. De kroonjuwelen gingen de kast in (om ze er soms even uit te halen). D66 koos voor een sociaal-liberale middenkoers en behaalde met de Paarse kabinetten vooral op immaterieel gebied grote successen, zoals de legalisatie van het homohuwelijk en de euthanasie.

    Op materieel gebied boekt D66 minder succes. De partij profileert zich op thema’s die hoogopgeleide, internationaal denkende mensen lekker in het gehoor liggen – over Europa, hervormen en onderwijs – maar heeft in tegenstelling tot het CDA vroeger geen uitgewerkt sociaal-economisch alternatief voor het socialisme en het (neo-)liberalisme. Logisch, omdat de partij niet ideologisch maar pragmatisch wil zijn.

    Helaas heeft D66 zich de laatste jaren steeds meer tot een VVD-light ontwikkeld, als een redelijk alternatief voor VVD’ers die de conservatief-populistische koers van hun partij niet zo zien zitten. Electoraal gezien liggen hier zeker kansen, maar D66 dreigt zo sociaal-liberale PvdA-kiezers van zich te vervreemden. Dat sommige potentiële D66-kiezers op 12 september kozen voor de PvdA, komt wellicht mede door de te rechtse koers van de partij. Een kiezersonderzoek zou moeten uitwijzen, of deze hypothese klopt.

    Het was een foute keus van D66 om meteen na verkiezingen voor de oppositie te kiezen. Natuurlijk, rekenkundig is D66 overbodig, maar de partij zou vanwege haar sociaal-liberale en progressieve identiteit de lijm kunnen zijn die VVD en PvdA bij elkaar houdt. En de D66-campagneslogan ‘Hervormen Nu!’ is een loze kreet, als de partij meteen besluit voor de oppositiebankjes om vervolgens zuur te gaan doen. Hier kweekt de partij geen goodwill mee. Dat D66 niet in elke coalitie wil stappen is historisch te snappen: de D66-deelname aan het centrum-rechtse kabinet-Balkenende II werd een drama en zorgde ervoor dat de partij in 2006 nog maar drie zetels overhield. Regeren kent een prijs. Oppositievoeren kent dat echter ook.

    Kan D66 als middenpartij ook het redelijk alternatief vormen voor afvallige CDA’ers? Ja, heel goed zelfs. Katholieken vinden bij D66 de gezelligheid en de kunst van het relativeren terug, progressieve protestanten de inzet voor mensenrechten en het milieu. D66 is echter geen volkspartij zoals PvdA, VVD en CDA, en zou dat ook niet moeten willen worden. De kracht van D66 is juist dat de partij vernieuwende ideeën heeft, met de tijd meegaat (en vaker nog op de ontwikkelingen vooruit loopt) en zich steeds weer opnieuw weet uit te vinden. Juist die creativiteit kan Nederland uit de crisis helpen.

    Tags: Alexander Pechtold, CDA, D66, formatie, PvdA
    Read More