Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Het betoverde land achter de kleerkast

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/7/4/5/7/666877547.jpg

    Dit essay staat ook in het boek Van God los. Het einde van de christelijke politiek? dat nog steeds in de winkels te koop is. In vijftien essays bespreken Remco van Mulligen en ik de toekomst van de christelijke politiek in Nederland.

     

    Door: Ewout Klei

     

    De Engelse schrijver C.S. Lewis publiceerde veel boeken over het christelijk geloof, maar hij is in de Angelsaksische wereld toch vooral bekend geworden met zijn kinderboekenserie over Narnia, het betoverde land achter de kleerkast. In Narnia draait alles om de leeuw Aslan, die symbool staat voor Jezus. Zoals Jezus de wereld redde door te sterven aan het kruis, zo redde Aslan Narnia door te sterven op de stenen tafel. En zoals Jezus na de opstanding des vleses de satan en zijn demonen versloeg, zo versloeg Aslan de White Witch en haar legers.

    Vanwege de zware christelijke symboliek, is de kinderfantasy van Lewis ook populair bij volwassenen. Sommige enthousiaste Lewis-fans, zoals de conservatieve publicist Bart Jan Spruyt, wanen zich ook nadat ze het boek hebben neergelegd soms heel even in Narnia:

     

    “Onlangs had ik een debat, een nogal ongemakkelijk debat, met een vrouwelijke representante van het secularisme, en in de auto naar huis zag ik haar gezicht steeds voor me. Ik kende dat gezicht, maar waarvan ook al weer? Een wit gezicht, strak, ijzig. Weken later wist ik het ineens. Jadis, de koningin van Narnia, de White Witch, witte tovenares, uit de verhalen van C. S. Lewis! Het land achter de kleerkast waarover zij regeert, heeft zij zo betoverd dat het er altijd winter blijft, doods, koud, onvruchtbaar. Het wordt er nooit meer kerstfeest. Haar macht wordt verbroken wanneer het een jongen lukt om met zijn zwaard de toverstaf van de tovenares kapot te slaan, en door de levenwekkende adem van de uit de dood herrezen leeuw Aslan. Het doodse wit maakt plaats voor een regenboog aan kleuren. Doodse stilte wordt vervuld van lachen en zingen.

    Om het doodse wit van het secularisme te verdrijven, en te voorkomen dat alle lachen en zingen in een koude, doodse stilte verandert, moet het toverstokje van de seculieren opnieuw met het zwaard worden verbroken. En dat zwaard kan niet anders dan het zwaard van de Geest zijn, Die zoals bekend niet werkt door kracht of geweld.”

     

    In de ogen van Spruyt is de White Witch, die bij Lewis symbool staat voor de Satan, D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld. Zij is een pleitbezorger van het secularisme. Ook in Nederland wint het secularisme volgens Spruyt terrein. Immers, een seculiere meerderheid in de Tweede Kamer wilde het onverdoofd ritueel slachten van dieren door joden en islamieten verbieden. Als de seculieren hun zin krijgen, zo voorspelt Spruyt, verandert Nederland in een doods winterlandschap, waar er voor zichtbaar geloof geen plaats meer is.

    Spruyt is in het Nederlandse politieke landschap niet de enige die het secularisme als bedreiging ziet. Volgens Henk van Rhee van de christelijke hulporganisatie Stichting tot Heil des Volks ligt het orthodoxe christendom permanent onder vuur. Om die reden lanceerde hij het idee van een proefprocessenfonds om de christelijke vrijheid te beschermen. Dit natuurlijk naar analogie van het in 2002 gestarte proefproces van het feministische Clara Wichmann Fonds tegen de SGP, vanwege het vrouwenstandpunt van die partij. Van Rhee stelt dat we geloofsonvrijheid te lang met het communisme en de islam hebben geassocieerd. Volgens hem zorgt ook het secularisme voor verdrukking en dit kan leiden tot vervolging van christenen. Kritische geluiden over het secularisme wijzen vooral in die richting.

    Verandert Nederland dankzij de seculieren in Narnia, in een winterland?

     

    ‘Seculiere meerderheidscultuur’

    De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy stelt dat Nederland een ‘seculiere meerderheidscultuur’ kent, waarin minderheden worden gemarginaliseerd. Zijn begrip ‘seculiere meerderheidscultuur’ duikt tegenwoordig vaak op in analyses over de huidige Nederlandse samenleving. Het is een nadere inkleuring van het begrip ‘meerderheidscultuur’, dat Paul Scheffer bezigde in zijn beroemde boek Het land van aankomst. Scheffer ziet ‘meerderheidscultuur’ als iets positiefs. Migranten moeten zich, als zij goed in de samenleving willen functioneren, voegen naar deze dominante cultuur. Kennedy daarentegen ziet het als iets negatiefs. De ‘seculiere meerderheidscultuur’ is volgens hem dwingend en intolerant.

    In een interview, dat in juni 2005 in het dagblad Trouw verscheen, vertelt Kennedy dat het begrip tolerantie in de jaren zestig een grote transformatie heeft ondergaan. In de tijd van de verzuiling betekende tolerantie dat je een zeker begrip kon opbrengen voor de opvattingen van de ander, ook al was je het er hartgrondig mee oneens, en dat je anderen daarom niet opzettelijk moest kwetsen. Tolerantie was noodzakelijk, want anders konden de verschillende groepen mensen niet met elkaar samenleven. Vanaf de jaren zestig werd tolerantie echter iets wat anderen moesten hebben, en wat van anderen kon worden geëist. Als gevolg van snelle secularisatie, ontkerkelijking en ontzuiling ontstond er volgens Kennedy in Nederland een seculiere meerderheidscultuur, die afwijzend stond tegenover religieuze minderheden. Aanvankelijk waren orthodoxe christenen de kop van jut, in het nieuwe millennium werden dit de islamitische nieuwkomers waar ook Scheffer in zijn boek over schrijft. De seculiere meerderheid eist tolerantie van deze minderheden en plaatst ze steeds weer in de beklaagdenbank. De opmerking van Rita Verdonk, in het kabinet Balkenende II Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, dat moslims moeten leren kritiek te incasseren, is volgens Kennedy veelzeggend. Beledigen mag, en degenen die daar moeilijk over doen, worden als intolerant bestempeld. Kennedy hekelt de seculiere opstelling. Deze is slecht voor de minderheid en bij de seculiere meerderheid ontbreekt vaak het vermogen tot zelfreflectie.

    Hoofdredacteur Erica Meijers van het GroenLinks-magazine De Helling schreef in 2011 vlammend betoog over ‘de nieuwe onverdraagzaamheid bij links’. In haar geruchtmakende essay  bekritiseert ze de religiekritische koers van GroenLinks. Niet alleen Geert Wilders maakt een karikatuur van de islam, maar dat gebeurt volgens haar steeds vaker ook in linkse kringen. In het politieke discours van links wordt ‘seculier’ vereenzelvigd met ‘beschaving’, ‘verlichting’ en ‘vrijzinnigheid’, terwijl ‘orthodoxie’ in het algemeen, en orthodoxe vormen van de islam in het bijzonder, al snel in verband gebracht worden met ‘barbarij’, ‘achterlijkheid’ en ‘fundamentalisme’. Mensen denken volgens haar tegenwoordig veel te snel in frames, beelden, die de maatschappelijke werkelijkheid in een knellend keurslijf dwingen. Op dit moment winnen de karikaturen van religie aan kracht, wat de politiek legitimeert om er harder tegen op te treden.

    Orthodoxie is volgens Meijers niet hetzelfde als fundamentalisme. Orthodoxie is breed, staat in een eerbiedwaardige traditie met eeuwenoude papieren, terwijl fundamentalisme smal is en iets van een veel recentere datum. In navolging van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer stelt Meijers dat religie een januskop heeft: een lelijk en een mooi gezicht. Tegenwoordig wil men echter alleen het lelijke gezicht zien. Pas als de seculiere partijen zich losmaken van hun karikatuurbeelden, kunnen ze gelovigen weer recht in de ogen kijken en de ander nemen zoals hij echt is, en niet als een woeste barbaar.

    Die karikatuurbeelden waartegen Meijers ten strijde trekt kennen een langere geschiedenis. Al in de jaren tachtig werden  bijvoorbeeld de orthodoxe christenen in het politiek-maatschappelijke debat als fundamentalistisch uitgemaakt. Dit overkwam de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. In het inmiddels ontzuilde Nederland werden de nog verzuilde partijtjes niet alleen als reservaten van de verzuiling beschouwd, maar ook als broeinesten van religieuze onverdraagzaamheid. Het machtige en gematigde CDA was weliswaar niet geliefd bij de (progressieve) pers, maar werd niet als fundamentalistisch bestempeld.

    In 1981 kwamen progressief en seculier Nederland in het geweer, toen er even sprake van was dat CDA en VVD een minderheidskabinet wilden vormen dat zou leunen op de gedoogsteun van de kleine christelijke partijen. In de Volkskrant trok columnist Jan Joost Lindner fel van leer tegen deze ‘Staphorster variant’, die als wisselgeld voor haar gedoogsteun alle vrijzinnige vernieuwingen zou tegenhouden. Het Overijsselse boerendorp Staphorst, waar tot in de jaren zestig overspelige stelletjes in een mestkar werden rondgereden, stond bij Lindner symbool voor de barbaarsheid van het christendom. Ook het Humanistisch Verbond wilde onder geen beding dat SGP, GPV en RPF invloed op het kabinetsbeleid zouden uitoefenen, en waarschuwde in een open brief CDA en VVD voor deze ‘theocratische partijtjes ter rechterzijde’.

    Medio jaren tachtig laaide dezelfde discussie weer op, toen PvdA-leider Joop den Uyl de drie kleine christelijke partijen ‘a-democratisch’ noemde. In een toespraak die hij hield op een feestelijke bijeenkomst over negentig jaar sociaaldemocratie, stelde Den Uyl dat de manier waarop er in SGP, GPV en RPF over democratie werd gedacht, ‘een latente bedreiging (…) van wezenlijke vrijheden’ vormde. GPV-leider Gert Schutte bestreed tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 1984 de aanval van Den Uyl, en verzekerde iedereen dat het GPV zich aan de democratische spelregels hield. In de loop van dit Kamerdebat werd duidelijker wat Den Uyl precies met ‘a-democratisch’ bedoelde, namelijk dat de kleine christelijke partijen met beroep op de Bijbel zich verzetten tegen het gelijkheidsidee, dat ten grondslag zou liggen aan de Nederlandse democratie, en anderen discrimineerden. De Bijbel was volgens Den Uyl bovendien een ‘niet-verifieerbare’ bron, en door zich op de Bijbel te beroepen onttrokken de kleine christelijke partijen zich aan de normale politieke discussie. Den Uyl eiste tolerantie van minderheden en verdedigde het standpunt van de Duitse filosoof Jürgen Habermas, namelijk dat in het publieke domein alleen zinvol kan worden gediscussieerd als men argumenten gebruikt die voor alle partijen acceptabel zijn. RPF-leider Meindert Leerling zei daarom heel erg de indruk te hebben dat Den Uyl van SGP, RPF en GPV politieke paria’s wilde maken, die net als Hans Janmaat van de Centrumpartij moesten worden gemeden en bestreden. Leerling hoopte dat er voor het christelijke geluid in het parlement nog wel ruimte zou blijven.

    Lindner, het Humanistisch Verbond en Den Uyl maakten een karikatuur van de kleine orthodox-christelijke partijen door ze te bestempelen als aartsconservatief en intolerant en te stellen dat ze in potentie een gevaar vormden voor de Nederlandse democratie. Dat SGP, GPV en RPF in het parlement samen slechts zes zetels hadden en nog geen deuk in een pakje boter konden slaan, wist men natuurlijk ook wel. Het spookbeeld Staphorst was echter nodig om de eigen identiteit extra te onderstrepen, het was een oefening in seculiere zelfbevestiging.

    Tegenwoordig is de term Staphorst een beetje in onbruik geraakt. Toen de SGP in 2011 gedoogsteun verleende aan het wankele kabinet-Rutte I sprak men niet over Staphorst maar over de Poldertaliban (zie ook hoofdstuk 7 ‘De emancipatie van de SGP’). Religieuze onverdraagzaamheid en barbaarsheid worden nu allereerst in verband gebracht met de islam, ook als de minderheid die zich intolerant opstelt christelijk is.

     

    Hashtag haatbaard

    Sinds 2001 heeft het islamdebat Nederland in zijn greep, het debat over de vraag of de islam een bedreiging vormt voor de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Dit debat gaat niet zozeer over moslims en de islam in het algemeen, maar vooral over fundamentalistische moslims en de vraag of de islam een politieke ideologie is.

    In Nederland wonen bijna één miljoen moslims. Zij zijn verdeeld in uiteenlopende etnische groepen, waarvan de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen de grootste zijn. Het etnische onderscheid is het belangrijkst, maar daarnaast spelen ook dogmatische verschillen een rol. De meeste moslims in Nederland behoren tot de soennitische islam, maar er zijn ook andere richtingen te herkennen. De eerste moskee in ons land is bijvoorbeeld gesticht door de ahmadiyya, een stroming die door de meeste andere moslims als ketters wordt beschouwd. Daarnaast is zo’n twintig procent van de Turkse moslims aleviet, een vrijzinnige stroming binnen de sjiitische islam. Binnen de fundamentalistische islam, die sjiitisch of soennitisch kan zijn, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen fundamentalisten die gebruikmaken van geweld en zij die dat niet doen. Haitham al-Haddad is een fundamentalistische soennitische moslim die een theocratische islamitische staat nastreeft, maar hij maakt geen gebruik van geweld. Ook roept hij moslims niet op om terroristische aanslagen of andere gewelddaden te plegen. Al-Haddad kun je daarom ook niet gelijkstellen met de terroristische organisatie Al-Qaida.

    In het islamdebat is het trouwens niet alleen Geert Wilders die beelden oproept van boze mannen met baarden, ook progressief Nederland doet hier lustig aan mee. Als Pauw & Witteman een debat willen met een ‘echte’ moslim, vragen ze nooit een degelijke CDA- of PvdA-politicus. In plaats daarvan nodigen ze theatraal tegendraadse fundamentalisten uit als Mohammed Enait, de advocaat die niet wilde opstaan voor de rechter omdat hij het Nederlandse recht niet respecteerde. Of Izz ad- Din Ruhulessin, de Nijmeegse student Arabisch en politicologie die in de Volkskrant Iran verdedigde toen men daar een overspelige vrouw wilde stenigen.

    Ook het Amsterdamse debatcentrum De Balie heeft een fascinatie voor deze ‘oorspronkelijke’ moslims. Het debat dat op vrijdagavond 17 februari 2012 in Amsterdam werd gevoerd tussen de fundamentalistische geestelijke Haitam al-Haddad, journalist Kustaw Bessems en GroenLinks-Kamerlid en vrijzinnige moslim Tofik Dib en de commotie eromheen,  hadden wel iets weg van een circusact van honderd jaar geleden.

    Al-Haddad was uitgenodigd door een islamitische studentenvereniging om aan de Vrije Universiteit van Amsterdam te komen spreken. Omdat Al-Haddad bekend stond als een antisemiet die onderdrukking van vrouwen propageerde, hadden enkele partijen in het parlement grote bezwaren tegen zijn komst. In reactie op deze commotie besloot de VU-leiding dat het niet zou doorgaan, in ieder geval niet in het gebouw van de universiteit. Debatcentrum De Balie wierp zich vervolgens op als centrum van het vrije woord, en besloot de beste man wel een podium te geven. Vanwege de rel was de zaal snel uitverkocht. Een aantal websites besloot  het debat een livestream uit te zenden, en politici, journalisten en verder iedereen met een mening twitterden al enkele uren voor aanvang in ongezouten bewoordingen over Al-Haddad. GroenLinks-coryfee Femke Halsema noemde hem een ‘malloot’, wat die avond één van de vriendelijkste kwalificaties was. Heel vaak verscheen in tweets  de hashtag ‘haatbaard’ (#haatbaard). Niet alleen openlijke en heimelijke sympathisanten van Geert Wilders, maar ook grachtengordelbewoners als opiniemaakster Maja Mischke en PvdA-politicus Kaj Leers bezigden deze term.

    Ondanks alle mooie woorden over het vrije woord was het Baliedebat eigenlijk geen ‘echt’ debat. In zo’n ideaal debat probeert men de ander te overtuigen, en doet men ook zijn best de ander te begrijpen. Al-Haddad leek echter vooral te zijn gekomen om zijn eigen mening te verkondigen. Soms deed hij ronduit curieuze uitspraken, bijvoorbeeld dat westerse moslimvrouwen die overspel hadden gepleegd, graag naar een islamitisch land zouden willen afreizen om daar gestenigd te worden. Door zijn extreme uitspraken maakte hij het zijn opponenten makkelijk om zichzelf te bevestigen in hun seculiere superioriteitsgevoelens. Al-Haddad werd hierdoor het levende symbool van achterlijkheid, onverdraagzaamheid en haat: der ewige Muslim. Men zocht naar de meest extreme formuleringen om afstand te nemen van de imam: hij moest als een bebaarde barbaar worden gedehumaniseerd.

    Dat het debat in De Balie uitverkocht was heeft vermoedelijk ook te maken met een zekere behoefte aan sensatie. Honderd jaar geleden bezochten mensen het circus vanwege de dwergen en de vrouw met de baard. De ‘verlichte’ Nederlanders waren in 2012 niet veel anders, ze bezochten De Balie om naar een ‘echte’ moslim te kijken, een #haatbaard.

     

    Ruimte voor het individu

    Van christenen en moslims bestaan veel karikaturen en karikaturen doen aan de werkelijkheid geen recht.  Er valt dus best iets voor de analyses van Kennedy en Meijers ten aanzien van het seculiere denken en religie te zeggen. Toch is er ook wel wat op af te dingen, want Kennedy en Meijers zijn beide eenzijdig, ze vertellen slechts een deel van het verhaal. Ze hebben alleen het mooie gezicht van religie willen zien, en hebben het lelijke gezicht van deze januskop afgepoetst. Daarnaast maken zij van het seculiere denken ook een karikatuur, een die wel erg zwart is ingekleurd, met als gevolg een te weinig verlicht plaatje. Zo vindt August Hans den Boef, auteur van boeken als God als hype en Nederland seculier!, dat Meijers orthodoxie veel te positief taxeert. Orthodoxie is niet breed, maar een verstening van de traditie. Kwalijker vindt hij echter de groepsdwang onder orthodoxe gelovigen. Orthodoxie is immers geen vrije keus, je wordt er vanaf je kindertijd al mee geïndoctrineerd. Ten slotte willen orthodoxe gelovigen hun ‘reservaten’ uitbreiden. Als hun wereld botst met de seculiere wereld, moet de laatste volgens de orthodoxen natuurlijk wijken. Zo moet er een uitzonderingspositie zijn voor trouwambtenaren van de burgerlijke stand die weigeren homo’s te huwen – de weigerambtenaren –  en voor artsen die weigeren euthanasie uit te voeren  – de weigerartsen. Maar eigenlijk willen orthodoxe gelovigen het homohuwelijk en de euthanasiewetgeving gewoon terugdraaien. Orthodoxen zijn niet uit op een modus vivendi maar willen de rechten van andersdenkenden beperken. Ze dienen volgens Den Boef daarom te worden bestreden. Of deze twee voorbeelden wel gelukkig zijn gekozen door Den Boef, daar kunnen vraagtekens bij worden gezet. Juist op het gebied van het homohuwelijk en de euthanasie is de traditionele christelijke moraal namelijk behoorlijk teruggedrongen in Nederland. Het homohuwelijk en de euthanasie zijn immers gelegaliseerd.

    Boris van der Ham, oud-parlementariër van D66 en huidig voorzitter van het Humanistisch Verbond, is qua toonzetting een stuk milder dan Den Boef. Hij richt zijn pijlen op het idee van de seculiere meerderheidscultuur, die volgens hem niet bestaat. Natuurlijk, de verzuiling is grotendeels voorbij, maar dat betekent volgens  hem niet dat het nu allemaal koekoek één zang is. Mensen zijn in de eerste plaats individuen, alle individuen zijn verschillend en denken verschillend. De overheid moet minderheden beschermen, maar niet als groepen. Zo’n benadering negeert namelijk de diversiteit bínnen orthodoxe groepen. Een groeiende minderheid binnen deze groepen heeft bijvoorbeeld geen moeite met het aangaan van homoseksuele relaties, maar voor dit geluid is vooralsnog geen ruimte.  Van der Ham wil de diversiteit binnen orthodoxe gemeenschappen óók recht doen. Het recht om af te wijken, is volgens hem daarom allereerst een individueel recht. Het perspectief ‘seculiere meerderheid’ versus ‘religieuze minderheden’ houdt met het individu onvoldoende rekening.

    Orthodoxie betekent ‘zuiver in de leer’. Orthodoxe groepen wijzen daarom visies die niet met hun eigen overeenkomen principieel af.  Zij dulden geen diversiteit in hun eigen groep. Van het GPV konden in de praktijk alleen mensen lid worden, die behoorden tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ‘enige ware kerk’ (zie hoofdstuk 8 ‘De twee gezichten van de ChristenUnie’). De ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, denkt tegenwoordig wat ruimer. Niettemin sluit de partij de facto homoseksuelen uit voor bestuurlijke en vertegenwoordigende functies (hoewel er vast wel enkele uitzonderingen zijn die deze regel bevestigen).

    Den Uyl had in 1984 niet helemaal ongelijk. In tegenstelling tot de SGP waren GPV en RPF geen theocratische partijen, maar voluit democratisch waren ze ook niet. Volgens RPF-leider Meindert Leerling had de PvdA-voorman het eigenlijk best wel goed gezien. De democratie kende grenzen, voor de kleine christelijke partijen bestond er een hogere norm dan ‘de helft plus één’. Leerling wees op de boeken van oud-Kamerlid A.J. Verbrugh, de voorganger van GPV-leider Schutte, die in zijn trilogie Universeel en Antirevolutionair de democratie als staatsvorm afwees.

    Als Den Uyl in het al eerder genoemde debat met Schutte naar de boeken van Verbrugh had verwezen, had hij dit wellicht gewonnen. Het ideaal van de kleine christelijke partijen was niet een pluralistische samenleving waarin alle minderheden tot hun recht kwamen, maar een protestants land dat orthodoxe protestanten bevoordeelde.

    Na 2000 is de ChristenUnie van het ideaal van Nederland als protestantse natie afgestapt. Niettemin blijft men aanhikken tegen de democratische regel, dat de meerderheid beslist. In 2008, toen de ChristenUnie in de regering zat, wilde de partij tijdens de discussie over embryoselectie haar minderheidsvisie (een totaalverbod op embryoselectie) het liefst aan de rest van Nederland opleggen. Voorstanders van embryoselectie dwingen tegenstanders immers niet om ook aan selectie te doen, terwijl de ChristenUnie voorstanders wel selectie wil verbieden. De onbuigzame opstelling van de ChristenUnie ontketende een storm van protest, en columnisten Elsbeth Etty en Maarten ’t Hart lieten zich in het NRC-Handelsblad negatief uit over het christelijk geloof. In reactie hierop kropen ChristenUnie-politici meteen in een slachtofferrol. Kamerlid Arie Slob meende dat christenen (lees: ChristenUnie en SGP) in het publieke debat werden gediscrimineerd, en senator Roel Kuiper klaagde meteen steen en been over de ‘knock-out-democratie’, die minderheden uit de politieke arena wilde slaan. Dat de discussie was opgelaaid omdat de ChristenUnie de vrijheid van andersdenkenden wilde beperken, waren beide heren allang weer vergeten.

    Enkele jaren later, in oktober 2011, organiseerde het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie een afscheidscongres voor André Rouvoet. De begin dat jaar afgetreden partijleider zei in zijn redevoering dat hij de formele regel dat de democratische meerderheid beslist respecteerde, maar tegelijkertijd benadrukte hij dat een échte democratie zo veel mogelijk rekening houdt met minderheden. Rouvoet beriep zich op Kennedy’s analyse dat de seculiere meerderheid minderheden marginaliseert en gebruikte dat als een frame, om het over de andere kant van de zaak vooral maar niet te hebben. Hij schetste religieuze minderheden als slachtoffer van de seculiere meerderheid, maar over de diversiteit in orthodoxe gemeenschappen zweeg hij uiteraard.

    Hoe zit het dan met orthodoxe moslims? Ten aanzien van Al-Haddad hadden de seculiere critici terechte kritiek op zijn standpunten. Natuurlijk, de mening van Al-Haddad is extreem radicaal en vermoedelijk zullen slechts weinig moslims in Nederland het met hem eens zijn. Maar Al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië, waar geen vrijheid van godsdienst is.  Al-Haddad is bovendien gepokt en gemazeld in het Saoedische denken. Hij eist in Europa het recht op om als moslim naar islamitische wetten te mogen leven, maar uiteraard gunt hij andersdenkenden deze rechten niet. Een fatsoenlijk debat viel er met hem niet te voeren: op kritische vragen gaf de imam geen antwoord, of hij verwees naar een ‘niet-verifieerbare’ bron, de Koran. Fundamentalisten maken geen interpretatieslag naar het heden en geloven dat de antwoorden van toen antwoord geven op alle vragen. Ruimte voor twijfel, ruimte voor diversiteit, ruimte voor het individu: die ruimte bestaat gewoon niet.

    Dat de Profeet Mohammed een dichter en dromer was die prachtige verhalen kon vertellen en een zwak voor mooie vrouwen had, dat gaat er bij de fundamentalisten onder zijn volgelingen niet in. Zij willen en kunnen alleen nog maar het strenge gezicht van de Profeet zien, dat overigens niet afgebeeld mag worden. Het is aan de ene kant beschamend als men Al-Haddad voor malloot of haatbaard uitmaakt –  en hem op deze manier dehumaniseert – maar waar Al-Haddad en zijn geestverwanten mee bezig zijn, is een dehumanisering van de islam. Hun doel is dit geloof van alle menselijke trekjes te zuiveren, te beginnen met de Profeet zelf. Tofik Dibi riep tijdens het Baliedebat niet voor niets uit: “Uw islam is niet mijn islam”.

    Gelovigen, ook fundamentalistische gelovigen, zijn allemaal anders. Aan de andere kant, conservatieve geloofsstromingen hebben veel intolerante trekjes en verhouden zich vaak slecht tot democratie en individuele vrijheid, waaronder ook de individuele godsdienstvrijheid. Kennedy en vooral Meijers zouden er goed aan doen deze kant wat meer te belichten.

     

    Uit de kast

    Nederland is nog niet veranderd in een Narnia-in-de-winterland: voor gelovigen is in onze samenleving nog steeds plaats, ze kunnen naar de kerk of de moskee, en krijgen ook geen seculiere staatsopvoeding. Ook mogen gelovigen, dankzij de vrijheid van meningsuiting, zeggen wat ze denken. Nederland is geen seculiere dictatuur.

    Aan de andere kant: maakt godsdienstvrijheid mensen vrij of leidt dit tot onderdrukking? Zijn christelijke homo’s die zeggen dat ze bewust voor een celibatair leven kiezen wel echt vrij, of doen ze dit uit angst voor uitstoting uit de gemeenschap waarin ze zijn opgegroeid, en de verwachting van een eeuwige straf na dit leven? Op deze vraag kun je eigenlijk geen bevredigend antwoord geven. De politiek moet daarom een zekere terughoudendheid in acht nemen. We moeten geen staatsopvoeding willen, ook al is deze seculier. Echter, een overheid die organisaties subsidieert die vrouwen en/of homo’s discrimineren, is ook niet neutraal, en maakt deze discriminatie zelfs mede mogelijk. De overheid dient op te komen voor minderheden en ook met minderheidsopvattingen die binnen een minderheid kunnen leven, maar moet voorzichtig zijn in haar optreden. Per geval moet goed bekeken worden wat de juiste keuze is. Soms weegt de vrijheid van de religieuze groep het zwaarst, soms de vrijheid van het individu.

    Belangrijker dan wat de overheid al dan niet moet doen, is de manier waarop het maatschappelijk debat wordt gevoerd. Op dit moment wordt er te veel naar elkaar gewezen:   seculieren beschouwen religieuzen te snel als barbaren, terwijl religieuzen zichzelf te snel in de slachtofferrol plaatsen –  vaak ook om maar niet te hoeven na te denken over de vraag of er misschien toch iets waar is van de kritiek van de ander. Dit komt door het drijven op twee gescheiden eilandjes en angst voor beïnvloeding van het eigen gekoesterde gedachtegoed. Voor een vruchtbaar debat is in de eerste plaats seculiere zelfbeheersing nodig. Christenen en moslims moeten niet meer als achterlijke barbaren worden gekarikaturiseerd, maar als mensen met een andere mening worden benaderd. Kritiek op die mening moet echter wel mogelijk blijven. Ook met religiekritiek is niets mis, zolang de aanhangers van religies maar als mensen worden blijven benaderd. Daarnaast zou het goed voor de discussie zijn, om niet alleen radicalen en extremisten aan het woord te laten, maar ook ‘normale’ religieuzen. Vooral voor de islamdiscussie zou dit heel heilzaam zijn en deze discussie bevrijden uit de verstikkende wurggreep van de polarisatie.

    In Narnia, het betoverde land achter de kleerkast, zijn de regels makkelijk. Of je volgt de White Witch, of je volgt Aslan. Een tussenweg is er niet. We moeten weg uit deze wereld. Gelovigen en seculieren moeten uit de kast komen, wakker worden uit hun utopische droom, en leren om in de echte wereld toch een beetje met elkaar samen te leven.

    Tags: Aslan, Bart Jan Spruyt, Erica Meijers, James Kennedy, Joop den Uyl
    Read More