Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Het betoverde land achter de kleerkast

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/7/4/5/7/666877547.jpg

    Dit essay staat ook in het boek Van God los. Het einde van de christelijke politiek? dat nog steeds in de winkels te koop is. In vijftien essays bespreken Remco van Mulligen en ik de toekomst van de christelijke politiek in Nederland.

     

    Door: Ewout Klei

     

    De Engelse schrijver C.S. Lewis publiceerde veel boeken over het christelijk geloof, maar hij is in de Angelsaksische wereld toch vooral bekend geworden met zijn kinderboekenserie over Narnia, het betoverde land achter de kleerkast. In Narnia draait alles om de leeuw Aslan, die symbool staat voor Jezus. Zoals Jezus de wereld redde door te sterven aan het kruis, zo redde Aslan Narnia door te sterven op de stenen tafel. En zoals Jezus na de opstanding des vleses de satan en zijn demonen versloeg, zo versloeg Aslan de White Witch en haar legers.

    Vanwege de zware christelijke symboliek, is de kinderfantasy van Lewis ook populair bij volwassenen. Sommige enthousiaste Lewis-fans, zoals de conservatieve publicist Bart Jan Spruyt, wanen zich ook nadat ze het boek hebben neergelegd soms heel even in Narnia:

     

    “Onlangs had ik een debat, een nogal ongemakkelijk debat, met een vrouwelijke representante van het secularisme, en in de auto naar huis zag ik haar gezicht steeds voor me. Ik kende dat gezicht, maar waarvan ook al weer? Een wit gezicht, strak, ijzig. Weken later wist ik het ineens. Jadis, de koningin van Narnia, de White Witch, witte tovenares, uit de verhalen van C. S. Lewis! Het land achter de kleerkast waarover zij regeert, heeft zij zo betoverd dat het er altijd winter blijft, doods, koud, onvruchtbaar. Het wordt er nooit meer kerstfeest. Haar macht wordt verbroken wanneer het een jongen lukt om met zijn zwaard de toverstaf van de tovenares kapot te slaan, en door de levenwekkende adem van de uit de dood herrezen leeuw Aslan. Het doodse wit maakt plaats voor een regenboog aan kleuren. Doodse stilte wordt vervuld van lachen en zingen.

    Om het doodse wit van het secularisme te verdrijven, en te voorkomen dat alle lachen en zingen in een koude, doodse stilte verandert, moet het toverstokje van de seculieren opnieuw met het zwaard worden verbroken. En dat zwaard kan niet anders dan het zwaard van de Geest zijn, Die zoals bekend niet werkt door kracht of geweld.”

     

    In de ogen van Spruyt is de White Witch, die bij Lewis symbool staat voor de Satan, D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld. Zij is een pleitbezorger van het secularisme. Ook in Nederland wint het secularisme volgens Spruyt terrein. Immers, een seculiere meerderheid in de Tweede Kamer wilde het onverdoofd ritueel slachten van dieren door joden en islamieten verbieden. Als de seculieren hun zin krijgen, zo voorspelt Spruyt, verandert Nederland in een doods winterlandschap, waar er voor zichtbaar geloof geen plaats meer is.

    Spruyt is in het Nederlandse politieke landschap niet de enige die het secularisme als bedreiging ziet. Volgens Henk van Rhee van de christelijke hulporganisatie Stichting tot Heil des Volks ligt het orthodoxe christendom permanent onder vuur. Om die reden lanceerde hij het idee van een proefprocessenfonds om de christelijke vrijheid te beschermen. Dit natuurlijk naar analogie van het in 2002 gestarte proefproces van het feministische Clara Wichmann Fonds tegen de SGP, vanwege het vrouwenstandpunt van die partij. Van Rhee stelt dat we geloofsonvrijheid te lang met het communisme en de islam hebben geassocieerd. Volgens hem zorgt ook het secularisme voor verdrukking en dit kan leiden tot vervolging van christenen. Kritische geluiden over het secularisme wijzen vooral in die richting.

    Verandert Nederland dankzij de seculieren in Narnia, in een winterland?

     

    ‘Seculiere meerderheidscultuur’

    De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy stelt dat Nederland een ‘seculiere meerderheidscultuur’ kent, waarin minderheden worden gemarginaliseerd. Zijn begrip ‘seculiere meerderheidscultuur’ duikt tegenwoordig vaak op in analyses over de huidige Nederlandse samenleving. Het is een nadere inkleuring van het begrip ‘meerderheidscultuur’, dat Paul Scheffer bezigde in zijn beroemde boek Het land van aankomst. Scheffer ziet ‘meerderheidscultuur’ als iets positiefs. Migranten moeten zich, als zij goed in de samenleving willen functioneren, voegen naar deze dominante cultuur. Kennedy daarentegen ziet het als iets negatiefs. De ‘seculiere meerderheidscultuur’ is volgens hem dwingend en intolerant.

    In een interview, dat in juni 2005 in het dagblad Trouw verscheen, vertelt Kennedy dat het begrip tolerantie in de jaren zestig een grote transformatie heeft ondergaan. In de tijd van de verzuiling betekende tolerantie dat je een zeker begrip kon opbrengen voor de opvattingen van de ander, ook al was je het er hartgrondig mee oneens, en dat je anderen daarom niet opzettelijk moest kwetsen. Tolerantie was noodzakelijk, want anders konden de verschillende groepen mensen niet met elkaar samenleven. Vanaf de jaren zestig werd tolerantie echter iets wat anderen moesten hebben, en wat van anderen kon worden geëist. Als gevolg van snelle secularisatie, ontkerkelijking en ontzuiling ontstond er volgens Kennedy in Nederland een seculiere meerderheidscultuur, die afwijzend stond tegenover religieuze minderheden. Aanvankelijk waren orthodoxe christenen de kop van jut, in het nieuwe millennium werden dit de islamitische nieuwkomers waar ook Scheffer in zijn boek over schrijft. De seculiere meerderheid eist tolerantie van deze minderheden en plaatst ze steeds weer in de beklaagdenbank. De opmerking van Rita Verdonk, in het kabinet Balkenende II Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, dat moslims moeten leren kritiek te incasseren, is volgens Kennedy veelzeggend. Beledigen mag, en degenen die daar moeilijk over doen, worden als intolerant bestempeld. Kennedy hekelt de seculiere opstelling. Deze is slecht voor de minderheid en bij de seculiere meerderheid ontbreekt vaak het vermogen tot zelfreflectie.

    Hoofdredacteur Erica Meijers van het GroenLinks-magazine De Helling schreef in 2011 vlammend betoog over ‘de nieuwe onverdraagzaamheid bij links’. In haar geruchtmakende essay  bekritiseert ze de religiekritische koers van GroenLinks. Niet alleen Geert Wilders maakt een karikatuur van de islam, maar dat gebeurt volgens haar steeds vaker ook in linkse kringen. In het politieke discours van links wordt ‘seculier’ vereenzelvigd met ‘beschaving’, ‘verlichting’ en ‘vrijzinnigheid’, terwijl ‘orthodoxie’ in het algemeen, en orthodoxe vormen van de islam in het bijzonder, al snel in verband gebracht worden met ‘barbarij’, ‘achterlijkheid’ en ‘fundamentalisme’. Mensen denken volgens haar tegenwoordig veel te snel in frames, beelden, die de maatschappelijke werkelijkheid in een knellend keurslijf dwingen. Op dit moment winnen de karikaturen van religie aan kracht, wat de politiek legitimeert om er harder tegen op te treden.

    Orthodoxie is volgens Meijers niet hetzelfde als fundamentalisme. Orthodoxie is breed, staat in een eerbiedwaardige traditie met eeuwenoude papieren, terwijl fundamentalisme smal is en iets van een veel recentere datum. In navolging van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer stelt Meijers dat religie een januskop heeft: een lelijk en een mooi gezicht. Tegenwoordig wil men echter alleen het lelijke gezicht zien. Pas als de seculiere partijen zich losmaken van hun karikatuurbeelden, kunnen ze gelovigen weer recht in de ogen kijken en de ander nemen zoals hij echt is, en niet als een woeste barbaar.

    Die karikatuurbeelden waartegen Meijers ten strijde trekt kennen een langere geschiedenis. Al in de jaren tachtig werden  bijvoorbeeld de orthodoxe christenen in het politiek-maatschappelijke debat als fundamentalistisch uitgemaakt. Dit overkwam de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. In het inmiddels ontzuilde Nederland werden de nog verzuilde partijtjes niet alleen als reservaten van de verzuiling beschouwd, maar ook als broeinesten van religieuze onverdraagzaamheid. Het machtige en gematigde CDA was weliswaar niet geliefd bij de (progressieve) pers, maar werd niet als fundamentalistisch bestempeld.

    In 1981 kwamen progressief en seculier Nederland in het geweer, toen er even sprake van was dat CDA en VVD een minderheidskabinet wilden vormen dat zou leunen op de gedoogsteun van de kleine christelijke partijen. In de Volkskrant trok columnist Jan Joost Lindner fel van leer tegen deze ‘Staphorster variant’, die als wisselgeld voor haar gedoogsteun alle vrijzinnige vernieuwingen zou tegenhouden. Het Overijsselse boerendorp Staphorst, waar tot in de jaren zestig overspelige stelletjes in een mestkar werden rondgereden, stond bij Lindner symbool voor de barbaarsheid van het christendom. Ook het Humanistisch Verbond wilde onder geen beding dat SGP, GPV en RPF invloed op het kabinetsbeleid zouden uitoefenen, en waarschuwde in een open brief CDA en VVD voor deze ‘theocratische partijtjes ter rechterzijde’.

    Medio jaren tachtig laaide dezelfde discussie weer op, toen PvdA-leider Joop den Uyl de drie kleine christelijke partijen ‘a-democratisch’ noemde. In een toespraak die hij hield op een feestelijke bijeenkomst over negentig jaar sociaaldemocratie, stelde Den Uyl dat de manier waarop er in SGP, GPV en RPF over democratie werd gedacht, ‘een latente bedreiging (…) van wezenlijke vrijheden’ vormde. GPV-leider Gert Schutte bestreed tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 1984 de aanval van Den Uyl, en verzekerde iedereen dat het GPV zich aan de democratische spelregels hield. In de loop van dit Kamerdebat werd duidelijker wat Den Uyl precies met ‘a-democratisch’ bedoelde, namelijk dat de kleine christelijke partijen met beroep op de Bijbel zich verzetten tegen het gelijkheidsidee, dat ten grondslag zou liggen aan de Nederlandse democratie, en anderen discrimineerden. De Bijbel was volgens Den Uyl bovendien een ‘niet-verifieerbare’ bron, en door zich op de Bijbel te beroepen onttrokken de kleine christelijke partijen zich aan de normale politieke discussie. Den Uyl eiste tolerantie van minderheden en verdedigde het standpunt van de Duitse filosoof Jürgen Habermas, namelijk dat in het publieke domein alleen zinvol kan worden gediscussieerd als men argumenten gebruikt die voor alle partijen acceptabel zijn. RPF-leider Meindert Leerling zei daarom heel erg de indruk te hebben dat Den Uyl van SGP, RPF en GPV politieke paria’s wilde maken, die net als Hans Janmaat van de Centrumpartij moesten worden gemeden en bestreden. Leerling hoopte dat er voor het christelijke geluid in het parlement nog wel ruimte zou blijven.

    Lindner, het Humanistisch Verbond en Den Uyl maakten een karikatuur van de kleine orthodox-christelijke partijen door ze te bestempelen als aartsconservatief en intolerant en te stellen dat ze in potentie een gevaar vormden voor de Nederlandse democratie. Dat SGP, GPV en RPF in het parlement samen slechts zes zetels hadden en nog geen deuk in een pakje boter konden slaan, wist men natuurlijk ook wel. Het spookbeeld Staphorst was echter nodig om de eigen identiteit extra te onderstrepen, het was een oefening in seculiere zelfbevestiging.

    Tegenwoordig is de term Staphorst een beetje in onbruik geraakt. Toen de SGP in 2011 gedoogsteun verleende aan het wankele kabinet-Rutte I sprak men niet over Staphorst maar over de Poldertaliban (zie ook hoofdstuk 7 ‘De emancipatie van de SGP’). Religieuze onverdraagzaamheid en barbaarsheid worden nu allereerst in verband gebracht met de islam, ook als de minderheid die zich intolerant opstelt christelijk is.

     

    Hashtag haatbaard

    Sinds 2001 heeft het islamdebat Nederland in zijn greep, het debat over de vraag of de islam een bedreiging vormt voor de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Dit debat gaat niet zozeer over moslims en de islam in het algemeen, maar vooral over fundamentalistische moslims en de vraag of de islam een politieke ideologie is.

    In Nederland wonen bijna één miljoen moslims. Zij zijn verdeeld in uiteenlopende etnische groepen, waarvan de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen de grootste zijn. Het etnische onderscheid is het belangrijkst, maar daarnaast spelen ook dogmatische verschillen een rol. De meeste moslims in Nederland behoren tot de soennitische islam, maar er zijn ook andere richtingen te herkennen. De eerste moskee in ons land is bijvoorbeeld gesticht door de ahmadiyya, een stroming die door de meeste andere moslims als ketters wordt beschouwd. Daarnaast is zo’n twintig procent van de Turkse moslims aleviet, een vrijzinnige stroming binnen de sjiitische islam. Binnen de fundamentalistische islam, die sjiitisch of soennitisch kan zijn, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen fundamentalisten die gebruikmaken van geweld en zij die dat niet doen. Haitham al-Haddad is een fundamentalistische soennitische moslim die een theocratische islamitische staat nastreeft, maar hij maakt geen gebruik van geweld. Ook roept hij moslims niet op om terroristische aanslagen of andere gewelddaden te plegen. Al-Haddad kun je daarom ook niet gelijkstellen met de terroristische organisatie Al-Qaida.

    In het islamdebat is het trouwens niet alleen Geert Wilders die beelden oproept van boze mannen met baarden, ook progressief Nederland doet hier lustig aan mee. Als Pauw & Witteman een debat willen met een ‘echte’ moslim, vragen ze nooit een degelijke CDA- of PvdA-politicus. In plaats daarvan nodigen ze theatraal tegendraadse fundamentalisten uit als Mohammed Enait, de advocaat die niet wilde opstaan voor de rechter omdat hij het Nederlandse recht niet respecteerde. Of Izz ad- Din Ruhulessin, de Nijmeegse student Arabisch en politicologie die in de Volkskrant Iran verdedigde toen men daar een overspelige vrouw wilde stenigen.

    Ook het Amsterdamse debatcentrum De Balie heeft een fascinatie voor deze ‘oorspronkelijke’ moslims. Het debat dat op vrijdagavond 17 februari 2012 in Amsterdam werd gevoerd tussen de fundamentalistische geestelijke Haitam al-Haddad, journalist Kustaw Bessems en GroenLinks-Kamerlid en vrijzinnige moslim Tofik Dib en de commotie eromheen,  hadden wel iets weg van een circusact van honderd jaar geleden.

    Al-Haddad was uitgenodigd door een islamitische studentenvereniging om aan de Vrije Universiteit van Amsterdam te komen spreken. Omdat Al-Haddad bekend stond als een antisemiet die onderdrukking van vrouwen propageerde, hadden enkele partijen in het parlement grote bezwaren tegen zijn komst. In reactie op deze commotie besloot de VU-leiding dat het niet zou doorgaan, in ieder geval niet in het gebouw van de universiteit. Debatcentrum De Balie wierp zich vervolgens op als centrum van het vrije woord, en besloot de beste man wel een podium te geven. Vanwege de rel was de zaal snel uitverkocht. Een aantal websites besloot  het debat een livestream uit te zenden, en politici, journalisten en verder iedereen met een mening twitterden al enkele uren voor aanvang in ongezouten bewoordingen over Al-Haddad. GroenLinks-coryfee Femke Halsema noemde hem een ‘malloot’, wat die avond één van de vriendelijkste kwalificaties was. Heel vaak verscheen in tweets  de hashtag ‘haatbaard’ (#haatbaard). Niet alleen openlijke en heimelijke sympathisanten van Geert Wilders, maar ook grachtengordelbewoners als opiniemaakster Maja Mischke en PvdA-politicus Kaj Leers bezigden deze term.

    Ondanks alle mooie woorden over het vrije woord was het Baliedebat eigenlijk geen ‘echt’ debat. In zo’n ideaal debat probeert men de ander te overtuigen, en doet men ook zijn best de ander te begrijpen. Al-Haddad leek echter vooral te zijn gekomen om zijn eigen mening te verkondigen. Soms deed hij ronduit curieuze uitspraken, bijvoorbeeld dat westerse moslimvrouwen die overspel hadden gepleegd, graag naar een islamitisch land zouden willen afreizen om daar gestenigd te worden. Door zijn extreme uitspraken maakte hij het zijn opponenten makkelijk om zichzelf te bevestigen in hun seculiere superioriteitsgevoelens. Al-Haddad werd hierdoor het levende symbool van achterlijkheid, onverdraagzaamheid en haat: der ewige Muslim. Men zocht naar de meest extreme formuleringen om afstand te nemen van de imam: hij moest als een bebaarde barbaar worden gedehumaniseerd.

    Dat het debat in De Balie uitverkocht was heeft vermoedelijk ook te maken met een zekere behoefte aan sensatie. Honderd jaar geleden bezochten mensen het circus vanwege de dwergen en de vrouw met de baard. De ‘verlichte’ Nederlanders waren in 2012 niet veel anders, ze bezochten De Balie om naar een ‘echte’ moslim te kijken, een #haatbaard.

     

    Ruimte voor het individu

    Van christenen en moslims bestaan veel karikaturen en karikaturen doen aan de werkelijkheid geen recht.  Er valt dus best iets voor de analyses van Kennedy en Meijers ten aanzien van het seculiere denken en religie te zeggen. Toch is er ook wel wat op af te dingen, want Kennedy en Meijers zijn beide eenzijdig, ze vertellen slechts een deel van het verhaal. Ze hebben alleen het mooie gezicht van religie willen zien, en hebben het lelijke gezicht van deze januskop afgepoetst. Daarnaast maken zij van het seculiere denken ook een karikatuur, een die wel erg zwart is ingekleurd, met als gevolg een te weinig verlicht plaatje. Zo vindt August Hans den Boef, auteur van boeken als God als hype en Nederland seculier!, dat Meijers orthodoxie veel te positief taxeert. Orthodoxie is niet breed, maar een verstening van de traditie. Kwalijker vindt hij echter de groepsdwang onder orthodoxe gelovigen. Orthodoxie is immers geen vrije keus, je wordt er vanaf je kindertijd al mee geïndoctrineerd. Ten slotte willen orthodoxe gelovigen hun ‘reservaten’ uitbreiden. Als hun wereld botst met de seculiere wereld, moet de laatste volgens de orthodoxen natuurlijk wijken. Zo moet er een uitzonderingspositie zijn voor trouwambtenaren van de burgerlijke stand die weigeren homo’s te huwen – de weigerambtenaren –  en voor artsen die weigeren euthanasie uit te voeren  – de weigerartsen. Maar eigenlijk willen orthodoxe gelovigen het homohuwelijk en de euthanasiewetgeving gewoon terugdraaien. Orthodoxen zijn niet uit op een modus vivendi maar willen de rechten van andersdenkenden beperken. Ze dienen volgens Den Boef daarom te worden bestreden. Of deze twee voorbeelden wel gelukkig zijn gekozen door Den Boef, daar kunnen vraagtekens bij worden gezet. Juist op het gebied van het homohuwelijk en de euthanasie is de traditionele christelijke moraal namelijk behoorlijk teruggedrongen in Nederland. Het homohuwelijk en de euthanasie zijn immers gelegaliseerd.

    Boris van der Ham, oud-parlementariër van D66 en huidig voorzitter van het Humanistisch Verbond, is qua toonzetting een stuk milder dan Den Boef. Hij richt zijn pijlen op het idee van de seculiere meerderheidscultuur, die volgens hem niet bestaat. Natuurlijk, de verzuiling is grotendeels voorbij, maar dat betekent volgens  hem niet dat het nu allemaal koekoek één zang is. Mensen zijn in de eerste plaats individuen, alle individuen zijn verschillend en denken verschillend. De overheid moet minderheden beschermen, maar niet als groepen. Zo’n benadering negeert namelijk de diversiteit bínnen orthodoxe groepen. Een groeiende minderheid binnen deze groepen heeft bijvoorbeeld geen moeite met het aangaan van homoseksuele relaties, maar voor dit geluid is vooralsnog geen ruimte.  Van der Ham wil de diversiteit binnen orthodoxe gemeenschappen óók recht doen. Het recht om af te wijken, is volgens hem daarom allereerst een individueel recht. Het perspectief ‘seculiere meerderheid’ versus ‘religieuze minderheden’ houdt met het individu onvoldoende rekening.

    Orthodoxie betekent ‘zuiver in de leer’. Orthodoxe groepen wijzen daarom visies die niet met hun eigen overeenkomen principieel af.  Zij dulden geen diversiteit in hun eigen groep. Van het GPV konden in de praktijk alleen mensen lid worden, die behoorden tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ‘enige ware kerk’ (zie hoofdstuk 8 ‘De twee gezichten van de ChristenUnie’). De ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, denkt tegenwoordig wat ruimer. Niettemin sluit de partij de facto homoseksuelen uit voor bestuurlijke en vertegenwoordigende functies (hoewel er vast wel enkele uitzonderingen zijn die deze regel bevestigen).

    Den Uyl had in 1984 niet helemaal ongelijk. In tegenstelling tot de SGP waren GPV en RPF geen theocratische partijen, maar voluit democratisch waren ze ook niet. Volgens RPF-leider Meindert Leerling had de PvdA-voorman het eigenlijk best wel goed gezien. De democratie kende grenzen, voor de kleine christelijke partijen bestond er een hogere norm dan ‘de helft plus één’. Leerling wees op de boeken van oud-Kamerlid A.J. Verbrugh, de voorganger van GPV-leider Schutte, die in zijn trilogie Universeel en Antirevolutionair de democratie als staatsvorm afwees.

    Als Den Uyl in het al eerder genoemde debat met Schutte naar de boeken van Verbrugh had verwezen, had hij dit wellicht gewonnen. Het ideaal van de kleine christelijke partijen was niet een pluralistische samenleving waarin alle minderheden tot hun recht kwamen, maar een protestants land dat orthodoxe protestanten bevoordeelde.

    Na 2000 is de ChristenUnie van het ideaal van Nederland als protestantse natie afgestapt. Niettemin blijft men aanhikken tegen de democratische regel, dat de meerderheid beslist. In 2008, toen de ChristenUnie in de regering zat, wilde de partij tijdens de discussie over embryoselectie haar minderheidsvisie (een totaalverbod op embryoselectie) het liefst aan de rest van Nederland opleggen. Voorstanders van embryoselectie dwingen tegenstanders immers niet om ook aan selectie te doen, terwijl de ChristenUnie voorstanders wel selectie wil verbieden. De onbuigzame opstelling van de ChristenUnie ontketende een storm van protest, en columnisten Elsbeth Etty en Maarten ’t Hart lieten zich in het NRC-Handelsblad negatief uit over het christelijk geloof. In reactie hierop kropen ChristenUnie-politici meteen in een slachtofferrol. Kamerlid Arie Slob meende dat christenen (lees: ChristenUnie en SGP) in het publieke debat werden gediscrimineerd, en senator Roel Kuiper klaagde meteen steen en been over de ‘knock-out-democratie’, die minderheden uit de politieke arena wilde slaan. Dat de discussie was opgelaaid omdat de ChristenUnie de vrijheid van andersdenkenden wilde beperken, waren beide heren allang weer vergeten.

    Enkele jaren later, in oktober 2011, organiseerde het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie een afscheidscongres voor André Rouvoet. De begin dat jaar afgetreden partijleider zei in zijn redevoering dat hij de formele regel dat de democratische meerderheid beslist respecteerde, maar tegelijkertijd benadrukte hij dat een échte democratie zo veel mogelijk rekening houdt met minderheden. Rouvoet beriep zich op Kennedy’s analyse dat de seculiere meerderheid minderheden marginaliseert en gebruikte dat als een frame, om het over de andere kant van de zaak vooral maar niet te hebben. Hij schetste religieuze minderheden als slachtoffer van de seculiere meerderheid, maar over de diversiteit in orthodoxe gemeenschappen zweeg hij uiteraard.

    Hoe zit het dan met orthodoxe moslims? Ten aanzien van Al-Haddad hadden de seculiere critici terechte kritiek op zijn standpunten. Natuurlijk, de mening van Al-Haddad is extreem radicaal en vermoedelijk zullen slechts weinig moslims in Nederland het met hem eens zijn. Maar Al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië, waar geen vrijheid van godsdienst is.  Al-Haddad is bovendien gepokt en gemazeld in het Saoedische denken. Hij eist in Europa het recht op om als moslim naar islamitische wetten te mogen leven, maar uiteraard gunt hij andersdenkenden deze rechten niet. Een fatsoenlijk debat viel er met hem niet te voeren: op kritische vragen gaf de imam geen antwoord, of hij verwees naar een ‘niet-verifieerbare’ bron, de Koran. Fundamentalisten maken geen interpretatieslag naar het heden en geloven dat de antwoorden van toen antwoord geven op alle vragen. Ruimte voor twijfel, ruimte voor diversiteit, ruimte voor het individu: die ruimte bestaat gewoon niet.

    Dat de Profeet Mohammed een dichter en dromer was die prachtige verhalen kon vertellen en een zwak voor mooie vrouwen had, dat gaat er bij de fundamentalisten onder zijn volgelingen niet in. Zij willen en kunnen alleen nog maar het strenge gezicht van de Profeet zien, dat overigens niet afgebeeld mag worden. Het is aan de ene kant beschamend als men Al-Haddad voor malloot of haatbaard uitmaakt –  en hem op deze manier dehumaniseert – maar waar Al-Haddad en zijn geestverwanten mee bezig zijn, is een dehumanisering van de islam. Hun doel is dit geloof van alle menselijke trekjes te zuiveren, te beginnen met de Profeet zelf. Tofik Dibi riep tijdens het Baliedebat niet voor niets uit: “Uw islam is niet mijn islam”.

    Gelovigen, ook fundamentalistische gelovigen, zijn allemaal anders. Aan de andere kant, conservatieve geloofsstromingen hebben veel intolerante trekjes en verhouden zich vaak slecht tot democratie en individuele vrijheid, waaronder ook de individuele godsdienstvrijheid. Kennedy en vooral Meijers zouden er goed aan doen deze kant wat meer te belichten.

     

    Uit de kast

    Nederland is nog niet veranderd in een Narnia-in-de-winterland: voor gelovigen is in onze samenleving nog steeds plaats, ze kunnen naar de kerk of de moskee, en krijgen ook geen seculiere staatsopvoeding. Ook mogen gelovigen, dankzij de vrijheid van meningsuiting, zeggen wat ze denken. Nederland is geen seculiere dictatuur.

    Aan de andere kant: maakt godsdienstvrijheid mensen vrij of leidt dit tot onderdrukking? Zijn christelijke homo’s die zeggen dat ze bewust voor een celibatair leven kiezen wel echt vrij, of doen ze dit uit angst voor uitstoting uit de gemeenschap waarin ze zijn opgegroeid, en de verwachting van een eeuwige straf na dit leven? Op deze vraag kun je eigenlijk geen bevredigend antwoord geven. De politiek moet daarom een zekere terughoudendheid in acht nemen. We moeten geen staatsopvoeding willen, ook al is deze seculier. Echter, een overheid die organisaties subsidieert die vrouwen en/of homo’s discrimineren, is ook niet neutraal, en maakt deze discriminatie zelfs mede mogelijk. De overheid dient op te komen voor minderheden en ook met minderheidsopvattingen die binnen een minderheid kunnen leven, maar moet voorzichtig zijn in haar optreden. Per geval moet goed bekeken worden wat de juiste keuze is. Soms weegt de vrijheid van de religieuze groep het zwaarst, soms de vrijheid van het individu.

    Belangrijker dan wat de overheid al dan niet moet doen, is de manier waarop het maatschappelijk debat wordt gevoerd. Op dit moment wordt er te veel naar elkaar gewezen:   seculieren beschouwen religieuzen te snel als barbaren, terwijl religieuzen zichzelf te snel in de slachtofferrol plaatsen –  vaak ook om maar niet te hoeven na te denken over de vraag of er misschien toch iets waar is van de kritiek van de ander. Dit komt door het drijven op twee gescheiden eilandjes en angst voor beïnvloeding van het eigen gekoesterde gedachtegoed. Voor een vruchtbaar debat is in de eerste plaats seculiere zelfbeheersing nodig. Christenen en moslims moeten niet meer als achterlijke barbaren worden gekarikaturiseerd, maar als mensen met een andere mening worden benaderd. Kritiek op die mening moet echter wel mogelijk blijven. Ook met religiekritiek is niets mis, zolang de aanhangers van religies maar als mensen worden blijven benaderd. Daarnaast zou het goed voor de discussie zijn, om niet alleen radicalen en extremisten aan het woord te laten, maar ook ‘normale’ religieuzen. Vooral voor de islamdiscussie zou dit heel heilzaam zijn en deze discussie bevrijden uit de verstikkende wurggreep van de polarisatie.

    In Narnia, het betoverde land achter de kleerkast, zijn de regels makkelijk. Of je volgt de White Witch, of je volgt Aslan. Een tussenweg is er niet. We moeten weg uit deze wereld. Gelovigen en seculieren moeten uit de kast komen, wakker worden uit hun utopische droom, en leren om in de echte wereld toch een beetje met elkaar samen te leven.

    Tags: Aslan, Bart Jan Spruyt, Erica Meijers, James Kennedy, Joop den Uyl
    Read More
  • Uit de Oude Doos: Rechtsom met de tijdgeest mee

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/8/9/1/4/1001004002814198.jpg

    Deze boekbespreking stond in Het Katern, de boekenbijlage van het Nederlands Dagblad, op vrijdag 17 november 2006.

    door: Ewout Klei

    Op 3 februari 2001 schreef Joshua Livestro in NRC Handelsblad dat het conservatieve moment was aangebroken. Op zaterdag 26 augustus 2006 schreven Livestro en Bart-Jan Spruyt in dezelfde krant dat dit moment voorbij was.

    De poging om een brede rechts-conservatieve stroming in de Nederlandse politiek te vormen, was volgens deze conservatieven naïef geweest. Door persoonlijke vetes en egomanie was de rechterkant van het politieke spectrum versplinterd. Spruyt verliet de Partij voor de Vrijheid en trok zich terug in de politieke woestijn, nadat hij tevergeefs had geprobeerd Wilders met de zelfbenoemde ‘zonen van Pim’ (Marco Pastors en Joost Eerdmans) te verenigen. Ook de VVD leek afstand te hebben genomen van een rechtsere koers: Ayaan Hirsi Ali (Magan) moest Nederland overhaast verlaten en ‘iron lady’ Rita Verdonk verloor de lijsttrekkersverkiezingen van het guitige knaapje Mark Rutte.

    De (mislukte) pogingen die de afgelopen vijf jaar zijn ondernomen om te komen tot de vorming van een krachtige rechts-conservatieve stroming en partij, en de kansen die er nu misschien zijn om dit alsnog te proberen, staan centraal in de bundel Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage Landen, onder redactie van Huib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben. Het boek snijdt een hoogst actueel thema aan, dat op gedegen wetenschappelijke wijze wordt behandeld. Jammer is wel dat er vooral aandacht is voor de ideologische kant van de zaak. De culturele kant van de Fortuynrevolte en de gevolgen hiervan voor de Nederlandse politiek, zoals de veranderende kijk op leiderschap en de grotere rol van de media, krijgen te weinig aandacht, terwijl juist de herwaardering van het theater de politiek weer interessant heeft gemaakt.
    Vervreemden
    De bundel begint met een artikel van Pellikaan. Hij vindt dat het aloude links-rechtsschema ontoereikend is om de ruimte op rechts, die ontstond doordat de VVD onder Hans Dijkstal een meer sociaalliberale koers uitstippelde, te verklaren. Als het ging om immigratie en de islam stond Fortuyn toentertijd duidelijk rechts van de VVD, maar in zijn roep om politieke vernieuwing en kritiek op de verwaarlozing van de collectieve sector stond hij juist aan de linkerkant.

    De VVD probeerde na mei 2002 het gapende gat op rechts te dekken, maar kon niet zomaar de rechts-conservatieve richting van Geert Wilders inslaan. Dit zou immers de traditionele achterban van de partij vervreemden. Volgens Sander Dekker en Luuk van Middelaar heeft de VVD – in navolging van Pim Fortuyn en diens ,,illustere voorganger en voorbeeld” Joan Derk van der Capellen – een tijdlang voor een republikeinse weg gekozen, met de nadruk op een actief burgerschap, het zogenaamde citoyen-liberalisme. Waar bourgeois-liberalen als Hans Wiegel en Mark Rutte zich op het spel van de markt richtten, stelden de republikeinse citoyen-liberalen Ayaan Hirsi Ali en Rita Verdonk de participatie van burgers centraal en de staat als oorsprong en waarborg van onze constitutionele vrijheden. Religie, of het nu het calvinisme van Kuyper is of de islam, zou deze vrijheden in de weg staan. Vandaar dat Hirsi Ali en Verdonk het bijzonder onderwijs zo fel bestrijden, waar Wiegel er geen moeite mee heeft.
    Beschermen
    Dat actief burgerschap niet perse een sterke staat impliceert, is de overtuiging van Spruyt, die een herziening van het kiesstelsel bepleit om Nederland verder te democratiseren. Spruyt keert zich in zijn artikel over de Amerikaanse filosoof Leo Strauss tegen moreel relativisme, dat leidt tot nihilisme en geweld. Spruyt staat een conservatisme van prudentie (inzicht, verstandig oordeel) voor, dat – in tegenstelling tot het door contrarevolutionaire of fascistisch beïnvloede conservatisme van de paniek – niet leugen en bedrog, irrationeel sektarisme, zelfaanbidding en omverwerping van de rechtsstaat tot gevolg heeft.

    Spruyt wil de rechtsstaat beschermen. De westerse beschaving en de liberale democratie moeten worden verdedigd tegen bedreigingen van binnenuit zoals multiculturele zelfhaat enerzijds, en bedreigingen van buiten zoals de radicale islam anderzijds. ,,De politiek kan en mag geen uitspraken doen over de waarheid van religies, maar kan wel erkennen dat bepaalde religies een fundamentele bijdrage aan het bestaan van de westerse beschaving hebben geleverd, en dat andere – met name de islam – zich problematisch tot het Westen verhouden. Grote waakzaamheid op dat punt is dus geboden, omdat moet worden voorkomen dat grondwettelijke rechten en vrijheden worden misbruikt om deze op den duur af te schaffen.”

    Dit is dus geen aanval op de vrijheid van godsdienst, maar de verdediging van het algemeen belang. Waar Wilders zich ontpopt tot paniekconservatief die de islam als religie wil aanpakken en op deze manier de vrijheid om zeep helpt die hij meent te verdedigen, lijkt Spruyt voorzichtiger te zijn geworden en predikt hij de prudentie.
    Bezieling
    Interessant zijn de artikelen van Hans Vollaard over de avances van de in 2000 door Spruyt, Livestro en rechtsfilosoof Andreas Kinneging opgerichte Edmund Burke Stichting (EBS) naar de SGP, de ChristenUnie en het CDA. De in de marge gedrongen christelijke partijen waren volgens de EBS de natuurlijke bondgenoten tegen Paars. Volgens Kinneging waren niet alle conservatieven christen, maar een christen was van nature conservatief.

    De SGP en de ChristenUnie hadden echter hun bedenkingen. Ze wilden geen conservatieve maar een christelijke bezieling van de samenleving. Bij de conservatieven stond de Bijbel niet centraal. Het CDA daarentegen vond de EBS te principieel. De christendemocraten waren in de praktijk vaak conservatief, maar men wilde zich ideologisch niet al te zeer vastleggen omdat dit de kiezers uit het midden wellicht zou afschrikken en de partij er vooral op uit was om te (blijven) regeren. De C van het CDA stond allereerst voor catch-all.

    Ondanks het feit dat Hans Hillen, Dries van Agt en Eimert van Middelkoop sympathieën voor het conservatisme hadden, lukte het de EBS niet, via de confessionele partijen, een rechtse doorbraak te bewerkstelligen. Spruyts toenadering tot de seculiere, fel anti-islamitische Wilders zorgde voor de definitieve breuk.
    Periodes
    Is er nog hoop voor Spruyt en de zijnen? Jos de Beus gelooft dat het conservatisme de komende jaren de toekomst heeft. Volgens hem wordt de politieke geschiedenis van Nederland in de ene periode door conservatisme en in de andere periode door progressiviteit gedomineerd. Van 1813 tot 1853 was Nederland conservatief, van 1853 tot 1920 progressief, van 1920 tot 1949 opnieuw conservatief, en van 1949 tot 2002 wederom progressief. Als de conservatieve en progressieve periodes zich op deze manier blijven afwisselen, dan hebben we veertig à vijftig jaar conservatisme voor de boeg.

    Het conservatisme in Nederland is niet heel erg uitgesproken, omdat de elite het vermogen heeft zich aan te passen aan de veranderende tijdgeest en signalen uit de samenleving weet op te pikken. Werd het politieke discours van links en rechts na de oorlog beheerst door wat historicus James Kennedy noemt de ‘retoriek van vernieuwing’, nu wordt de politiek door een conservatiever discours beheerst. Volgens De Beus is er daarom niet echt ruimte voor een (neo)conservatieve partij in de geest van Bart-Jan, omdat de bestaande partijen vanwege hun relatieve openheid het nieuwe rechtse gedachtegoed incorporeren in hun eigen programma’s. Niet alleen rechtse maar ook de linkse partijen zijn ‘rechtser’ geworden. Zo heeft de PvdA afstand genomen van het knuffelmulticulturalisme en werd Femke Halsema door haar voorstel om de krachteloze verzorgingsstaat aan te pakken door de VVD-jongeren uitgeroepen tot ‘liberaal van het jaar’.

    Ten slotte was de rechtse intellectueel voor Fortuyn een contradictio in terminis. Vandaag zijn ze niet weg te slaan uit het publieke debat. De grachtengordelgoeroes hebben hun hegemonie verloren. Het conservatieve EBS-moment mag dan misschien nu voorbij zijn, rechts heeft de komende tijd de ruimte.

    Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage LandenHuib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben (red.). Uitg. Het Spectrum, Utrecht 2006. 347 blz. € 19,90

    Tags: Bart Jan Spruyt, CDA, Conservatisme, Edmund Burke Stichting, Jos de Beus
    Read More
  • Impressie boekpresentatie Van God los

    0

    Een foto-impressie van de boekpresentatie van Van God los. Het einde van de christelijke politiek op 24/09/2014 bij boekhandel Schreurs en Groot in Amsterdam.

    Het boek is geschreven door Remco van Mulligen en Ewout Klei. Als referenten traden op oud-politicus Boris van der Ham van D66 en de conservatieve publicist Bart Jan Spruyt.

    De foto’s zijn gemaakt door Kirsten Feenstra en Kinge Siljee.

     

     

     

    Tags: Bart Jan Spruyt, Boris van der Ham, Ewout Klei, Remco van Mulligen, Van God los
    Read More
  • Presentatie ´Van God los´ in Amsterdam

    0

    Wanneer: woensdag 24 september 2014 om 18:00

    Wie: Ewout Klei & Remco van Mulligen

    Wat: Eeuwenlang was in Nederland het christelijk geloof alomtegenwoordig.  Tot de verkiezingen van 1967 beschikten de christelijke partijen over een parlementaire meerderheid. Tegenwoordig hebben ze in de Tweede Kamer nog slechts 21 zetels. In Van God los. Het einde van de christelijke politiek? nemen twee jonge historici, Ewout Klei en Remco van Mulligen, het veranderende politieke landschap onder de loep. Heeft Nederland een seculiere meerderheidscultuur? Hoe proberen CDA, ChristenUnie en SGP in deze tijd te overleven? Waarom zijn de debatten over weigerambtenaren en abortus zo gepolariseerd? Hoe reageren christenen op de PVV? Maakt D66 zich schuldig aan christenpesten? En bovenal: wat kan de rol zijn van christelijke beginselen in de politiek? Met hun verhelderende essays bieden de auteurs een frisse en genuanceerde kijk op het Nederlandse religiedebat. Waar gaat het naartoe en waar moet het naartoe?

    De boekpresentatie wordt geleid door Pieter de Bruijn Kops, acquirerend redacteur bij Nieuw Amsterdam. Nadat de auteurs hun boek hebben gepresenteerd zullen twee referenten, publicist Boris van der Ham en columnist Bart-Jan Spruyt, er hun visie op geven. Deze bijdragen zullen het thema christelijke politiek belichten. Hierna volgt een paneldiscussie, waar ook de overige aanwezigen een bijdrage aan kunnen leveren.

    Ewout Klei is politiek historicus. Hij promoveerde in 2011 op Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond. Hij werkt als freelancer voor The Post Online, schrijft mee aan schoolboeken en is scriptiebegeleider bij Studiemeesters in Amsterdam.

    Remco van Mulligen is historicus. Hij rondde in 2014 het proefschrift Radicale protestanten af, over de ontwikkeling van het Nederlandse orthodox-protestantisme in de laatste vijftig jaar. Hij werkt als freelancer o.a. voor Elsevier, Tertio en Nederlands Dagblad.

    Ewout Klei en Remco van Mulligen Van God los. Het einde van de christelijke politiek? Uitgeverij Nieuw Amsterdam, €21,95

    Toegang gratis

    Uitgave: Van God los

    Waar: Boekhandel Schreurs & de Groot, Weteringschans 173, 1017 XD Amsterdam NL
    T. 020 320 8412
    E. info@schreursendegroot.nl

    Tags: Bart Jan Spruyt, Boris van der Ham, CDA, ChristenUnie, D66
    Read More
  • Is het democratisch tekort onvermijdelijk?

    1

    Door: Ewout Klei

    Hoe democratisch is Nederland? Hebben we als kiezers überhaupt wel iets te vertellen?  In Nederland heeft de kiezer geen invloed op de kabinetsformatie en het is ook niet mogelijk om de minister-president te kiezen. Omdat geen enkele politieke partij in haar eentje de parlementaire meerderheid behalen kan, moeten er coalities worden gesmeed en in de achterkamertjes (soms pijnlijke) compromissen worden gesloten.

    Veel kiezers voelen zich door de politiek bedrogen omdat partijen tijdens de formatie vaak hun verkiezingsbeloften verloochenen. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen stemden veel mensen PvdA in de hoop hiermee een links kabinet mogelijk te maken, maar ze kregen een VVD-PvdA-kabinet dat strenge bezuinigingen doorvoert.  Kan de kloof tussen burger en politiek worden verkleind? Of is het democratisch tekort onvermijdelijk?

     

    Kroonjuwelen als blindgangers

    Onze politieke geschiedenisles vangt aan in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de Nederlandse politiek werd gedomineerd door de Katholieke Volkspartij. Deze partij was in elke coalitieregering vertegenwoordigd. Soms besloot de KVP linksom te gaan en ging men in zee met de PvdA, soms ging de KVP rechtsom en werkte de partij samen met de VVD. De val van een kabinet betekende niet dat er meteen verkiezingen gehouden moesten worden. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1963 werd het centrumrechtse kabinet-Marijnen gevormd, dat in 1965 werd opgevolgd door het centrumlinkse kabinet-Cals. Eind 1966 kwam dit kabinet ten val na de beruchte Nacht van Schmelzer, en werd opgevolgd door het centrumrechtse kabinet-Zijlstra. Pas in 1967 waren er weer Tweede Kamerverkiezingen.

    Enkele dissidente politici en intellectuelen die van mening waren dat deze krakkemikkige coalitiepolitiek niet meer kon, richtten in 1966 de partij Democraten ’66 op. D’66 (tot 1985 geschreven met een komma) wilde dat de kiezer het weer voor het zeggen zou krijgen. Om directere democratie te kunnen verwezenlijken moest Nederland een gekozen minister-president krijgen en een districtenstelsel naar Amerikaans voorbeeld. Ook was D’66 een voorstander van burgemeestersverkiezingen en van referenda. Partijleider Hans van Mierlo lanceerde tijdens de verkiezingscampagne van 1967 de zogenoemde ‘ontploffingstheorie’. Zijn partij moest zich opheffen zodra de partij haar doel had bereikt: “D’66 verdwijnt wanneer we het huidige politieke stelsel mee hebben helpen opblazen.”

    Het ideaal bleek een illusie en de kroonjuwelen van D’66 belandden al gauw in de ijskast. Toen de gewenste radicale politieke hervormingen maar niet kwamen besloten de Democraten om dan ook maar onderdeel te worden van het politieke systeem, als redelijk alternatief voor PvdA en VVD. Van Mierlo zei in 1990 dat hij nog steeds geloofde in de ontploffingstheorie, maar dan vooral “op de lange termijn”. Net als de christenen en communisten geloofde de D66-godfather dus dat de heilstaat van morgen pas morgen werkelijkheid zou worden.

    In het eerste decennium van het nieuwe millennium boekten de Democraten eindelijk succes, met de invoering van het correctief referendum en het burgemeestersreferendum. Helaas bleken deze bestuurlijke vernieuwingen in de praktijk niet te werken.

    Het referendum over de Europese Grondwet was één groot fiasco. Het initiatiefvoorstel ging uit van de progressieve pro-Europese partijen D66, PvdA en GroenLinks maar de campagne werd vervolgens door de conservatieve eurosceptici Geert Wilders, André Rouvoet en Harry van Bommel gekaapt, die een beroep deden op de onderbuik- en angstgevoelens van de burgers die bang waren hun ‘joods-christelijke’ identiteit en/of sociaal-economische zekerheid te verliezen. De weinig geloofwaardige en peperdure ja-campagne van de regering kon hier weinig aan veranderen en bevestigde het beeld van een regentesk Den Haag, waardoor de schreeuwende minderheid won.

    Het burgemeestersreferendum was misschien wel een nog een grotere ramp. In 2007 werd er zo’n referendum gehouden in Utrecht, en in 2008 in Eindhoven. Bij beide burgemeestersreferenda kon de kiezer slechts kiezen tussen twee PvdA’ers, wat deze verkiezingen tot één grote schijnvertoning maakte. Aleid Wolfsen ontpopte zich vervolgens tot de minst democratische burgemeester ooit, de vleesgeworden regent (met zitvlees) die maar niet wilde opstappen.

    Omdat de kroonjuwelen van D66 het politieke systeem niet tot ontploffing brachten maar in de ijskast werden gelegd of in de praktijk mislukten, bleken ze in werkelijkheid blindgangers. Het democratiseringsstreven van D66 is tot nu toe een deconfiture gebleken. Maar misschien lukt het wel “op de lange termijn”.

     

    Konservative Revolution

    Niet alleen D66 heeft zich beziggehouden met de kloof tussen burger en politiek. De populisten vinden dit vraagstuk ook erg belangrijk en hebben de discussie over dit thema vanaf de jaren negentig gedomineerd.  Het referentiekader van D66 was de coalitiepolitiek van de jaren zestig, het referentiekader van de populisten is het polderen van de jaren negentig.

    Belangrijk voor de populistische theorievorming is het artikel ‘Eén-partijstaat Nederland’ van historicus J.W. Oerlemans, dat op 14 februari 1990 in het NRC-Handelsblad verscheen. Waar de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama na de val van het communisme het ideologieloze tijdperk enthousiast verwelkomde,  daar was Oerlemans erg pessimistisch. Politici waren volgens hem geen gedreven idealisten meer maar opportunistische baantjesjagers. De Nederlandse democratie was verworden tot een ‘carrière-oligarchie’. Omdat ideologische verschillen erg klein waren geworden en de politieke partijen eigenlijk allemaal hetzelfde wilden, hier en daar met verschillende accenten, was Nederland in feite een eenpartijstaat geworden.

    Oerlemans kreeg veel kritiek maar er waren ook mensen die zijn opvattingen onderschreven.  In 1992 verscheen Aan het Volk van Nederland van Pim Fortuyn. In dit pamflet werd de politiek van “ons soort mensen” gehekeld die aan vriendjespolitiek deden en een zo’n verstikkend netwerk over ons land hadden gelegd, dat de democratische legitimiteit van de volksvertegenwoordiging in gevaar kwam.  Fortuyn deed in navolging van de achttiende-eeuwse democratische politicus Joan Derk van der Capellen tot den Pol, zijn “illustere voorganger en voorbeeld”,  een oproep aan het volk van Nederland. Het volk  moest in opstand komen en zijn vertrouwen leggen in dissidente critici (lees: de wekker van de Nederlandse natie prof. dr. W.S.P. Fortuyn), om zo de kloof tussen burger en politiek te dichten. Nederland moest weer worden teruggeven aan de mensen.

    De populistische theorie werd verder uitgewerkt door internetdebater ACP (A.C. Postma), die sprak over de MPP, het monsterverbond tussen Majesteit en Politieke Partijen:  “Alle ‹politieke partijen› in Nederland zijn… LINX en lopen aan het lijntje van de monarchie… ook de groep Wilders. En wel omdat zij zich allen…. hoe dan ook aan de MPP (moeten) conformeren. De enige vorm van legitieme politieke OPPOSITIE kan uitsluitend BUITENKAMERS plaatsvinden.”

    De conservatieve polemist Bart Jan Spruyt bouwde op Oerlemans, Fortuyn en Postma voort. Volgens Spruyt wordt Nederland beheerst door een politiek kartel: “het nauw verweven wereldje van gevestigde politieke partijen, ambtenarij, en delen van de journalistiek en het old boys netwerk in het bedrijfsleven”.

    Dat links en rechts in wezen niet van elkaar verschillen wordt volgens Spruyt bewezen door de vijandige reactie van de gevestigde partijen op buitenstaander Fortuyn, die in 2002 het politieke stelsel op zijn grondvesten deed schudden.  De competitieve Fortuyn was er echter niet in geslaagd het regeerkasteel in te nemen. Spruyt wilde natuurlijk wel slagen.

    In een geheime notitie uit april 2005, waar De Groene Amsterdammer de hand op had weten te leggen,  zette Spruyt de blauwdrukken voor zijn Konservative Revolution uiteen. De conservatieve denktank De Edmund Burke Stichting moest de publieke opinie blijven beïnvloeden, met studieprogramma over het conservatieve een leger bouwen (“build an army”), en ten slotte moest er van de EBS een dreigende houding uitgaan. Spruyt hoopte op een paradigmawisseling, zodat Nederland in conservatieve zin zou kunnen worden hervormd.

    Hier bleef het trouwens niet bij. In het Conservatief Manifest (2003) pleitte Spruyt voor de invoering van een districtenstelsel, zodat kiezers kunnen kiezen wie er regeert en wie de premier wordt. De saaie consensus moet plaatsmaken voor competitie.

    Of een districtenstelsel voor meer democratie zorgt, valt nog maar te bezien. In de Verenigde Staten bestaan er maar twee politieke partijen die er echt toe doen, de Republieken en de Democraten. Als iemand president wil worden moet hij/zij lid zijn van één van deze partijen, want anders maakt deze persoon geen enkele kans. De Nederlandse democratie geeft minderheden een stem, vertolkt door bijvoorbeeld GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In de Amerikaanse democratie hebben zulke geluiden veel minder invloed.  Het winner-takes-it-all-principe is bovendien niet heel democratisch. In 2000 haalde presidentskandidaat Al Gore meer stemmen dan George W. Bush, maar vanwege het districtenstelsel won de laatste toch de presidentsverkiezingen. Omdat Bush een zeer conservatief beleid voerde en voor enorm veel polarisatie zorgde, voelde de helft van de Amerikanen zich niet door deze president vertegenwoordigd. Het Nederlandse systeem heeft ook zijn gebreken, maar is niet slechter dan het Amerikaanse.

    De parade der populisten eindigt bij Geert Wilders en Thierry Baudet. Geert Wilders, met wie Spruyt in 2004 en 2005 een tijd heeft samengewerkt, presenteert zich ook als een buitenstaander, die niet met de gevestigde partijen wil meedoen.  Niet voor niets schreef hij in 2005 een ‘onafhankelijkheidsverklaring’. Wilders keert zich tegen de ‘Haagse elite’ en werpt zich op als de beschermen van het volk van Nederland, gepersonifieerd in Henk en Ingrid. Zijn tegenover-houding zorgt er bij zijn kiezers voor, dat zij geloven dat Wilders wel doet wat hij zegt, geen compromissen sluit, wel luistert naar wat de kiezer wil. Maar Wilders’ tegenover-houding is maar schijn. Als gedoogpartner was hij wel tot verregaande compromissen bereid, onder andere over de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Het gaat Wilders vooral om de beeldvorming, dat hij een politicus lijkt die onafhankelijk is en opkomt voor de rechten van het volk. Wilders is een opportunistische machiavellist die net als de beruchte Paus Alexander VI vroom wil lijken zonder het te zijn. Hij is de vleesgeworden ‘verbeelding aan de macht’.

    Baudet, Neêrlands bekendste zelfbenoemde intellectueel, gaat ook voor de methode-Spruyt. Hij wil de publieke opinie beïnvloeden ten aanzien van Europa, stelt zich dreigend op en hoopt op een radicale paradigmawisseling, namelijk dat Nederland uit de Europese Unie stapt. Ten aanzien van het democratisch tekort heeft Baudet natuurlijk niet helemaal ongelijk. Het Europese Parlement heeft immers weinig macht en de Europese instellingen zijn niet erg transparant. Baudets revolutionaire oplossing, Nederland uit de Europese Unie, zal echter voor een heleboel nieuwe problemen zorgen. Net als een invoering van het districtenstelsel is een van de EU vrijgemaakt Nederland geen verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

     

    Helaas pindakaas

    Is het democratisch tekort onvermijdelijk? Ja, helaas pindakaas. De kloof tussen burger en politiek kan nooit helemaal overbrugd worden. Het ene kiesstelsel is niet beter dan het andere, elk heeft zijn eigen voor- en nadelen. Het is goed dat politici luisteren naar de kiezer, maar in ons coalitiesysteem is het onvermijdelijk dat er soms niet naar de wensen van de burger geluisterd wordt, vaak omdat dit gewoon niet mogelijk is.

    Ten slotte, om toch maar even een open deur in te trappen, onze toekomstige koningin Máxima heeft gelijk: de Nederlandse identiteit bestaat niet, het volk van Nederland bestaat niet. We zijn allemaal individuen met verschillende ideeën en belangen. Natuurlijk zou het mooi zijn als de wensen van de meerderheid van de bevolking vaak kunnen worden omgezet in wetgeving, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn. Bovendien moet er rekening gehouden worden met de wensen van minderheden. Dit is niet alleen de ander, maar dat zijn wij allemaal wel eens een keertje.

    Tags: Aan het Volk van Nederland, Bart Jan Spruyt, coalitie, D66, districtenstelsel
    Read More