Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Uit de oude doos: Socialistisch Pamflet tegen de Partij van de Arbeid

    0

    Deze recensie verscheen vrijdag 4 april 2008 in het Katern, de boekenbijlage van hetNederlands Dagblad.

    Arie van der Zwan, Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA (Amsterdam : Balans 2008). ISBN 9789050189149

    Arie van der Zwan, ex-topmanager, hoogleraar en biograaf, heeft een boek over zijn Partij van de Arbeid geschreven. De titel ‘Van Drees tot Bos’ en de ondertitel ‘Zestig jaar succes en mislukking’ zijn geslaagd, over de tweede ondertitel ‘Geschiedenis van de PvdA’ ben ik wat minder gelukkig. Het boek is namelijk geen geschiedenis van de PvdA, in ieder geval geen geschiedenis in enge zin. Hoofdvraag van het boek is waarom de partij het nu zo slecht doet. Van der Zwan zou hierover een essay kunnen schrijven voor het NRC Handelsblad, Trouw of Socialisme & Democratie, maar hij heeft besloten aan zijn frustraties over de slecht presenterende PvdA een heel boek te wijden. Lezers die, afgaande op de titel, denken aan een wetenschappelijk verantwoord verhaal of een gedenkboek met leuke plaatjes zoals Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 (1986) van Den Uyl-biograaf Anet Bleich, worden op het verkeerde been gezet. Het boek geeft alleen de mening weer van de auteur over de PvdA, een partij waar Van der Zwan een haat-liefde-verhouding mee heeft. Als hij nu een belangrijke PvdA-prominent was – een Wim Kok, Ed van Thijn, een Klaas de Vries, een Felix Rottenberg of een Max van den Berg – dan zou zijn boek misschien enige deining kunnen veroorzaken, maar Van der Zwan is binnen de partij een linksbuiten met dissidente ideeën over de allochtonenproblematiek, kortom iemand die door de PvdA gemakkelijk genegeerd kan worden.

    De gekozen vorm roept verwarring en daarom irritatie op. Ondanks het feit dat het hier om een socialistisch pamflet gaat, presenteert Van der Zwan zijn verhaal als een objectieve weergave van de geschiedenis van de PvdA. Feitelijke gebeurtenissen en juiste analyses zijn echter zeer vermengd met tendentieuze typeringen (“Het toonde evenzeer hoe begerig de PvdA was om toe te treden tot het politieke kartel en daarin zelfs een leidende rol te vervullen”, “In het machtsspel zou de KVP heel wat gewiekster blijken te zijn dan de PvdA”) en zeer gekleurde beschrijvingen (“Zoals de gevestigde orde Troelstra’s oproep in 1918 had aangegrepen om alles wat links was in de ban te doen, zo deed de opvolger van de SDAP datzelfde in mei/juni 1945 met de communisten en eenieder die zich met hen verbond of zelfs maar met hen sympathiseerde”) , die echter niet controleerbaar zijn omdat een notenapparaat in zijn geheel ontbreekt en de literatuurlijst verre van volledig is.

    Kern van Van der Zwans betoog is dat de Partij van de Arbeid, sinds de oprichting in 1946, haar sociaal-democratische geboortepapieren heeft verloochend. De partij mikte namelijk op de kiezers van het midden, schudde begin jaren zestig en opnieuw in de jaren negentig haar “ideologische veren” af en liet zich, behalve in 1972/3, bij de coalitiebesprekingen waarbij men betrokken was inpakken door de verraderlijke christendemocraten.

    Het is daarom niet verwonderlijk dat de Socialistische Partij van Jan Marijnissen de volle sympathie heeft van Van der Zwan, omdat de SP het gat op links opvult dat de PvdA, behalve in de tijd van Den Uyl, heeft laten liggen. De eigenlijke reden van de oprichting van de PvdA, de Doorbraak, de poging om de tegenstelling tussen confessionele en niet-confessionele partijen op te heffen en in Nederland een tweepartijenstelsel te laten doen ontstaan, wordt door Van der Zwan miskent. Dat de PvdA niet slechts de voortzetting van de vooroorlogse socialistische SDAP was maar een fusie van deze partij met de vrijzinnig-democratische VDB en de progressief-christelijke CDU, bagatelliseert hij. Zijns inzien horen de vrijzinnig-democraten eigenlijk niet bij de PvdA. Ook Wouter Bos die uit een christelijke Doorbraakfamilie komt en daarom niet zo’n zin had in de linkse lente van Marijnnissen en Femke Halsema, kan op weinig waardering van de auteur rekenen.

    De Katholieke Volkspartij en later het CDA spelen in het betoog van Van der Zwan de rol van antagonist. Zij blijven, behalve tijdens het kabinet-Den Uyl en het Paarse intermezzo (1994-2002) in het centrum van de macht en geven er in de regel de voorkeur aan om met de liberalen te regeren. De stelling van RKSP-leider W.H. Nolens, dat alleen in “uiterste noodzaak” met de SDAP geregeerd mocht worden, gaat volgens Van der Zwan ook op voor de houding van de christendemocraten ten opzichte van de PvdA. Men gaat alleen met de PvdA in zee als deze partij dusdanig is verzwakt, zoals in 1989 (het kabinet-Lubbers III) en 2006 (Balkende-IV), of wanneer men uit is op een breuk met de PvdA om vervolgens weer met de liberalen te regeren, zoals in 1965/6 (Cals) en 1981/2 (Van Agt-II). Op zich is dit wel een interessante bewering, maar zo’n bewering moet worden onderbouwd en dat doet Van der Zwan in zijn uit de hand gelopen essay niet.

    Interessant is wel Van der Zwans positionering in het debat over de multiculturele samenleving. Hij onderschrijft de kritiek van Bolkenstein en Fortuyn en moet niets hebben van de struisvogelpolitiek die wordt bedreven door de PvdA en het elitaire GroenLinks van Halsema. Ook hieruit blijkt dat Van der Zwan beter past bij de SP.

    Van der Zwans pathetische pamflet eindigt met een aanval op Wouter Bos, die zich volgens helemaal zou laten inpakken door het CDA en door zijn pragmatische sociaal-liberale koers en de focus op hoe goed hij het in de media deed (‘De Wouter tapes’) verantwoordelijk zou zijn voor de neergang van de PvdA, die eigenlijk al was ingezet met de pragmatische Wende van Wim Kok.

    Het PvdA-bashende boek, dat net als de boeiende biografie van Bleich over Joop Den Uyl bij uitgeverij Balans is verschenen, zal ongetwijfeld op het nachtkastje van Jan Marijnissen komen te liggen. Wouter Bos – die zich na het verkiezingsdebacle van november 2006 ontpopt heeft tot een uitstekend minister die in tegenstelling tot vele linkse lieden van zijn partij niet doet aan kabinetje-pesten – hoeft van Van der Zwans slagen in de lucht echter geen minuut wakker te liggen.

    Tags: Anet Bleich, Arie van der Zwan, Ed van Thijn, Joop den Uyl, PvdA
    Read More
  • Het betoverde land achter de kleerkast

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/7/4/5/7/666877547.jpg

    Dit essay staat ook in het boek Van God los. Het einde van de christelijke politiek? dat nog steeds in de winkels te koop is. In vijftien essays bespreken Remco van Mulligen en ik de toekomst van de christelijke politiek in Nederland.

     

    Door: Ewout Klei

     

    De Engelse schrijver C.S. Lewis publiceerde veel boeken over het christelijk geloof, maar hij is in de Angelsaksische wereld toch vooral bekend geworden met zijn kinderboekenserie over Narnia, het betoverde land achter de kleerkast. In Narnia draait alles om de leeuw Aslan, die symbool staat voor Jezus. Zoals Jezus de wereld redde door te sterven aan het kruis, zo redde Aslan Narnia door te sterven op de stenen tafel. En zoals Jezus na de opstanding des vleses de satan en zijn demonen versloeg, zo versloeg Aslan de White Witch en haar legers.

    Vanwege de zware christelijke symboliek, is de kinderfantasy van Lewis ook populair bij volwassenen. Sommige enthousiaste Lewis-fans, zoals de conservatieve publicist Bart Jan Spruyt, wanen zich ook nadat ze het boek hebben neergelegd soms heel even in Narnia:

     

    “Onlangs had ik een debat, een nogal ongemakkelijk debat, met een vrouwelijke representante van het secularisme, en in de auto naar huis zag ik haar gezicht steeds voor me. Ik kende dat gezicht, maar waarvan ook al weer? Een wit gezicht, strak, ijzig. Weken later wist ik het ineens. Jadis, de koningin van Narnia, de White Witch, witte tovenares, uit de verhalen van C. S. Lewis! Het land achter de kleerkast waarover zij regeert, heeft zij zo betoverd dat het er altijd winter blijft, doods, koud, onvruchtbaar. Het wordt er nooit meer kerstfeest. Haar macht wordt verbroken wanneer het een jongen lukt om met zijn zwaard de toverstaf van de tovenares kapot te slaan, en door de levenwekkende adem van de uit de dood herrezen leeuw Aslan. Het doodse wit maakt plaats voor een regenboog aan kleuren. Doodse stilte wordt vervuld van lachen en zingen.

    Om het doodse wit van het secularisme te verdrijven, en te voorkomen dat alle lachen en zingen in een koude, doodse stilte verandert, moet het toverstokje van de seculieren opnieuw met het zwaard worden verbroken. En dat zwaard kan niet anders dan het zwaard van de Geest zijn, Die zoals bekend niet werkt door kracht of geweld.”

     

    In de ogen van Spruyt is de White Witch, die bij Lewis symbool staat voor de Satan, D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld. Zij is een pleitbezorger van het secularisme. Ook in Nederland wint het secularisme volgens Spruyt terrein. Immers, een seculiere meerderheid in de Tweede Kamer wilde het onverdoofd ritueel slachten van dieren door joden en islamieten verbieden. Als de seculieren hun zin krijgen, zo voorspelt Spruyt, verandert Nederland in een doods winterlandschap, waar er voor zichtbaar geloof geen plaats meer is.

    Spruyt is in het Nederlandse politieke landschap niet de enige die het secularisme als bedreiging ziet. Volgens Henk van Rhee van de christelijke hulporganisatie Stichting tot Heil des Volks ligt het orthodoxe christendom permanent onder vuur. Om die reden lanceerde hij het idee van een proefprocessenfonds om de christelijke vrijheid te beschermen. Dit natuurlijk naar analogie van het in 2002 gestarte proefproces van het feministische Clara Wichmann Fonds tegen de SGP, vanwege het vrouwenstandpunt van die partij. Van Rhee stelt dat we geloofsonvrijheid te lang met het communisme en de islam hebben geassocieerd. Volgens hem zorgt ook het secularisme voor verdrukking en dit kan leiden tot vervolging van christenen. Kritische geluiden over het secularisme wijzen vooral in die richting.

    Verandert Nederland dankzij de seculieren in Narnia, in een winterland?

     

    ‘Seculiere meerderheidscultuur’

    De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy stelt dat Nederland een ‘seculiere meerderheidscultuur’ kent, waarin minderheden worden gemarginaliseerd. Zijn begrip ‘seculiere meerderheidscultuur’ duikt tegenwoordig vaak op in analyses over de huidige Nederlandse samenleving. Het is een nadere inkleuring van het begrip ‘meerderheidscultuur’, dat Paul Scheffer bezigde in zijn beroemde boek Het land van aankomst. Scheffer ziet ‘meerderheidscultuur’ als iets positiefs. Migranten moeten zich, als zij goed in de samenleving willen functioneren, voegen naar deze dominante cultuur. Kennedy daarentegen ziet het als iets negatiefs. De ‘seculiere meerderheidscultuur’ is volgens hem dwingend en intolerant.

    In een interview, dat in juni 2005 in het dagblad Trouw verscheen, vertelt Kennedy dat het begrip tolerantie in de jaren zestig een grote transformatie heeft ondergaan. In de tijd van de verzuiling betekende tolerantie dat je een zeker begrip kon opbrengen voor de opvattingen van de ander, ook al was je het er hartgrondig mee oneens, en dat je anderen daarom niet opzettelijk moest kwetsen. Tolerantie was noodzakelijk, want anders konden de verschillende groepen mensen niet met elkaar samenleven. Vanaf de jaren zestig werd tolerantie echter iets wat anderen moesten hebben, en wat van anderen kon worden geëist. Als gevolg van snelle secularisatie, ontkerkelijking en ontzuiling ontstond er volgens Kennedy in Nederland een seculiere meerderheidscultuur, die afwijzend stond tegenover religieuze minderheden. Aanvankelijk waren orthodoxe christenen de kop van jut, in het nieuwe millennium werden dit de islamitische nieuwkomers waar ook Scheffer in zijn boek over schrijft. De seculiere meerderheid eist tolerantie van deze minderheden en plaatst ze steeds weer in de beklaagdenbank. De opmerking van Rita Verdonk, in het kabinet Balkenende II Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, dat moslims moeten leren kritiek te incasseren, is volgens Kennedy veelzeggend. Beledigen mag, en degenen die daar moeilijk over doen, worden als intolerant bestempeld. Kennedy hekelt de seculiere opstelling. Deze is slecht voor de minderheid en bij de seculiere meerderheid ontbreekt vaak het vermogen tot zelfreflectie.

    Hoofdredacteur Erica Meijers van het GroenLinks-magazine De Helling schreef in 2011 vlammend betoog over ‘de nieuwe onverdraagzaamheid bij links’. In haar geruchtmakende essay  bekritiseert ze de religiekritische koers van GroenLinks. Niet alleen Geert Wilders maakt een karikatuur van de islam, maar dat gebeurt volgens haar steeds vaker ook in linkse kringen. In het politieke discours van links wordt ‘seculier’ vereenzelvigd met ‘beschaving’, ‘verlichting’ en ‘vrijzinnigheid’, terwijl ‘orthodoxie’ in het algemeen, en orthodoxe vormen van de islam in het bijzonder, al snel in verband gebracht worden met ‘barbarij’, ‘achterlijkheid’ en ‘fundamentalisme’. Mensen denken volgens haar tegenwoordig veel te snel in frames, beelden, die de maatschappelijke werkelijkheid in een knellend keurslijf dwingen. Op dit moment winnen de karikaturen van religie aan kracht, wat de politiek legitimeert om er harder tegen op te treden.

    Orthodoxie is volgens Meijers niet hetzelfde als fundamentalisme. Orthodoxie is breed, staat in een eerbiedwaardige traditie met eeuwenoude papieren, terwijl fundamentalisme smal is en iets van een veel recentere datum. In navolging van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer stelt Meijers dat religie een januskop heeft: een lelijk en een mooi gezicht. Tegenwoordig wil men echter alleen het lelijke gezicht zien. Pas als de seculiere partijen zich losmaken van hun karikatuurbeelden, kunnen ze gelovigen weer recht in de ogen kijken en de ander nemen zoals hij echt is, en niet als een woeste barbaar.

    Die karikatuurbeelden waartegen Meijers ten strijde trekt kennen een langere geschiedenis. Al in de jaren tachtig werden  bijvoorbeeld de orthodoxe christenen in het politiek-maatschappelijke debat als fundamentalistisch uitgemaakt. Dit overkwam de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. In het inmiddels ontzuilde Nederland werden de nog verzuilde partijtjes niet alleen als reservaten van de verzuiling beschouwd, maar ook als broeinesten van religieuze onverdraagzaamheid. Het machtige en gematigde CDA was weliswaar niet geliefd bij de (progressieve) pers, maar werd niet als fundamentalistisch bestempeld.

    In 1981 kwamen progressief en seculier Nederland in het geweer, toen er even sprake van was dat CDA en VVD een minderheidskabinet wilden vormen dat zou leunen op de gedoogsteun van de kleine christelijke partijen. In de Volkskrant trok columnist Jan Joost Lindner fel van leer tegen deze ‘Staphorster variant’, die als wisselgeld voor haar gedoogsteun alle vrijzinnige vernieuwingen zou tegenhouden. Het Overijsselse boerendorp Staphorst, waar tot in de jaren zestig overspelige stelletjes in een mestkar werden rondgereden, stond bij Lindner symbool voor de barbaarsheid van het christendom. Ook het Humanistisch Verbond wilde onder geen beding dat SGP, GPV en RPF invloed op het kabinetsbeleid zouden uitoefenen, en waarschuwde in een open brief CDA en VVD voor deze ‘theocratische partijtjes ter rechterzijde’.

    Medio jaren tachtig laaide dezelfde discussie weer op, toen PvdA-leider Joop den Uyl de drie kleine christelijke partijen ‘a-democratisch’ noemde. In een toespraak die hij hield op een feestelijke bijeenkomst over negentig jaar sociaaldemocratie, stelde Den Uyl dat de manier waarop er in SGP, GPV en RPF over democratie werd gedacht, ‘een latente bedreiging (…) van wezenlijke vrijheden’ vormde. GPV-leider Gert Schutte bestreed tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 1984 de aanval van Den Uyl, en verzekerde iedereen dat het GPV zich aan de democratische spelregels hield. In de loop van dit Kamerdebat werd duidelijker wat Den Uyl precies met ‘a-democratisch’ bedoelde, namelijk dat de kleine christelijke partijen met beroep op de Bijbel zich verzetten tegen het gelijkheidsidee, dat ten grondslag zou liggen aan de Nederlandse democratie, en anderen discrimineerden. De Bijbel was volgens Den Uyl bovendien een ‘niet-verifieerbare’ bron, en door zich op de Bijbel te beroepen onttrokken de kleine christelijke partijen zich aan de normale politieke discussie. Den Uyl eiste tolerantie van minderheden en verdedigde het standpunt van de Duitse filosoof Jürgen Habermas, namelijk dat in het publieke domein alleen zinvol kan worden gediscussieerd als men argumenten gebruikt die voor alle partijen acceptabel zijn. RPF-leider Meindert Leerling zei daarom heel erg de indruk te hebben dat Den Uyl van SGP, RPF en GPV politieke paria’s wilde maken, die net als Hans Janmaat van de Centrumpartij moesten worden gemeden en bestreden. Leerling hoopte dat er voor het christelijke geluid in het parlement nog wel ruimte zou blijven.

    Lindner, het Humanistisch Verbond en Den Uyl maakten een karikatuur van de kleine orthodox-christelijke partijen door ze te bestempelen als aartsconservatief en intolerant en te stellen dat ze in potentie een gevaar vormden voor de Nederlandse democratie. Dat SGP, GPV en RPF in het parlement samen slechts zes zetels hadden en nog geen deuk in een pakje boter konden slaan, wist men natuurlijk ook wel. Het spookbeeld Staphorst was echter nodig om de eigen identiteit extra te onderstrepen, het was een oefening in seculiere zelfbevestiging.

    Tegenwoordig is de term Staphorst een beetje in onbruik geraakt. Toen de SGP in 2011 gedoogsteun verleende aan het wankele kabinet-Rutte I sprak men niet over Staphorst maar over de Poldertaliban (zie ook hoofdstuk 7 ‘De emancipatie van de SGP’). Religieuze onverdraagzaamheid en barbaarsheid worden nu allereerst in verband gebracht met de islam, ook als de minderheid die zich intolerant opstelt christelijk is.

     

    Hashtag haatbaard

    Sinds 2001 heeft het islamdebat Nederland in zijn greep, het debat over de vraag of de islam een bedreiging vormt voor de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Dit debat gaat niet zozeer over moslims en de islam in het algemeen, maar vooral over fundamentalistische moslims en de vraag of de islam een politieke ideologie is.

    In Nederland wonen bijna één miljoen moslims. Zij zijn verdeeld in uiteenlopende etnische groepen, waarvan de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen de grootste zijn. Het etnische onderscheid is het belangrijkst, maar daarnaast spelen ook dogmatische verschillen een rol. De meeste moslims in Nederland behoren tot de soennitische islam, maar er zijn ook andere richtingen te herkennen. De eerste moskee in ons land is bijvoorbeeld gesticht door de ahmadiyya, een stroming die door de meeste andere moslims als ketters wordt beschouwd. Daarnaast is zo’n twintig procent van de Turkse moslims aleviet, een vrijzinnige stroming binnen de sjiitische islam. Binnen de fundamentalistische islam, die sjiitisch of soennitisch kan zijn, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen fundamentalisten die gebruikmaken van geweld en zij die dat niet doen. Haitham al-Haddad is een fundamentalistische soennitische moslim die een theocratische islamitische staat nastreeft, maar hij maakt geen gebruik van geweld. Ook roept hij moslims niet op om terroristische aanslagen of andere gewelddaden te plegen. Al-Haddad kun je daarom ook niet gelijkstellen met de terroristische organisatie Al-Qaida.

    In het islamdebat is het trouwens niet alleen Geert Wilders die beelden oproept van boze mannen met baarden, ook progressief Nederland doet hier lustig aan mee. Als Pauw & Witteman een debat willen met een ‘echte’ moslim, vragen ze nooit een degelijke CDA- of PvdA-politicus. In plaats daarvan nodigen ze theatraal tegendraadse fundamentalisten uit als Mohammed Enait, de advocaat die niet wilde opstaan voor de rechter omdat hij het Nederlandse recht niet respecteerde. Of Izz ad- Din Ruhulessin, de Nijmeegse student Arabisch en politicologie die in de Volkskrant Iran verdedigde toen men daar een overspelige vrouw wilde stenigen.

    Ook het Amsterdamse debatcentrum De Balie heeft een fascinatie voor deze ‘oorspronkelijke’ moslims. Het debat dat op vrijdagavond 17 februari 2012 in Amsterdam werd gevoerd tussen de fundamentalistische geestelijke Haitam al-Haddad, journalist Kustaw Bessems en GroenLinks-Kamerlid en vrijzinnige moslim Tofik Dib en de commotie eromheen,  hadden wel iets weg van een circusact van honderd jaar geleden.

    Al-Haddad was uitgenodigd door een islamitische studentenvereniging om aan de Vrije Universiteit van Amsterdam te komen spreken. Omdat Al-Haddad bekend stond als een antisemiet die onderdrukking van vrouwen propageerde, hadden enkele partijen in het parlement grote bezwaren tegen zijn komst. In reactie op deze commotie besloot de VU-leiding dat het niet zou doorgaan, in ieder geval niet in het gebouw van de universiteit. Debatcentrum De Balie wierp zich vervolgens op als centrum van het vrije woord, en besloot de beste man wel een podium te geven. Vanwege de rel was de zaal snel uitverkocht. Een aantal websites besloot  het debat een livestream uit te zenden, en politici, journalisten en verder iedereen met een mening twitterden al enkele uren voor aanvang in ongezouten bewoordingen over Al-Haddad. GroenLinks-coryfee Femke Halsema noemde hem een ‘malloot’, wat die avond één van de vriendelijkste kwalificaties was. Heel vaak verscheen in tweets  de hashtag ‘haatbaard’ (#haatbaard). Niet alleen openlijke en heimelijke sympathisanten van Geert Wilders, maar ook grachtengordelbewoners als opiniemaakster Maja Mischke en PvdA-politicus Kaj Leers bezigden deze term.

    Ondanks alle mooie woorden over het vrije woord was het Baliedebat eigenlijk geen ‘echt’ debat. In zo’n ideaal debat probeert men de ander te overtuigen, en doet men ook zijn best de ander te begrijpen. Al-Haddad leek echter vooral te zijn gekomen om zijn eigen mening te verkondigen. Soms deed hij ronduit curieuze uitspraken, bijvoorbeeld dat westerse moslimvrouwen die overspel hadden gepleegd, graag naar een islamitisch land zouden willen afreizen om daar gestenigd te worden. Door zijn extreme uitspraken maakte hij het zijn opponenten makkelijk om zichzelf te bevestigen in hun seculiere superioriteitsgevoelens. Al-Haddad werd hierdoor het levende symbool van achterlijkheid, onverdraagzaamheid en haat: der ewige Muslim. Men zocht naar de meest extreme formuleringen om afstand te nemen van de imam: hij moest als een bebaarde barbaar worden gedehumaniseerd.

    Dat het debat in De Balie uitverkocht was heeft vermoedelijk ook te maken met een zekere behoefte aan sensatie. Honderd jaar geleden bezochten mensen het circus vanwege de dwergen en de vrouw met de baard. De ‘verlichte’ Nederlanders waren in 2012 niet veel anders, ze bezochten De Balie om naar een ‘echte’ moslim te kijken, een #haatbaard.

     

    Ruimte voor het individu

    Van christenen en moslims bestaan veel karikaturen en karikaturen doen aan de werkelijkheid geen recht.  Er valt dus best iets voor de analyses van Kennedy en Meijers ten aanzien van het seculiere denken en religie te zeggen. Toch is er ook wel wat op af te dingen, want Kennedy en Meijers zijn beide eenzijdig, ze vertellen slechts een deel van het verhaal. Ze hebben alleen het mooie gezicht van religie willen zien, en hebben het lelijke gezicht van deze januskop afgepoetst. Daarnaast maken zij van het seculiere denken ook een karikatuur, een die wel erg zwart is ingekleurd, met als gevolg een te weinig verlicht plaatje. Zo vindt August Hans den Boef, auteur van boeken als God als hype en Nederland seculier!, dat Meijers orthodoxie veel te positief taxeert. Orthodoxie is niet breed, maar een verstening van de traditie. Kwalijker vindt hij echter de groepsdwang onder orthodoxe gelovigen. Orthodoxie is immers geen vrije keus, je wordt er vanaf je kindertijd al mee geïndoctrineerd. Ten slotte willen orthodoxe gelovigen hun ‘reservaten’ uitbreiden. Als hun wereld botst met de seculiere wereld, moet de laatste volgens de orthodoxen natuurlijk wijken. Zo moet er een uitzonderingspositie zijn voor trouwambtenaren van de burgerlijke stand die weigeren homo’s te huwen – de weigerambtenaren –  en voor artsen die weigeren euthanasie uit te voeren  – de weigerartsen. Maar eigenlijk willen orthodoxe gelovigen het homohuwelijk en de euthanasiewetgeving gewoon terugdraaien. Orthodoxen zijn niet uit op een modus vivendi maar willen de rechten van andersdenkenden beperken. Ze dienen volgens Den Boef daarom te worden bestreden. Of deze twee voorbeelden wel gelukkig zijn gekozen door Den Boef, daar kunnen vraagtekens bij worden gezet. Juist op het gebied van het homohuwelijk en de euthanasie is de traditionele christelijke moraal namelijk behoorlijk teruggedrongen in Nederland. Het homohuwelijk en de euthanasie zijn immers gelegaliseerd.

    Boris van der Ham, oud-parlementariër van D66 en huidig voorzitter van het Humanistisch Verbond, is qua toonzetting een stuk milder dan Den Boef. Hij richt zijn pijlen op het idee van de seculiere meerderheidscultuur, die volgens hem niet bestaat. Natuurlijk, de verzuiling is grotendeels voorbij, maar dat betekent volgens  hem niet dat het nu allemaal koekoek één zang is. Mensen zijn in de eerste plaats individuen, alle individuen zijn verschillend en denken verschillend. De overheid moet minderheden beschermen, maar niet als groepen. Zo’n benadering negeert namelijk de diversiteit bínnen orthodoxe groepen. Een groeiende minderheid binnen deze groepen heeft bijvoorbeeld geen moeite met het aangaan van homoseksuele relaties, maar voor dit geluid is vooralsnog geen ruimte.  Van der Ham wil de diversiteit binnen orthodoxe gemeenschappen óók recht doen. Het recht om af te wijken, is volgens hem daarom allereerst een individueel recht. Het perspectief ‘seculiere meerderheid’ versus ‘religieuze minderheden’ houdt met het individu onvoldoende rekening.

    Orthodoxie betekent ‘zuiver in de leer’. Orthodoxe groepen wijzen daarom visies die niet met hun eigen overeenkomen principieel af.  Zij dulden geen diversiteit in hun eigen groep. Van het GPV konden in de praktijk alleen mensen lid worden, die behoorden tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ‘enige ware kerk’ (zie hoofdstuk 8 ‘De twee gezichten van de ChristenUnie’). De ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, denkt tegenwoordig wat ruimer. Niettemin sluit de partij de facto homoseksuelen uit voor bestuurlijke en vertegenwoordigende functies (hoewel er vast wel enkele uitzonderingen zijn die deze regel bevestigen).

    Den Uyl had in 1984 niet helemaal ongelijk. In tegenstelling tot de SGP waren GPV en RPF geen theocratische partijen, maar voluit democratisch waren ze ook niet. Volgens RPF-leider Meindert Leerling had de PvdA-voorman het eigenlijk best wel goed gezien. De democratie kende grenzen, voor de kleine christelijke partijen bestond er een hogere norm dan ‘de helft plus één’. Leerling wees op de boeken van oud-Kamerlid A.J. Verbrugh, de voorganger van GPV-leider Schutte, die in zijn trilogie Universeel en Antirevolutionair de democratie als staatsvorm afwees.

    Als Den Uyl in het al eerder genoemde debat met Schutte naar de boeken van Verbrugh had verwezen, had hij dit wellicht gewonnen. Het ideaal van de kleine christelijke partijen was niet een pluralistische samenleving waarin alle minderheden tot hun recht kwamen, maar een protestants land dat orthodoxe protestanten bevoordeelde.

    Na 2000 is de ChristenUnie van het ideaal van Nederland als protestantse natie afgestapt. Niettemin blijft men aanhikken tegen de democratische regel, dat de meerderheid beslist. In 2008, toen de ChristenUnie in de regering zat, wilde de partij tijdens de discussie over embryoselectie haar minderheidsvisie (een totaalverbod op embryoselectie) het liefst aan de rest van Nederland opleggen. Voorstanders van embryoselectie dwingen tegenstanders immers niet om ook aan selectie te doen, terwijl de ChristenUnie voorstanders wel selectie wil verbieden. De onbuigzame opstelling van de ChristenUnie ontketende een storm van protest, en columnisten Elsbeth Etty en Maarten ’t Hart lieten zich in het NRC-Handelsblad negatief uit over het christelijk geloof. In reactie hierop kropen ChristenUnie-politici meteen in een slachtofferrol. Kamerlid Arie Slob meende dat christenen (lees: ChristenUnie en SGP) in het publieke debat werden gediscrimineerd, en senator Roel Kuiper klaagde meteen steen en been over de ‘knock-out-democratie’, die minderheden uit de politieke arena wilde slaan. Dat de discussie was opgelaaid omdat de ChristenUnie de vrijheid van andersdenkenden wilde beperken, waren beide heren allang weer vergeten.

    Enkele jaren later, in oktober 2011, organiseerde het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie een afscheidscongres voor André Rouvoet. De begin dat jaar afgetreden partijleider zei in zijn redevoering dat hij de formele regel dat de democratische meerderheid beslist respecteerde, maar tegelijkertijd benadrukte hij dat een échte democratie zo veel mogelijk rekening houdt met minderheden. Rouvoet beriep zich op Kennedy’s analyse dat de seculiere meerderheid minderheden marginaliseert en gebruikte dat als een frame, om het over de andere kant van de zaak vooral maar niet te hebben. Hij schetste religieuze minderheden als slachtoffer van de seculiere meerderheid, maar over de diversiteit in orthodoxe gemeenschappen zweeg hij uiteraard.

    Hoe zit het dan met orthodoxe moslims? Ten aanzien van Al-Haddad hadden de seculiere critici terechte kritiek op zijn standpunten. Natuurlijk, de mening van Al-Haddad is extreem radicaal en vermoedelijk zullen slechts weinig moslims in Nederland het met hem eens zijn. Maar Al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië, waar geen vrijheid van godsdienst is.  Al-Haddad is bovendien gepokt en gemazeld in het Saoedische denken. Hij eist in Europa het recht op om als moslim naar islamitische wetten te mogen leven, maar uiteraard gunt hij andersdenkenden deze rechten niet. Een fatsoenlijk debat viel er met hem niet te voeren: op kritische vragen gaf de imam geen antwoord, of hij verwees naar een ‘niet-verifieerbare’ bron, de Koran. Fundamentalisten maken geen interpretatieslag naar het heden en geloven dat de antwoorden van toen antwoord geven op alle vragen. Ruimte voor twijfel, ruimte voor diversiteit, ruimte voor het individu: die ruimte bestaat gewoon niet.

    Dat de Profeet Mohammed een dichter en dromer was die prachtige verhalen kon vertellen en een zwak voor mooie vrouwen had, dat gaat er bij de fundamentalisten onder zijn volgelingen niet in. Zij willen en kunnen alleen nog maar het strenge gezicht van de Profeet zien, dat overigens niet afgebeeld mag worden. Het is aan de ene kant beschamend als men Al-Haddad voor malloot of haatbaard uitmaakt –  en hem op deze manier dehumaniseert – maar waar Al-Haddad en zijn geestverwanten mee bezig zijn, is een dehumanisering van de islam. Hun doel is dit geloof van alle menselijke trekjes te zuiveren, te beginnen met de Profeet zelf. Tofik Dibi riep tijdens het Baliedebat niet voor niets uit: “Uw islam is niet mijn islam”.

    Gelovigen, ook fundamentalistische gelovigen, zijn allemaal anders. Aan de andere kant, conservatieve geloofsstromingen hebben veel intolerante trekjes en verhouden zich vaak slecht tot democratie en individuele vrijheid, waaronder ook de individuele godsdienstvrijheid. Kennedy en vooral Meijers zouden er goed aan doen deze kant wat meer te belichten.

     

    Uit de kast

    Nederland is nog niet veranderd in een Narnia-in-de-winterland: voor gelovigen is in onze samenleving nog steeds plaats, ze kunnen naar de kerk of de moskee, en krijgen ook geen seculiere staatsopvoeding. Ook mogen gelovigen, dankzij de vrijheid van meningsuiting, zeggen wat ze denken. Nederland is geen seculiere dictatuur.

    Aan de andere kant: maakt godsdienstvrijheid mensen vrij of leidt dit tot onderdrukking? Zijn christelijke homo’s die zeggen dat ze bewust voor een celibatair leven kiezen wel echt vrij, of doen ze dit uit angst voor uitstoting uit de gemeenschap waarin ze zijn opgegroeid, en de verwachting van een eeuwige straf na dit leven? Op deze vraag kun je eigenlijk geen bevredigend antwoord geven. De politiek moet daarom een zekere terughoudendheid in acht nemen. We moeten geen staatsopvoeding willen, ook al is deze seculier. Echter, een overheid die organisaties subsidieert die vrouwen en/of homo’s discrimineren, is ook niet neutraal, en maakt deze discriminatie zelfs mede mogelijk. De overheid dient op te komen voor minderheden en ook met minderheidsopvattingen die binnen een minderheid kunnen leven, maar moet voorzichtig zijn in haar optreden. Per geval moet goed bekeken worden wat de juiste keuze is. Soms weegt de vrijheid van de religieuze groep het zwaarst, soms de vrijheid van het individu.

    Belangrijker dan wat de overheid al dan niet moet doen, is de manier waarop het maatschappelijk debat wordt gevoerd. Op dit moment wordt er te veel naar elkaar gewezen:   seculieren beschouwen religieuzen te snel als barbaren, terwijl religieuzen zichzelf te snel in de slachtofferrol plaatsen –  vaak ook om maar niet te hoeven na te denken over de vraag of er misschien toch iets waar is van de kritiek van de ander. Dit komt door het drijven op twee gescheiden eilandjes en angst voor beïnvloeding van het eigen gekoesterde gedachtegoed. Voor een vruchtbaar debat is in de eerste plaats seculiere zelfbeheersing nodig. Christenen en moslims moeten niet meer als achterlijke barbaren worden gekarikaturiseerd, maar als mensen met een andere mening worden benaderd. Kritiek op die mening moet echter wel mogelijk blijven. Ook met religiekritiek is niets mis, zolang de aanhangers van religies maar als mensen worden blijven benaderd. Daarnaast zou het goed voor de discussie zijn, om niet alleen radicalen en extremisten aan het woord te laten, maar ook ‘normale’ religieuzen. Vooral voor de islamdiscussie zou dit heel heilzaam zijn en deze discussie bevrijden uit de verstikkende wurggreep van de polarisatie.

    In Narnia, het betoverde land achter de kleerkast, zijn de regels makkelijk. Of je volgt de White Witch, of je volgt Aslan. Een tussenweg is er niet. We moeten weg uit deze wereld. Gelovigen en seculieren moeten uit de kast komen, wakker worden uit hun utopische droom, en leren om in de echte wereld toch een beetje met elkaar samen te leven.

    Tags: Aslan, Bart Jan Spruyt, Erica Meijers, James Kennedy, Joop den Uyl
    Read More
  • Uit de oude doos: Joop den Uyl als drammer en dromer

    0

    Onderstaande recensie schreef ik in 2008.

     

    Zelden heeft een biografie zoveel aandacht gekregen als de Joop den Uyl-biografie van de journaliste Anet Bleich. Alle grote kranten schreven over haar proefschrift, het stond op teletekst en haalde zelfs het journaal.
    De onthullingen die Bleich deed waren dan ook onthullend. Den Uyl had in zijn jeugd sympathie voor het nationaal-socialisme gehad (het bleek achteraf slechts een jeugdzonde te zijn) en hoewel Den Uyl als minister-president de Lockheed-affaire van 1976 op kundige wijze oploste zorgde hij ervoor dat het Nederlandse publiek niets te horen kreeg van de Northrop-affaire, een andere smeergeldaffaire waar prins Bernhard bij betrokken was.
    Deze onthullingen en de zeer plezierige schrijfstijl van Bleich maken de biografie tot een erg goed boek, dat eigenlijk bij iedereen die geïnteresseerd is in / placht wat te weten over de Nederlandse politiek in de boekenkast zou moeten staan.

    Den Uyl groeide op in een streng gereformeerd gezin, viel in de Tweede Wereldoorlog van zijn geloof, bekeerde zich tot de sociaal-democratie, ging schrijven voor het linkse verzetsblad Vrij Nederland en werd in 1946 lid van de Partij van de Arbeid.
    Den Uyl was een man met grote ambities en had op jonge leeftijd al de ambitie om minister te worden. Als directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, en als wethouder van Amsterdam wist Den Uyl zich in de kijker te spelen zodat hij in 1965 gevraagd werd om minister te worden in het kabinet-Cals. Na de val van dit kabinet in de nacht van Schmelzer werd Den Uyl leider van de PvdA.

    Den Uyl komt in het boek vooral naar voren als een flexibele partijleider die met zijn tijd meeging. Hij ging in debat met andersdenkenden (Provo’s, kabouters, rebelse studenten, communisten etc.) en nam ze serieus. Toen Nederland als gevolg van de culturele revolutie van de jaren zestig ingrijpend veranderde, bewoog Den Uyl tot op zekere hoogte met de nieuwe tijd mee. Den Uyl wilde geen regent zijn en luisterde daarom naar de eisen van de radicale jongeren van Nieuw Links, een pressiegroep binnen de PvdA. Ook liet Den Uyl zich overhalen om leider te worden van het schaduwkabinet van PvdA, D’66 en PPR (de Politieke Partij Radicalen, één van de voorlopers van GroenLinks), dat een progressief kabinet moest voorbereiden.

    De kracht van Den Uyl bleek meteen ook zijn zwakte te zijn. Door zo te afhankelijk te zijn van de radicalen plaatste hij zijn partij namelijk in een onmogelijke positie, waardoor in 1977 ondanks de grote verkiezingsoverwinning de formatie door de PvdA werd verloren. De partij won 10 zetels en kwam uit op 53, maar een tweede kabinet-Den Uyl zou er nooit komen omdat de christen-democraten en hun onnavolgbare leider Dries van Agt uiteindelijk liever met de VVD regeerden.
    Den Uyl had hier zelf de hand in gehad: in het eerste kabinet-Den Uyl waren de christen-democraten geen volwaardige coalitiepartners maar waren ze de ‘witte rand’ van Dan Uyls rode kabinet, waarvan de kern werd gevormd door de drie partijen van het schaduwkabinet. Het CDA wilde in een tweede kabinet-Den Uyl niet opnieuw de tweede viool spelen en wilde daarom niet buigen voor de harde eisen die de PvdA stelde. Den Uyl stond erbij er keek erna. In plaats van in te grijpen en tegen de Tweede Kamerfractie, het partijbestuur en de ledenvergadering van de partij te zeggen dat hun eisen onredelijk waren, deed Den Uyl niets en kwam hij in de formatie uiteindelijk ook buitenspel te staan.

    Het doel van Den Uyl was een politiek tweestromenland te creëren, waar geen ruimte was voor confessionelen maar alleen voor een progressieve en een conservatieve partij. Dit doel streefde hij na de Tweede Wereldoorlog na in Vrij Nederland en als lid van de (aanvankelijke) doorbraakpartij PvdA, en begin jaren zeventig als leider van het progressieve schaduwkabinet en leider van het eerste en enige kabinet-Den Uyl.
    Als gevolg van zijn polariseren ontwikkelde het Nederlandse politieke landschap zich echter in een driestromenland, waar de zich van hun nederlagen herstellende christen-democraten het vermaledijde politieke midden van uitmaakten. De VVD van Hans Wiegel – die erg van de polarisatie had geprofiteerd en groot was geworden door zich af te zetten tegen de potverterende ‘Sinterklaas’ Den Uyl– wilde namelijk onder geen beding met de PvdA in zee.

    De anders altijd voor nieuwe ontwikkelingen openstaande Den Uyl snapte na het niet tot stand komen van zijn vurig gewenste tweede kabinet de veranderde tijdgeest niet. Hij bleef tot 1986 de (betwiste) leider van de PvdA. Pas in 1989, Den Uyl was in 1987 overleden, kon de PvdA weer aanschuiven (als we het kortstondige tweede kabinet-Van Agt even buiten beschouwing laten). Den Uyl was een dromer en een doordouwer. Hij had grote idealen, grootste visioenen om de samenleving te veranderen, maar in de praktijk waren de marges hiervoor te smal. Hoewel den Uyl dit in theorie besefte en in 1970 een artikel over de ‘Smalle marges van de democratie’ schreef, waren zijn dromen te idealistisch en werkte zijn drammen (door Bleich eufemistisch doordouwen genoemd) contraproductief.

    Tenslotte bevat Bleichs biografie helaas een enkel schoonheidsfoutje. Het is jammer dat de leescommissie die er niet uitgehaald heeft. Bijzonder storend vooral vond ik dat Bleich, sprekende over de ‘warme zomer van 1969’, de Praagse Lente en de studentenrellen in Parijs met dit jaartal associeert, terwijl deze gebeurtenissen toch echt in 1968 plaatsvonden. Bleich blijkt dus toch minder een soixante-huitard te zijn dan ik aanvankelijk dacht.
    Afgezien van dit ene voorbeeld is deze opmerking trouwens positief bedoeld, want hoewel de bewondering van de feministe en voormalige linkse activiste Bleich voor Den Uyl duidelijk is, blijft ze objectief en is haar biografie ook de moeite waard voor de Den Uyl-haters. Ondergetekende heeft sympathie voor de persoon Den Uyl gekregen en is het na het lezen van dit prachtige proefschrift daarom in ieder geval niet meer.

     

    N.a.v.: Anet Bleich, Joop den Uyl 1919-1987. Dromer en doordouwer (Amsterdam: Balans 2008). ISBN 9789050188180. 35 euro.

    Tags: Anet Bleich, Dries van Agt, Joop den Uyl, Lockheed-affaire, Nieuw Links
    Read More
  • Opiniepauze

    1


    In navolging van de gevierde opiniemakers Peter Breedveld en Bert Brussen en last but not least Blonde Mevrouw van de Dagelijkse Standaard kondig ik bij dezen ook een voorlopig afscheid aan. Ik trek er op uit, weg uit opinieland. OK, ik geef toe, ik ben niet bijster origineel door dit in navolging van de rest ook publiekelijk aan te kondigen. Dat moet u mij vergeven. Adriaan van Dis zei ooit: “Beter goed gejat dan slecht verzonnen.” Deze wijsheid had hij trouwens niet zelf bedacht. 

    Om u toch een beetje gerust te stellen: Ik ben niet bedreigd, niet serieus in ieder geval, en de tomaten die door De Dagelijkse Standaard naar mijn hoofd werden geslingerd waren ook niet van die kwaliteit, dat ik mij rot voelde. Er is daarentegen een soort moeheid bij mij opgetreden. Ik ben de waan van de dag en de eeuwig terugkerende discussies gewoon zat. Twitter is net zo verslavend als drank en porno en daar zal ik voorlopig dus niet van af kunnen blijven, maar ik ben van plan de komende maanden even geen Joop-stukken meer te schrijven.

    Op de achtergrond speelt wel iets anders, waar ik al een tijdje mee worstel. Doordat ik mij gecommitteerd heb aan een bepaalde politieke partij, D66, en aan een bepaalde opiniesite, Joop, was ik mijn intellectuele onafhankelijkheid een beetje kwijt. Natuurlijk, daar ben je zelf ook bij, maar door uit loyaliteit mee te gaan met de mening van de meerderheid van de groep waar ik bij hoorde verloor ik mijn natuurlijke tegendraadsheid. Ik heb mij twee jaar geleden vrijgemaakt van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (pun intended, of course) maar legde mijzelf een nieuw juk op. De dogma’s van Johannes Calvijn werden ingeruild voor die van Hans van Mierlo en Joop den Uyl.

    Het grote nadeel van het schrijven van opinies is dat je overal een mening over moet hebben, en dat je op elk incident moet reageren. Na een tijdje heb je in de gaten dat bepaalde columnisten eigenlijk niets meer te melden hebben en alleen nog maar hun stokpaardjes lopen te herhalen. Joost Niemoller, Afshin Ellian, Leon de Winter, Theodor Holman, ze zeggen feitelijk niets nieuws. Ik geloof het allemaal wel. De best gelezen stukken in opinieland zijn de felste stukken, waar zo ongenuanceerd mogelijk zo hard mogelijk op de ander wordt ingehakt. Pathos wint het altijd van de logos. Mijn best gelezen stukken op Joop zijn niet mijn best geschreven stukken. Voor sommige stukken, zoals mijn tirade tegen Amanda Kluveld, schaam ik mij achteraf zelfs een beetje.

    Wat ik wil is een echt intellectueel debat, waar mensen open staan voor nieuwe feiten en andere meningen, niet gekozen wordt voor simpele oplossingen maar het vraagstuk vanuit verschillende kanten wordt bekeken, en waar we vooral wegblijven van de frames. Omdat ik mij erger aan het islamalarmisme van de PVV en conservatieve columnisten en vanwege mijn diepe afkeer van overschatte types als Thierry Baudet zit ik automatisch in het progressieve kamp, en neem ik ook te gemakkelijk de dogma’s van dit kamp over zonder deze kritisch tegen het licht te houden. Ook links heeft blinde vlekken, maar omdat ik mij te erg heb gecommitteerd aan dit kamp  wilde ik deze vlekken niet meer zien.  Ik ben te veel een kampvechter geworden.

    Intellectuelen moeten zich niet opsluiten in hun ivoren toren en mogen best geëngageerd zijn. Maar als ze zich te erg laten meeslepen door de waan van de dag zijn ze hun distantie kwijt en onderscheiden ze zich niet meer van Henk en Ingrid. Ik moet, als ik een intellectueel wil zijn/blijven, dus weer terug naar die ivoren toren.  Niet omdat ik mij ver verheven zou voelen boven het plebs, met de achternaam Klei zou dat trouwens hilarisch zijn, maar om mijzelf te beschermen tegen mijzelf.

    Betekent dit dat ik opinieland definitief de rug toekeer? Geenszins. Ik blijf het allemaal een beetje volgen en op twitter zal ik af en toe mijn mening de wereld in slingeren.  Maar ik wil mij nu meer richten op abstractere beschouwingen, stukken met meer diepgang, recensies, essays en dergelijke. Joop is voor zulke stukken helaas niet het goede platform.

    De terugkeer naar de ivoren toren betekent ook niet dat ik mijn geëngageerdheid definitief aan de wilgen heb gehangen. Als de nood aan de vrouw/man komt zal ik mijn 95 stellingen aan de deur spijkeren en een J’accuse schrijven.

    I’ll be back.

    Tags: Bert Brussen, Hans van Mierlo, intellectuelen, Johannes Calvijn, Joop den Uyl
    Read More
  • De smalle marge van democratische politiek

    0

    File:Uyl, Joop den - SFA008007393.jpg

    In Vrij Nederland van 8 december 2012 schreef Anet Bleich, biografe van Joop den Uyl, een kritisch artikel over Diederik Samsom. Volgens haar was Diederik geen Joop. Hiervoor is het tweede kabinet-Rutte in haar ogen namelijk niet links genoeg. Hoewel Bleich hiermee een open deur intrapt legt ze de vinger bij een belangrijk politiek probleem, namelijk dat het in de democratie erg moeilijk is om helemaal je zin te krijgen. Een regering die helemaal links of helemaal rechts is, is in Nederland vrijwel onmogelijk.

    De Pacifistisch Socialistische Partij, in 1991 opgegaan in GroenLinks, wenste een regering die helemaal links was. De partij formuleerde enkele voorwaarden, waaronder de PSP bereid was tot regeringsdeelname en een regeerakkoord.

    Als eerste voorwaarde moet er een reële basis aanwezig zijn tot de vorming van een linkse parlementaire meerderheid en moeten partijen die streven naar behoud van het kapitalistisch stelsel voor een dergelijk akkoord worden uitgesloten.

    Verder moet een linkse regering niet alleen steunen op een parlementaire meerderheid, maar tevens berusten op een wisselwerking met buitenparlementaire machtsvorming van een strijdende basis in buurten en bedrijven.

    Tenslotte moet een dergelijk akkoord getoetst worden aan de bijdrage die het funktioneren van een regeerakkoord levert aan de socialistische machtsvorming en bewustwording aan de basis om mede daardoor resultaten te kunnen behalen in de strijd voor antikapitalistische struktuurhervormingen.

     

    De PSP ging dus heel erg ver en wilde dus alleen in de regering stappen als die regering een radicaal antikapitalistisch beleid zou gaan uitvoeren. Alleen als de PSP helemaal haar zin zou krijgen, zou de partij in de regering stappen. De PSP was bovendien kritisch over het parlement en zocht ook hierbuiten naar legitimiteit. Het kabinet-Den Uyl, dat de geschiedenis is ingegaan als het meest linkse kabinet van Nederland ooit, kon in de ogen van PSP-Kamerlid Fred van der Spek niets goeds doen.

    Den Uyl was natuurlijk minder radicaal dan de PSP. Over het probleem dat je in de democratie moeilijk je zin krijgt schreef hij in 1970 in Socialisme en Democratie het beroemde artikel ‘De smalle marge van democratische politiek’. De PvdA-voorman, toen nog leider van de grootste oppositiepartij, keerde zich in dit stuk met name tegen de radicaal-linkse opvatting dat via buitenparlementaire acties politieke veranderingen moesten worden afgedwongen. Den Uyl vond dat de PvdA moest streven naar een progressieve meerderheidsregering, die op basis van een van te voren afgesproken regeerakkoord voor veranderingen moest zorgen. Alleen via deze weg konden maatschappelijke hervormingsplannen uitgevoerd worden.

    Het programma Keerpunt ’72, waaraan PvdA, D66 en PPR zich committeerden, was de uitwerking van Den Uyls theorie. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1972 behaalden de Keerpuntpartijen echter geen parlementaire meerderheid, met als gevolg dat ze in 1973 alsnog moesten samenwerken met de christelijke partijen KVP en ARP. De marge van democratische politiek bleek in de praktijk dus nog smaller dan dat Den Uyl had gevreesd.
    Dat de marge zo smal is komt omdat ons land een coalitieland is. Geen enkele politieke partij is er ooit in geslaagd over een parlementaire meerderheid te beschikken. De rechtse partijen beschikken decennialang samen over net iets meer zetels dan de linkse partijen, een gegeven dat een linkse coalitie tot nog toe onmogelijk maakt. Over rechts is het wel mogelijk maar dat werkt niet. Het in 2010 aangetreden kabinet-Rutte I was wankel, omdat men afhankelijk was van de gedoogsteun van de onbetrouwbare PVV. Halverwege de rit moest de SGP voor extra gedoogsteun zorgen. In 2012 viel dit kabinet, omdat Geert Wilders het advies van Jolande Sap had opgevolgd en de stekker eruit had getrokken.

    De politieke partijen die het meest in aanmerking komen om te regeren zijn grote partijen die niet al te extreme standpunten verkondigen: PvdA en VVD, en tot voor kort ook het nu flink gemarginaliseerde CDA. Andere partijen zijn vaak te klein en daarom niet nodig om een parlementaire meerderheid te vormen, of hebben standpunten die te ver afstaan van het politieke midden. D66, de ChristenUnie en in de jaren zeventig DS’70 en de PPR hebben als kleine partij in het regeringsbootje gezeten, maar ze konden daar maar weinig invloed uitoefenen. De SP is nooit in de regering terecht gekomen, en de PVV gaf alleen maar gedoogsteun. Kleine principiële partijen zoals vroeger de PSP en tegenwoordig de SGP en de Partij voor de Dieren maken ten slotte alleen als de politieke omstandigheden zeer extreem zijn een kansje om in de coalitie te komen, maar alleen als gedoogpartner. Zelfs dan is de invloed klein: Nederland is niet opeens veranderd in een theocratie en de heilige huisjes van de SGP – de weigerambtenaar en het vloekverbod – staan nu op het punt om afgeschaft te worden.

    De les van Nederland coalitieland is dat je nooit helemaal je zin kunt krijgen en compromissen moet sluiten die soms pijnlijk zijn. Natuurlijk moeten partijen niet hun ziel en zaligheid verkopen voor een schotel linzenmoes, maar een beetje compromisbereidheid is noodzakelijk om te kunnen regeren. Diederik Samsom is geen Joop den Uyl, daarvoor is de marge van democratische politiek te smal. Zelfs Joop den Uyl was niet de Joop den Uyl die hij wilde zijn. De werkelijkheid is immers meestal niet zo fijn als het idealiter zou moeten zijn.

    Tags: Anet Bleich, Diederik Samsom, Fred van der Spek, Joop den Uyl, PSP
    Read More