Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Iedereen kan Schilderen

    1

    http://www.dbnl.org/tekst/schi008gere01_01/schi008gere01_01_tpg.gif

    Door: Ewout Klei

    Inleiding
    Klaas Schilder (1890-1952) was een briljante orthodox-gereformeerde theoloog, die ook in seculiere kringen wordt gewaardeerd. Historicus en journalist Rob Hartmans beschouwt Schilder als één van de belangrijkste intellectuelen uit het interbellum, samen met de atheïstische polemist Menno ter Braak. In zijn essaybundel Vaarwel dan! Essays over intellectuelen en hun illusies waarschuwt Hartmans dan ook dat men niet de fout moet maken Schilder over één kam te scheren met doempredikanten als SGP-voorman G.H. Kersten, dat is “net zo dom als wijlen Joop den Uyl uit te schelden voor communist.” Ook Harry Kuitert , de in orthodox-gereformeerde kringen fel bestreden theoloog, heeft de intellectueel Schilder hoog. Volgens Kuitert was Schilder “een genie in de dop”. Kuitert vroeg zich echter af, of Schilder ooit uit die dop gekomen was: “Ik geloof namelijk dat zijn volgelingen hem in die dop gehouden hebben…”
    Hoe kon het toch, dat zo’n briljante theoloog, die in 1933 in het Duitse Erlangen summa cum laude promoveerde op het zwaar-filosofische proefschrift Zur Begriffsgeschichte des Paradoxon, het boegbeeld werd van een kleine, zeer in zichzelf gekeerde geloofsgemeenschap, de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt)?

    Intellectueel anti-intellectualisme
    Op 19 december 1890 kwam Klaas Schilder ter wereld. Hij groeide op in Kampen, het bolwerk van de Afscheiding van 1834 en bekend vanwege de bloeiende sigarenindustrie. Zijn vader, die sigarenmaker was, overleed toen Schilder zes jaar oud was. De overgebleven leden van het gezin sloten zich daarna aan bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. Hiervoor waren ze lid geweest van de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1909 ging Schilder naar de Theologische School in Kampen. Deze school bestond sinds 1854 en leidde predikanten op voor de afgescheidenen. In 1914 legde Schilder cum laude het kandidaatsexamen af.
    Als student hield Schilder zich niet alleen bezig met theologie maar ook met filosofie en literatuur. Hij las onder andere Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche, schreef Nederlands proza en gedichten in Grieks, Latijn en Duits. Schilder had veel aandacht voor de persoonlijke relatie tussen God en mens, werd geraakt door het dichterlijke en het emotionele, maar zou in zijn theologie ook het rationele en logische benadrukken.
    Door het lezen van schrijvers en filosofen als Friedrich Nietzsche – die in Die fröhliche Wissenschaft en Also sprach Zarathustra de dood van God verkondigde en het boek Der Antichrist schreef – werd Schilder geconfronteerd met nieuwe ideeën, die haaks stonden op de orthodox-protestantse absolute waarheden waarmee hij was opgevoed. Schilder identificeerde zich in zijn studententijd sterk met de Deense filosoof Søren Kierkegaard, een christelijke existentialist. De levensgeschiedenissen van beide denkers vertonen opvallende overeenkomsten: Kierkegaard had zijn verloving met Regine Olsen afgebroken omdat hij dacht dat hij haar niet gelukkig kon maken met zijn filosofische getob, Schilder was afgewezen door Lientje Wieringa en haar familie omdat hij uit een te eenvoudig gezin kwam. Maar waar Kierkegaard bewust vrijgezel bleef voor de rest van zijn leven, omdat hij zichzelf niet geschikt vond voor de liefde, deed Schilder niet lang na zijn afwijzing een nieuwe poging, en vroeg begin 1913 plotseling de negen jaar oudere Anna Johanna Walter ten huwelijk. Schilder had volgens zijn biograaf J.J.C. Dee hiermee ethisch afstand genomen van Kierkegaard. Filosofisch nam Schilder ook afstand van Kierkegaard. Waar Kierkegaard de subjectiviteit van het geloof had beklemtoond zou Schilder, ondanks of misschien wel juist dankzij zijn grote openheid voor de cultuur, het objectieve van het christendom benadrukken. Hij was existentieel gereformeerd. Het was voor Schilder “alles of niets”.
    Op 18 juni 1914 trad Schilder in het huwelijk met Anna Johanna Walter. Drie dagen later werd Schilder predikant van de Gereformeerde Kerk van Ambt-Vollenhove. Dit was een zogenaamde A-gemeente, een Gereformeerde Kerk van de Afscheiding. Een week na zijn beëdiging werd in Sarajevo de Oostenrijk-Hongaarse kroonprins Frans Ferdinand doodgeschoten. Dit zou de aanleiding zijn voor de Eerste Wereldoorlog, die diepe indruk op Schilder maakte en leidde tot een pessimistische visie op de cultuur. Schilder vroeg zich op welke fronten de echte oorlog, die tussen god en Satan, zou worden gestreden. Schilder wilde de bijbel verdedigen tegen aanvallen van buiten. De Schrift zelf zou het belangrijkste wapen zijn in deze strijd. Volgens historicus George Harinck was Schilder een exponent in de polemische traditie van de antirevolutionaire voormannen G. Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper. Vanwege de diepe existentiële achtergrond van Schilders strijdbaarheid gaat deze vergelijking echter niet helemaal op. Schilder kan misschien beter worden vergeleken met intellectuelen als Nietzsche, Kierkegaard en tijdgenoot Menno te Braak, die de tijdgeest en de zinloze kant van het leven ook aan den lijve hebben ondervonden.
    In 1916 werd Schilder predikant te Vlaardingen. Nederland was weliswaar neutraal, maar de oorlog zorgde in ons land voor veel werkloosheid. Op 3 mei 1917, een half jaar voor de Russische Revolutie, hield Schilder een toespraak over ‘De Openbaring van Johannes en de sociale kwestie’. De langdurige oorlog gaf aanleiding tot apocalyptische gedachten. Die werden versterkt door de revolutie in Rusland in 1917 en de mislukte Duitse revolutie. Schilder zag in deze gebeurtenissen een eschatologische dimensie en hield in 1919 toespraken over ‘De antichrist’ en ‘Wat is de hel?’, die later als aparte boekjes werden uitgegeven.
    Begin jaren twintig speelde in de Gereformeerde Kerken ook de kwestie van de ‘jongeren’. Schilder stond niet negatief tegen hun vragen. Hij was immers ook bezig met de vragen die de tijdgeest aan de gelovige stelde. Hij kon zich echter niet vinden in hun antwoorden, die van de belijdenisgeschriften zouden afwijken en een andere visie op het Schriftgezag veronderstelden. Voor De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven schreef Schilder artikelen over de kerk, de samenleving en de eigentijdse cultuur. Hij was vanaf de oprichting in 1920 betrokken bij het blad, en werd in april 1935 de enige hoofdredacteur. Ook schreef Schilder voor tal van andere bladen.
    In 1925 werd Schilder predikant te Oegstgeest, waar hij de beroemde schrijver Jan Wolkers doopte. In deze tijd wilde Schilder beginnen aan een proefschrift, maar hier kwam het niet van. Wel publiceerde hij in 1927 Bij dichters en schriftgeleerden, een verzameling vaan een serie artikelen uit De Reformatie, waarin hij zich confronteerde met de theologie van de Zwitser Karl Barth, die diepgaand door het subjectieve denken van Kierkegaard was beïnvloed.
    Barth was de belangrijkste theoloog van de twintigste eeuw. Vanaf 1925 werd zijn theologie in Nederland bekend. Barth benadrukte het oneindige verschil tussen God en mens. Volgens Barth had Eerste Wereldoorlog laten zien dat de theologie die zich op de geschiedenis oriënteerde er naast had gezeten. Hij verbaasde zich er over dat liberale Duitse theologie zich had uitgeleverd aan de Duitse overheid, toen het leger zich in de zomer van 1914 mobiliseerde. De koppeling tussen geloof en natie, geloof en geschiedenis, geloof en een historische identiteit, kon bij Barth niet op instemming rekenen. God is God. De wereld is de wereld. God kon niet voor ons karretje worden gespannen. Dat was de boodschap uit de Römerbrief. Altijd klinkt volgens Barth het goddelijke ‘nee’ over het menselijke handelen en denken. Alleen door Christus kan Gods oordeel in een ‘ja’ worden omgebogen. Barth baseerde zich op Kierkegaard en maakte gebruik van diens paradoxale spreken over het geloof. In het verborgene openbaarde God zich volgens Kierkegaard. Het geloof was volgens Barth geen historische categorie maar een bliksemflits die inslaat. Kennis van God was alleen mogelijk wanneer God zich via Christus openbaarde, niet door de natuur of via de Bijbel. Barth beschouwde de Bijbel niet als het letterlijke Woord van God.
    In de ogen van Schilder begaf Barth zich op schriftkritisch terrein. Schilder wilde koste wat het kost vasthouden aan de letterlijkheid van de Bijbel. Hij ontwierp in reactie op Barth zijn eigen theologie, waarin Gods ingrijpen in de wereldgeschiedenis centraal stond. God was niet alleen transcendent maar ook immanent. Schilder had daarom geen moeite met het concrete spreken over God. Met de Bijbel en de gereformeerde belijdenisgeschriften als fundament, en de logica als wetenschappelijk instrument, ging Schilder hierin behoorlijk ver. Uit de Bijbel mochten verregaande consequenties, de zogenaamde bona consequentia, getrokken worden. Op grond van onder andere Romeinen 9:13 (“Jacob heb ik liefgehad, en Ezau heb ik gehaat”) verdedigde Schilder de dubbele predestinatieleer – God kiest en God verwerpt – en beargumenteerde hij dat God niet alleen eeuwig kon liefhebben maar ook eeuwig kon haten. Schilder gaf het primaat van de liefde in de verbondsleer op. Hij was hierin consequenter dan Johannes Calvijn, die geleerd had dat de belofte in het verbond meer gewicht heeft dan de eis. Bij Schilder stond de eis centraal. De Bijbel mocht niet worden opgevat als een lokkende liefdesbrief, maar moest gelezen worden als een ultimatum.
    Schilder en Barth dachten daarnaast totaal verschillend over de cultuur. Barth wees alle cultuurprestaties van de mens af, ook die van christenen. Hij geloofde dus niet in de mogelijkheid van christelijke wetenschap of christelijke politiek. Dat was hoogmoed. Schilder was het daar niet mee eens. Cultuur was slechts mogelijk door Christus. Met deze stelling keerde hij zich niet alleen tegen de cultuurpessimistische Barth, maar ook tegen de cultuuroptimistische Abraham Kuyper, die had beweerd dat gelovigen én ongelovigen tot grote culturele prestaties in staat waren. Kuyper had in zijn theologie natuurlijk ook aandacht voor de antithese, maar verabsoluteerde deze nooit. Schilder deed dat wel. Het was alles of niets, hemel of hel. Voor compromissen was er geen ruimte.
    Toen Schilder in 1928 predikant werd van Rotterdam-Delfshaven, kreeg hij van de gemeente studieverlof om aan een proefschrift te werken. Hij ging hiervoor naar Duitsland, naar de Friedrich Alexander Universität te Erlangen, en promoveerde in 1933 aan de filosofische faculteit bij Eugen Herrigel op proefschrift Zur Begriffsgeschichte des Paradoxon. Het doel van dit proefschrift was, het subjectieve fundament van de filosofie van Kierkegaard en de theologie van Barth, de paradox, te ondergraven. Het proefschrift was dus een vorm van polemiek. Schilder stuurde zijn proefschrift op naar Barth in de hoop op een reactie. Barth nam echter niet de moeite om de dissertatie te gaan lezen.
    Na zijn terugkeer naar Nederland benoemde de Generale Synode van Middelburg Schilder tot hoogleraar dogmatiek aan de Theologische School te Kampen. Als hoogleraar hield Schilder zich nog steeds bezig met theologie en filosofie, maar in de loop van de tijd kostte de strijd in de kerk hem steeds meer tijd. Het gewone kerkvolk was niet bepaald geïnteresseerd in de filosofische exercities van Nietzsche, Kierkegaard en Barth, en had geen begrip voor hun existentiële twijfel. Ze wilden geen vragen maar antwoorden. Met zijn compromisloze radicalisme en zijn nadruk op het objectieve raakte Schilder bij het vrome volk een gevoelige snaar. Het meest gelezen werk van Schilder is het in 1948 verschenen dunne boekje Christus en cultuur, waarin de Kamper theoloog zijn ideeën voor het gewone kerkvolk populariseerde. Schilder beweerde aan het slot, dat de cultuurarbeid van een wijkouderling op huisbezoek meer waard was dan die van ongelovige professor of een ongelovige kunstenaar.
    Hoewel Schilder de paradox afwees, is de paradox van Schilder, dat hij als intellectueel sterk heeft bijgedragen aan een anti-intellectualistisch klimaat. De strijd in de Gereformeerde Kerken, de Vrijmaking van 1944 en de vrijgemaakte strijdbaarheid, zijn gevolgen van Schilders intellectuele anti-intellectualisme.

    Zelus en zeloten
    Een centraal element in de theologie van Schilder was de notie van het ‘verbond’. In nauw verband met het verbond stond de leer over de doop. Hadden alle gedoopte kinderen deel aan het verbond met God? Of waren alleen die kinderen opgenomen in het verbond die door God waren uitgekozen om gered te worden? Kuyper meende dat dit laatste het geval was en concludeerde dat de doop van niet-uitverkoren kinderen slechts schijn was. Veel gereformeerden met een afgescheiden achtergrond waren het niet met Kuyper eens. Zij meenden dat gedoopte kinderen waren opgenomen in het verbond. Als deze kinderen later niet meer geloofden, betekende dit niet dat ze geen deel van het verbond hadden uitgemaakt, maar dat ze met het verbond hadden gebroken. Hoewel Schilder in de jaren dertig vooral kritiek leverde op de gemene gratie en de pluriformiteit van de kerk, zou de kritiek op de leer over de doop leiden tot een kerkscheuring.
    Tussen de voor- en tegenstanders van de theologische opvattingen van Kuyper ontstond een felle polemiek. De generale synode besloot in 1936 om de dogmatische opvattingen van de Kuyper-critici te toetsen aan Schrift en belijdenis. Zeven personen, onder wie Schilder en zijn tegenstander V. Hepp, kregen zitting in een commissie die zich hierover moest buigen. Omdat Hepp ondertussen de opvattingen van Schilder en de zijnen bestreed in de brochurereeks Dreigende deformatie, weigerde Schilder om nog langer mee te doen aan de commissiebesprekingen en besloot hij een minderheidsrapport te schrijven.
    De volgende synode kwam van 1939 tot 1943 bijeen. Deze synode moest het oordeel over de leergeschillen vellen. De behandeling hiervan werd vertraagd, onder meer door de oorlog en de gevangenneming van Schilder in augustus 1940. Schilder had namelijk in de zomer van 1940 assertieve artikelen over de Nederlandse houding onder de Duitse bezetting geschreven in De Reformatie. Hij kreeg na zijn vrijlating in december 1940 een publicatieverbod opgelegd en kon zich daarom niet in het publieke debat mengen, in tegenstelling tot zijn kerkelijke opponenten. In mei 1942 werden de leergeschillen door de synode behandeld. Deze deed op 8 juni enkele leeruitspraken over de sinds 1936 onderzochte opvattingen. Deze leken voor Schilder en de zijnen geruststellend, maar in een nadere toelichting werden de uitspraken kuyperiaans geïnterpreteerd.
    Eigenlijk had de synode in 1942 ontbonden moeten worden, maar de synode verlengde haar zittingstermijn. Volgens Schilder kon dit kerkrechtelijk gezien niet. Hij verklaarde de synode voor onwettig en probeerde via de kerkenraad van Kampen te bewerkstelligen dat de afgevaardigden van Overijssel zich zouden terugtrekken. De synode eiste dat Schilder zich conformeerde en van kandidaat-predikanten dat zij de leeruitspraken zouden onderschrijven. In 1943 werd de synode ontbonden. Kort daarna kwam er weer een nieuwe synode bijeen, die de leerbesluiten en de eis dat kandidaat-predikanten deze moesten onderschrijven handhaafde. Schilder en de zijnen tekenden bezwaar aan tegen deze beslissingen en tegen de leeruitspraken en verzochten de synode de geschillen pas na de oorlog verder te behandelen. De synode wilde echter de eenmaal ingeslagen weg niet verlaten. Schilder riep de kerkenraden op zich tegen de synode te keren, maar dit werd door de synode als muiterij gezien. Schilder werd op 23 maart 1944 als ambtsdrager geschorst nadat hij te kennen had gegeven zich niet te willen onderwerpen aan het gezag van de – in zijn ogen onwettige – synode. Op 2 augustus werd hij afgezet. Een dag eerder was emeritus-hoogleraar S. Greijdanus geschorst, die zich ook niet aan de leeruitspraken van 1942 wilde binden en zich in krachtige bewoordingen tegen de synode had gekeerd.
    Op vrijdag 11 augustus las Schilder in Den Haag de Acte van Vrijmaking of Wederkeer voor en maakte zich los van het ‘synodale juk’. Hij beriep zich op artikel 31 van de Dordtse Kerkorde (K.O.) waarin stond dat besluiten van een meerdere kerkelijke vergadering (zoals bijvoorbeeld de generale synode) “voor en vast en bondig gehouden worden”, tenzij bewezen werd dat deze besluiten in strijd waren met Gods Woord. Schilder wees een compromis af. Het was voor hem alles of niets. De Gereformeerde Kerken waren geen kerk van Christus meer, omdat ware gelovigen in hun vrijheid om Christus te dienen werden belemmerd. Het kwam er in 1944 daarom op aan om zelf trouw te institueren. In de Acte van Vrijmaking of Wederkeer verwees Schilder naar de Acte van Afscheiding of Wederkeer van De Cock uit 1834. Net als de afgescheidenen pretendeerden de vrijgemaakten de ware kerk voort te zetten. Om die reden bleven vrijgemaakten zich gereformeerden noemen. Degenen die zich niet vrijmaakten van de synodebesluiten noemden zich ook gereformeerden, maar werden door de vrijgemaakten voor ‘synodalen’ of ‘synodocraten’ uitgemaakt. Om verwarring te voorkomen kregen de vrijgemaakte kerken de postale aanduiding: Gereformeerde Kerken (onderhoudende art. 31 K.O.). In 1958 werd dit veranderd in De Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt).
    Na de Vrijmaking ontwikkelden de vrijgemaakten een morele gemeenschap met een eigen zelfbeeld en wereldbeeld. De kerk stond daarin centraal. Het welzijn van de kerk werd volgens de vrijgemaakte voormannen van alle kanten bedreigd. De kleine kudde van ware gelovigen moest daarom dicht bij elkaar blijven en mocht niet capituleren voor de tijdgeest: “Al naarmate God de wereldhistorie naar de eindstreep brengt, zullen de halven en slappen, de bijkleurders en aanpassers, de uitvinders van verzoeningsformules tussen links en rechts, uitvallen! Alléén de radicalen, die álles inzetten, zullen standvastig blijven!”
    ‘Echte’ vrijgemaakten steunden de doorgaande reformatie, de doorwerking van de Vrijmaking op alle levensterreinen. Zij lazen het Gereformeerd Gezinsblad, de ware krant, en stemden op het Gereformeerd Politiek Verbond, de ware partij die zich in 1948 had vrijgemaakt van de Antirevolutionaire Partij. Deze politieke vrijmaking werd geleid door predikanten, die na de kerkelijke vrijmaking opeens allemaal zeer principiële (en weinig politieke) bezwaren tegen de ARP formuleerden, en bewust aanstuurden op een breuk. Ook van andere protestaants-christelijke organisaties (de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte en het Christelijk Nationaal Vakverbond) maakten de vrijgemaakten zich vrij.
    Agnes Amelink, journaliste bij Trouw, zei in haar bekende boek De gereformeerden in de vrijgemaakten de gedrevenheid van de gereformeerden van het eerste uur te herkennen: “Ze waren ervan overtuigd dat ze de weg gingen die God hun zelf wees, de weg van de waarheid – het ging opnieuw om leven en dood. Met als keerzijde een haast paranoïde wantrouwen tegen alles wat van buiten de eigen kring komt.”
    Hoewel Schilder met zijn compromisloze alles-of-niets-methode het radicale klimaat in de kerk mede mogelijk had gemaakt, begon hij aan het einde van zijn leven steeds meer de schaduwzijden in te zien van de storm die hij had ontketend. Voor sommige praktische consequenties van zijn consequentie-denken schrok Schilder terug. Zijn epigonen deden dat niet. De vrijgemaakte predikanten Joh. Francke en D. van Houdt pleitten voor een exclusief-vrijgemaakte partij, van niet-vrijgemaakte smetten vrij. Zij waren voorts van mening, dat alle vrijgemaakten zich aan hun consequentie visie moesten conformeren. In de loop van de jaren veertig en zeker in de jaren vijftig, bestreden de vrijgemaakten niet alleen de synodalen, maar ook elkaar. Voor rekkelijkere vrijgemaakten, zij die voorzichtiger dachten over de gecanoniseerde consequenties van de Vrijmaking en dit en public verkondigden, was in de kerk geen plaats meer. Hun kritische brieven werden door de vrijgemaakte pers geweigerd, of van een uitgebreid naschrift voorzien. Dissidenten moest het zwijgen worden opgelegd, zij moesten worden gezuiverd. In 1950 besloten zo’n 2500 dissidente vrijgemaakten onder leiding van predikant B.A. Bos weer terug te keren naar de Gereformeerde Kerken (synodaal). Ze werden door de achterblijven als verraders beschouwd.
    Ook Schilder had de zogenaamde Bos-actie veroordeeld. Niettemin voelde hij zich uiteindelijk toch genoodzaakt, tegen het rabiate radicalisme te waarschuwen. Op woensdag 26 september 1951 hield Schilder op de Kamper Schooldag de rede Zelus en zeloten. Zelus, Grieks voor ‘ijver’, had volgens Schilder een positieve en een negatieve betekenis. IJver was positief wanneer ze dienstbaar was aan de goede zaak. Wanneer ijver echter een onrijpe doelstelling voor ogen had, kon deze schadelijk zijn. IJver leidde dan tot gebrek aan zelfbeheersing en onverantwoordelijkheid. Het was dan een manier van zelfbehagen, zelfprojectie, zelfhandhaving, zelfbedrog. Iemand die zo ijverde zou een dodelijk gevaar kunnen vormen voor zichzelf en zijn omgeving. Schilder noemde geen concrete situaties of personen (het kan bijna niet anders, dat Schilder onder andere aan Francke heeft gedacht), maar wees wel op de gevaren. Zelus zonder verstand leidde volgens hem tot zelotisme. Schilder wilde niet dat mensen door zeloten de kerk uitgejaagd zouden worden. God zou een kerk willen en geen kerkje, en daarom moest de belijdenis breed zijn.
    Volgens theoloog Egbert Terpstra was Schilders ideaal een brede ‘studie-kerk’ geweest. Dit was een kerk, waar iedereen welkom was die zich wilde binden aan Schrift en belijdenis alleen, en door diepgaande studie antwoorden probeerde te zoeken op actuele problemen. Schilder zou vooral het zoeken beklemtonen, in een poging daarmee het extremisme en exclusivisme af te zwakken. De vrijgemaakte kerken ontwikkelden zich na de Vrijmaking echter in een andere richting, in die van een kerk die overal een radicaal antwoord op had. Schilder heeft hier moeilijk raad mee geweten.
    Op 23 maart 1952 overleed Schilder, amper een half jaar na zijn omstreden rede. Zijn niet bij name genoemde epigonen joegen Schilders waarschuwende woorden in de wind. Schilder had het morele gezag, de ontwikkelingen in de vrijgemaakte wereld te kunnen keren. Zijn vroegtijdige dood zorgde er echter voor, dat de ideeën van zijn epigonen de wind in de zeilen kregen.

    Iedereen kan Schilderen
    De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) ontwikkelden zich na Schilders overlijden dus niet bepaald in de richting van een studie-kerk. Schilders compromisloze alles-of-niets-methode, maar zonder diens existentiële diepgang, werd dé manier om andersdenkenden buiten én binnen de kerk te verketteren. Meningen werden al snel principieel gemaakt en enorm op de spits gedreven, met als gevolg dat de vrijgemaakte wereld geplaagd werd door allerlei conflicten, die zich vaak jarenlang voortsleepten.
    Voor veel vrijgemaakten was het erg belangrijk hoe je ‘stond’, hoe ‘goed vrijgemaakt’ je was. Ze namen niet alleen buiten- en anderskerkelijken de maat, maar ook vrijgemaakten die wat rekkelijker dachten. Ze hanteerden, in navolging van Schilder, het dus-dus-denken: Als je niet op het GPV stemde of niet het Gereformeerd Gezinsblad las, was je dus niet goed vrijgemaakt en werd je dus niet gevraagd voor het ambt van ouderling of diaken in veel kerkelijke gemeenten.
    In het GPV discussieerde men meer dan vijftig jaar over de vraag, of men wel mocht samenwerken met anderskerkelijken, die net een beetje anderskerkelijk waren: de synodaal-gereformeerden (tot de jaren zestig), de Nederlands-gereformeerden (vanaf de jaren zestig) en de christelijk-gereformeerden. Tegenstanders van deze samenwerking protesteerden lang en luid, en maakten zich soms vrij van het GPV (het Comité Wederkeer GPV in 1960, de predikanten Joh. Francke en P. van Gurp in 1972 en de GPV-jongeren Marcel Flipse en Martin Jonker in 1996). Toen de vrijgemaakte wereld zich in de jaren negentig en nul voorzichtig openstelde voor net iets anderskerkelijken, hield de kerkleiding (Mees te Velde) en GPV-leiding (Janco Cnossen) extreem veel rekening met verontruste gevoeligheden, uit angst voor deining en een nieuwe vrijmaking. De alles-of-niets-methode én de angst hiervoor werkten verlammend op het vrijgemaakte leven.
    Na de oprichting van de ChristenUnie in 2000 ontstond er geen Nieuw Gereformeerd Politiek Verbond. Wel vond er in 2003 de Nieuwe Vrijmaking plaats, toen zo’n 1500 kerkleden zich onder leiding van predikant P. van Gurp losmaakten en een nieuwe kerk stichtten, de Gereformeerde Kerken in Nederland (Hersteld). In 2009/2010 maakte een nieuwe groep vrijgemaakten, rondom de predikanten Egbert Heres, Egbert Hoogendoorn en René van der Wolf, zich vrij. Zij noemden zichzelf ‘dolerend’, maar wilden zich niet aansluiten bij de ‘extremistische’ kerk van Van Gurp cum suis.
    De vrijgemaakten namen in de loop van de jaren zeventig en tachtig langzaam afstand van het compromisloze alles-of-niets-denken. Een belangrijke beeldenstormer in deze strijd was de theoloog Jochem Douma, die ruimte vroeg voor het compromis en benadrukte dat er ook buiten de vrijgemaakte kerk ware gelovigen waren. Dankzij Douma zochten veel vrijgemaakten naar ‘bondgenoten’ buiten eigen kring, en raakte de kerk steeds meer uit haar aanvankelijke isolement. Zo ging het GPV in steeds meer gemeenten en provincies samenwerken met de Reformatorische Politieke Federatie, en werden steeds meer vrijgemaakten lid van de Evangelische Omroep.
    Douma was een nuchter theoloog, die sterk rationeel te werk ging. Ook Gert Schutte, leider van het GPV in de Tweede Kamer, kenmerkte zich door nuchterheid en zakelijkheid. In de jaren negentig en nul stuitte deze weinig spirituele houding op steeds meer verzet. Een groeiende groep (jonge) vrijgemaakten vond de kerk te koud en te kil. Zij wilden nieuw vuur in de kerk, ruimte voor het gevoel, de beleving. Toch lijken deze ‘evangelische’ vrijgemaakten op de vroege vrijgemaakten, vooral wat hun strijdbaarheid betreft. Zo hebben in verschillende kerken jonge stellen opeens grote principiële bezwaren tegen de kinderdoop en weigeren ze hun kroost te dopen, omdat dit ‘onbijbels’ zou zijn. De Vrije Baptisten Gemeente in Groningen zit bomvol ‘bekeerde’ vrijgemaakten, die zich in zekere zin hebben ‘vrijgemaakt’ van de kinderdoop. Voorganger Wim Stoorvogel van deze kerk, een ex-vrijgemaaakte, eist van nieuwe gemeenteleden dan ook dat ze zich moeten laten ‘overdopen’. De vrijgemaakte kinderdoop, is zijn ogen eigenlijk geknoei met water.

    Besluit
    Volgens Kuitert hebben Schilders volgelingen de grote theoloog ‘in de dop gehouden’. Dit is deels waar. Schilder belandde, dankzij zijn nadruk op de objectieve waarheid, zijn kritiek op cultuur en zijn compromisloze consequentiedenken, op eigen kracht in de dop. Toen hij vlak voor zijn overlijden uit de dop wilde klimmen, was het te laat. De vrijgemaakte wereld heeft Schilders alles-of-niets-methode en zijn dus-dus-redeneringen overgenomen, maar de existentiële en intellectuele achtergrond van Schilders denken is in dit proces verloren gegaan. Degenen die de intellectueel Schilder waarderen, worden vaker buiten vrijgemaakte (en evangelische) kringen aangetroffen. Vrijgemaakten hebben niet het monopolie op de brede intellectuele theoloog die Schilder ook was. Schilders erfenis is dus van ons allemaal, dus iedereen kan Schilderen.

    Tags: Klaas Schilder
    Read More
  • Uit de oude doos: ‘Op mij heeft het niet zinneprikkelend gewerkt’

    0

     

    Hieronder een prachtig fragment uit het interview van Bibeb in Vrij Nederland met Pieter Jongeling, kinderboekenschrijver, journalist en voorman van het Gereformeerd Politiek Verbond:

    P.J.: “Ik heb naar de uitzending (van een nudistenkamp, EHK) gekeken omdat ik toen al dacht, ik ga hier over vragen stellen. Ik vond het niet een zinneprikkelend programma, niet in sterke mate, nee. Als in Nederland naakte mensen permissie hebben in een kamp met elkaar te vertoeven, goed, maar laat men ze niet op de TV brengen. Dan krijg je als kijker een soort voyeursgevoel, je bent een gluurder. Laat ze daar blijven, daar zijn die beschermende bossen voor.”
    Ik: ‘Naakte vrouwen kunnen heel mooi zijn’.
    P.J.: ‘Natuurlijk, zoals ze door God zijn geschapen. Je hebt zeer knappe mensen. Maar ik meen, dat het op de TV niet mag, de TV werpt het in elke huiskamer.’
    Ik: ‘U vond het niet zinneprikkelend.’
    P.J.: ‘Op mij heeft het niet zinneprikkelend gewerkt.’
    Ik: ‘Wat is zinneprikkelend?’
    P.J.: ‘In het algemeen. Ik kan me heel goed voorstellen… wel, foto’s die zinneprikkelend zijn, en met boeken net zo… Dat hangt af van de wijze waarop het beschreven wordt, hoe of iemand z’n verhaal weet te laden. De bijbel spreekt ook over sexuele onderwerpen, maar daar heb je niet die bewuste lading die tracht bij mensen van vlees en bloed, de zinnen te prikken.’
    Ik: ‘Dit is een sexy tijd.’
    P.J.: ‘Ik geloof dat daar iets tegen gedaan moet worden. Ik vind publieke tolerantie niet goed. We moeten onze kinderen opvoeden in het besef dat dat niet mag. Omdat God het niet wil. Omdat het de bandeloosheid in de samenleving bevordert.’
    Ik: ‘Wat moet er tegen gedaan worden?’
    P.J.: ‘De overheid moet duidelijk tegen excessen optreden bij TV, radio en pers. Het is goed dat er vrijheid is, maar uitwassen moet de overheid niet dulden. Ik dacht dat een dergelijke houding bij een groot publiek instemming zou hebben. Excessen moeten krachtig worden geweerd.’
    Ik: ‘Welke?’
    P.J.: ‘Naaktcultuur en pornografie. Ja (wordt rood in het gezicht) dat bent u niet met me eens, maar stel, dat dezelfde vorm die nu voor boeken en geschriften geldt wordt toegepast op antisemitisch werk. Er is bij ons een latent antisemitisme geweest in het verleden, gelukkig niet zo erg. Stel dat geschreven wordt, mensen kijk, die joden zijn toch niet zo best. En zoiets komt voor de rechter en dan wordt er gezegd, ja, maar dat is toch wat er bij velen leeft… Stel… Nou, dan wordt toch een fundament gelegd van drijfzand.’ (…)
    Ik: ‘In de zendtijd voor politieke partijen werd, terwijl u sprak, een filmpje vertoond waarin je naakte Papoea’s zag in kano’s. Vindt u dat niet erg?’
    P.J.: ‘Wel deze mensen zijn niet in een christelijke cultuur groot geworden maar in de heidense cultuurwereld. Langzamerhand komen ze met het christendom in aanraking. West-Papoea, Irian, is gedeeltelijk gekerstend. Ik heb daarover boeken voor de jeugd geschreven. (…) Ik heb getracht de nacht van heidendom en ellende ook te tekenen. Dat stuk nood… daaruit moeten ze geholpen worden. Dat is een taak, ook van de zending.’
    Ik: ‘En het naakt?’
    P.J.: ‘Naakt is een probleem dat je niet met kinderen behandelt. Wambo draagt trouwens een lendenschortje.’

    Uit: Bibeb, ‘Jongeling: “Wij hebben ons land lief als ‘n instrument dat God gebruikt om te ordenen”‘, Vrij Nederland 29 (1 februari 1969).

    Tags: Bibeb, Pieter Jongeling, Vrij Nederland
    Read More
  • Recensie Roel Kuiper ‘Het GPV: klein maar krachtig’

    0

    Onderstaande recensie, geschreven door Roel Kuiper van de ChristenUnie, verscheen in december 2011 in De Reformatie, het kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt). 

    Op 25 mei promoveerde dr. Ewout Klei aan de Theologische Universiteit van Kampen op een proefschrift over de geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond. Een opvallende promotie. In de eerste plaats omdat het GPV voor het eerst onderwerp is van een omvangrijke wetenschappelijke studie. In de tweede plaats omdat dit boek iets zegt over een episode in de vrijgemaakte wereld die in 2003 tot een einde kwam. Het GPV was meer dan een politieke partij, het was een kernorganisatie van de vrijgemaakte verzuiling, zoals de ARP dat ook ooit was geweest. Toen het GPV fuseerde met de RPF verloor de vrijgemaakte wereld een gezichtsbepalend instituut. Maar het GPV was gaandeweg ook het symbool geworden van de geslotenheid en het isolement van die wereld. Toen de urgentie van christelijke krachtenbundeling in een seculariserend Nederland steeds sterker werd, kon het GPV niet meer de vaste burcht zijn die het altijd was. Over die geschiedenis en de beoordeling daarvan gaat het boek van Ewout Klei.
    Laat ik vooropstellen dat het goed is dat er een doorlopend en samenhangend relaas beschikbaar is van de hele geschiedenis van het GPV. Over de oprichting, het ‘ethisch conflict’ met de ARP, het Amersfoorts Congres van 1948, de ‘doorgaande reformatie’ en de eerste jaren van het GPV was al het nodige verschenen. Over de jaren daarna veel minder. Er is nu een samenhangend verhaal over de 55 jaar waarin het GPV bestond.
    Tot aan 1959 worstelde het GPV met zichzelf. De verhouding tot de ARP bleef schuren en interne conflicten stapelden zich op. Dankzij mensen als A.J. Verbrugh bleef het GPV als politieke partij overeind, want interne persoonlijke kerkelijke spanningen deden de partij meer kwaad dan goed. In 1959 miste het GPV op een haar na een zetel in de Tweede Kamer, maar wist deze in 1963 toch te bemachtigen. Vanaf dat moment begon de partij te marcheren, soms letterlijk op landelijke toogdagen, begeleid door militaire marsmuziek. Het was Piet Jongeling die het GPV en daarmee de vrijgemaakte wereld een gezicht gaf. Het was een positief, principieel en blijmoedig gezicht. Jongeling heeft veel betekend voor de aansluiting van de vrijgemaakte wereld bij het publieke leven in Nederland. Zijn opvolger Verbrugh, van 1977-1981 de voorman in de Kamer, slaagde er veel minder in met zijn publieke optreden de harten te veroveren. Hij was iemand van vergezichten en projecten met ruime ambities die slechts in beperkte mate herkenning opriepen bij de buitenwacht. Vreemd genoeg was Verbrugh in partijpolitieke zin de practicus, de man die de ziel vormde van wat Klei de ‘politieke richting’ in het GPV noemt (in onderscheid met de ‘kerkelijke richting’). Was Verbrugh de ideoloog, zijn opvolger Schutte was de man uit de wereld van praktische wetten en staatsrechtelijke zuiverheid. Jongeling had de vrijgemaakten een politiek gezicht gegeven, Schutte liet zien hoe je als kleine partij in de Kamer vruchtbaar kunt opereren. Het bezorgde het GPV veel respect maar slechts beperkte groei. In 1989 kwam er een tweede zetel bij die behouden bleef tot 2002 toen de ChristenUnie voor het eerst als opvolger van GPV en RPF bij de stembus verscheen. Daarmee kwam een periode van veertig jaar onafgebroken presentie in de Tweede Kamer (met slechts vijf vertegenwoordigers!) tot een einde.
    Ewout Klei heeft een goed leesbaar boek geschreven, een partijgeschiedenis van voor tot achter. Toch is het een boek met een beperkt perspectief en met een vraagstelling die soms een valse belichting geeft van waar de partij voor stond. Het is een boek geworden dat vooral vanuit het interne perspectief is geschreven en het belicht vooral de binnenwereld van de partij. Het gaat over de interne ‘ethische conflicten’, over vele vergaderingen met onbevredigend slot, over eindeloze samenwerkingsdiscussies, over een confessioneel idioom dat uiteindelijk zo uitgeput was geraakt dat het niet meer kon inspireren. Wie het boek grondig leest, treft regelmatig de toon aan dat dit alles niet meer was dan de marginale luxe van een folkloristische groep. Het boek belooft inzicht te geven in het GPV als ‘morele gemeenschap’ en wil licht werpen op processen als verzuiling en ontzuiling, maar komt daar nauwelijks aan toe. Het zou goed geweest zijn de ontwikkeling van het GPV in een wat groter kader te plaatsen. Kleine partijen horen bij het Nederlandse politieke landschap. Zij vertegenwoordigen een stroming of staan symbool voor een krachtig idee en geven gezicht aan de diversiteit die eigen is aan de Nederlandse samenleving. Het GPV is niet een eendagsvlieg gebleken, maar is een stabiele partij geworden met een serieus optreden in de Nederlandse politiek en verdient het niet uitgezwaaid te worden met de conclusie dat de partij restant was van een verdwijnend verzuild verleden met een ‘min of meer folkloristisch karakter’ (323-324).
    Zou Ewout Klei dergelijke conclusies verbinden aan aspecten van de partijcultuur alleen dan zou hier nog overheen te stappen zijn, maar het probleem met dit boek is dat het ook de inhoudelijke standpunten van het GPV als buitenissig aanmerkt. Met enige verwondering heb ik de vraagstelling gelezen. Vanaf het begin van het boek wordt het GPV bezien als groepering met een overtuiging die ‘behoorlijk afwijkt’ van wat ‘normaal’ heet (11). De vraag van Klei is nu hoeveel ruimte een seculiere meerderheidscultuur wist te geven aan partijen als het GPV met hun ‘niet-normale’ orthodox-christelijke geluid. Deze vraag kan principieel niet worden beantwoord (en wordt ook niet beantwoord). Wie bepaalt hier wat normaal en niet-normaal is? Het GPV heeft gewoon binnen de kaders van de democratie zich kunnen ontwikkelen en heeft geen enkele formele belemmering ervaren om zijn geluid uit te dragen. Dat het GPV in de RPF uiteindelijk een bondgenoot herkende had niets te maken met toenemende publieke intolerantie jegens het GPV – integendeel, de partij werd breed gewaardeerd -, maar met de erkenning dat gescheiden optrekken van Bijbelgetrouwe christenen in een seculariserend Nederland niet langer verdedigbaar was.
    Intussen sluit Klei zich aan bij het subjectieve vooroordeel van de meerderheidscultuur. Het GPV had opvattingen die niet ‘normaal’ waren. De partij bracht een ‘afwijkend geluid’ en een ‘afwijkende mening’ naar voren (14) en Klei ziet hierin blijkbaar een probleem. Waarom? Wat is er mis met het geluid van actieve gereformeerden, nota bene calvinisten die zich diep geworteld weten in Nederland en daar uiting aan willen geven? Is de essentie van democratie niet dat iedere groep zijn grondovertuiging publiek mag uiten en in het publieke debat mag inbrengen? De vraag geeft daarom een valse belichting van de geschiedenis van het GPV. Klei ziet hierin vooral een folkloristische minderheid met een buitenissige boodschap.
    Wie zo naar de geschiedenis van het GPV kijkt, moet wel bepaalde essenties missen. De wereld van het GPV wordt bevolkt door mensen met onwerkelijke ideeën. Zelfs Jongeling, de man die een nuchtere en principiële antirevolutionaire politiek bedreef in de Kamer, heet ‘aandoenlijk’, iemand die ‘geen bedreiging’ vormde en ‘buiten de politieke en maatschappelijke werkelijkheid’ stond (129). Dit zijn meer dan ongelukkige formuleringen, dit zijn de opinies van de promovendus. Het GPV heeft daarmee niet het verhaal gekregen dat zij ook verdient. Dat is het verhaal over een groep Kuyperiaanse gereformeerden die gekwetst door kerkelijke ontwikkelingen en ondanks hun verzet tegen bepaalde ‘gedachtenconstructies’ van Kuyper diens geestelijke erfenis verder ontwikkelden. Dat is een verhaal over de poging een gereformeerde politiek te ontwikkelen – al was het op een te smalle kerkelijke basis – dat een alternatief kon zijn voor een seculiere of verwaterde christelijke cultuur. Dat veel christenen zich in dit geluid hebben herkend geeft aan dat het GPV erin slaagde een aantrekkingskracht te ontwikkelen ver buiten de door de partij zelf getrokken grenzen. Opmerkelijk genoeg verkleinde dit uiteindelijk de stap naar de ChristenUnie. Terecht zegt Klei dat deze stap in zekere zin een ‘hergroepering’ is en nog geen ‘ontzuiling’. Dit boek laat, ondanks zichzelf, zien dat de worsteling om die geestelijke erfenis een zaak van gelovige volhouders is geweest en dat deze worsteling uiteindelijk niet tevergeefs is geweest. Het heeft veel betekend voor de positionering van vrijgemaakt-gereformeerden in de samenleving. Het heeft ook bepaalde attitudes tot leven gebracht en een zeker geestelijk klimaat geschapen. Daarin is Klei echter niet doorgedrongen. Het verhaal over die kant van de zaak zou een ander boek vergen.
    N.a.v. Ewout Klei, ‘Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek’. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003, Amsterdam: Bert Bakker, 2011, 455 pp.

    Tags: GPV, Roel Kuiper
    Read More
  • Repost: Mandela: held, geen heilige

    0

    Onderstaande artikel stond op zaterdag 19 juli 2008 in het Nederlands Dagblad.

     File:Soviet Union stamp 1988 CPA 5971.jpg

    Door: Ewout Klei

    Op 18 juli j.l. vierde Nelson Mandela zijn negentigste verjaardag. In Europa en Noord-Amerika wordt hij gezien als een levende legende, een heilige die in ons midden is. Na een gevangenschap van 27 jaar was hij het die op vreedzame wijze een einde maakte aan het racistische apartheidsregime in Zuid-Afrika, waar een blanke minderheid de zwarte meerderheid onderdrukte. Dat deze machtsoverdracht zo vreedzaam verliep werd door weinigen verwacht. Het lag meer voor de hand dat de rollen zouden worden omgedraaid en in plaats van de zwarte meerderheid nu de blanke minderheid zou worden achtergesteld, maar dat wilde de ex-gevangene niet. De nieuwe president preekte geen wraak maar vergeving en kreeg daardoor bedoeld/onbedoeld(?) heel veel moreel gezag, maar toch eigenlijk vooral bij de blanken die niet in Zuid-Afrika wonen.

    Dat Mandela eigenlijk een blanke heilige is bleek vooral uit het op de publieke omroep uitgezonden popconcert op Hyde Park in Londen op 27 juni, toen hij door een boel beroemde zangers en zangeressen – waaronder uiteraard ‘Saint’ Bono van U2 – werd gefêteerd. De goede man zelf hoefde bijna niets te zeggen. Hij kwam het podium opschuifelen, glimlachte en maakte op kalme toon reclame voor zijn stichting 46664 die aids bestrijdt. Nadat Bono en ‘The Edge’ (de gitarist van U2) Happy Birthday zongen was het feest voorbij en kon iedereen naar huis.

    Het popconcert riep gemengde gevoelens bij mij op. Enerzijds is Mandela in mijn ogen een held, iemand die net samen met Winston Churchill, Franklin Delano Roosenvelt, Mahatma Gandhi, Peter Benenson en Václav Havel in het rijtje ‘de grootste wereldburgers van de 20ste eeuw’ thuishoort. Anderzijds gruw ik ook van helden- en heiligenvereringen omdat er mijns inziens geen heiligen bestaan en door zo focussen op de goedheid van een persoon de werkelijkheid geweld wordt aangedaan.

    Die werkelijkheid heet in het geval van Mandela Zimbabwe, waar de vierentachtigjarige president/dictator Robert Mugabe – toen hij in de jaren zeventig verzetsstrijder was net als Mandela een held in de ogen van links en een terrorist in de ogen van rechts – met grof geweld de oppositie onderdrukt om maar aan de macht te blijven. Hoewel Zuid-Afrika en de Afrikaanse Unie nou niet bepaald blij zijn met Mugabe willen ze onder geen beding westerse (=koloniale) bemoeienis met zijn land en houden ze hem de hand boven het hoofd. Vooral de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki steekt zijn hoofd in het zand, zoals hij dit in 2000 ook deed ten aanzien van aids dat volgens Mbeki allereerst het gevolg is van armoede en van onveilige seks. Maar waar Mandela in het geval van aids zijn opvolger op de vingers tikte (hoewel Mandela tijdens zijn eigen presidentschap over aids zweeg), laat hij het nu na om Zimbabwe te veroordelen. Tijdens zijn toespraakje op het popconcert sprak hij alleen over het ‘falend leiderschap’ in Zimbabwe. Niks over het grof geweld tegen Zimbabwaanse burgers, niks over de intimidaties, moorden en verkrachtingen en het gesjoemel bij verkiezingen. Het falend leiderschap slaat daarom – helaas – ook op Mandela zelf. Hij is namelijk de enige in Afrika met moreel gezag om zich tegen de Zimbabwaanse misstanden en de terreur van Mugabe uit te spreken. Dat hij dit nalaat is laakbaar.

    In het NRC-Handelsblad van vrijdag 18 juni schreef Bram Vermeulen naar aanleiding van Mandela’s Happy Birthday een kritische beschouwing. De kracht en de zwakte van Mandela ligt in zijn trouw aan het African National Congres (ANC). Alles moest voor het ideaal van het ANC wijken. Door dit ideaal gaf hij niet op en werd hij het symbool voor de strijd tegen het onrecht en dat het goede overwint. Maar door het belang van het ANC zo sterk voorop te stellen is hij niet kritisch genoeg over de misstanden waar Zuid-Afrika en het ANC nu mee kampen, zoals de groeiende criminaliteit en de opkomst van de zeer omstreden Jacob Zuma. Dit is heel goed te begrijpen, je valt niet zomaar je eigen mensen af, maar juist is het niet.

    De wereld kent helden maar geen heiligen. Mandela is een held verdient respect, veel respect, maar ook hij is niet volmaakt. Het is niet bepaald zonder risico mensen op een voetstuk te zetten, want daardoor raak je het zicht op de – helaas – vaak zo weerbarstige werkelijkheid kwijt. Net zoals de mythe van de grote trek van 1838, door blanke boeren gekoesterd en gebruikt om de apartheid te legitimeren, moet men tegenwoordig uitkijken de mythe Mandela niet buitenproportioneel op te blazen. De waarheid is namelijk niet zwart-wit.

    Tags: ANC, Apartheid, Bono, Jacob Zuma, Nelson Mandela
    Read More
  • De ware erfgenaam van Groen en Oranje. Het historische zelfbeeld van het Gereformeerd Politiek Verbond

    0

    Onderstaande artikel moet nog verschijnen in het Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen.

     

    Door: Ewout Klei

    In 1976 was het honderd jaar geleden dat G. Groen van Prinsterer, grondlegger van de protestants-christelijke stroming in de Nederlandse politiek, was overleden. De Antirevolutionaire Partij en Christelijk-Historische Unie wilden Groen graag herdenken en vroegen ook het Gereformeerd Politiek Verbond om aan deze gezamenlijke herdenking mee te doen. Het GPV had hier echter totaal geen behoefte aan omdat het onjuist zou zijn “om samen met degenen die Groen van Prinsterer metterdaad hebben verloochend zijn sterfdag te herdenken”.[1] In Zwolle organiseerde de kleine partij een eigen bijeenkomst, waarvoor men alleen de Staatkundig Gereformeerde Partij uitnodigde. De vrijgemaakt-gereformeerde kerkhistoricus J. Kamphuis schreef voor deze gelegenheid een brochure over Groen, die werd uitgegeven door het wetenschappelijk instituut van het GPV: de Groen van Prinsterer Stichting.[2]

    Het Gereformeerd Politiek Verbond had zich in 1948 losgemaakt van de ARP als gevolg van de kerkelijke Vrijmaking van 1944, toen onder leiding van de Kamper theoloog K. Schilder zo’n tachtigduizend kerkleden uit de Gereformeerde Kerken in Nederland stapten en een nieuw kerkgenootschap begonnen. Het GPV was de partij van de vrijgemaakt-gereformeerden. In de praktijk konden alleen vrijgemaakten lid worden van de partij. In sommige plaatsen konden niet-vrijgemaakten wel lid worden van de kiesvereniging, maar dit kwam zelden voor en zorgde bovendien vaak voor veel gedoe. In de ogen van de ARP was het GPV daarom een sektarisch clubje van kerkistische scherpslijpers, waarvan niets positiefs te verwachten viel.[3] GPV’ers zagen zichzelf echter als de ware opvolgers van de ARP, die ook na de culturele revolutie van de jaren zestig trouw wilden blijven vasthouden aan de erfenis van Groen van Prinsterer en strijden tegen ongeloof en revolutie.

    Over de oprichting van het GPV en de interne partijgeschiedenis is op basis van bestuursnotulen uit het partijarchief het één en ander geschreven. Uit deze artikelen komt het beeld naar voren van een partij die werd verteerd door felle conflicten. GPV’ers hadden – in ieder geval officieel – een heel ander beeld van hun partij. Het GPV was ten eerste een gereformeerde partij, een principieel christelijke partij die stond op de vaste en enige grondslag van Schrift en Belijdenis. Ten tweede was het GPV ook een nationale partij, een partij die geen sektarische groepsbelangen vertegenwoordigde maar het heil van de natie voor ogen had, en bovendien de nationaal-gereformeerde stroming in de Nederlandse politiek vertegenwoordigde. In beide zelfbeelden speelde de geschiedenis een belangrijke rol. De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) waren de ware voortzetting van de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem en het GPV was geen nieuwe partij maar vertegenwoordigde een geestelijke stroming die er altijd al was geweest. Een onderzoek naar het historische zelfbeeld geeft meer inzicht in de partijcultuur van het GPV. Hoe ontwikkelde dit beeld zich in de loop van de tijd? Hoe verhield het zich tot het historische zelfbeeld van de kerk? Welke visie had het GPV op het nationale verleden en op het eigen verleden? Hoe werd het historische zelfbeeld gebruikt om uitdagingen te lijf te gaan en nieuwe ontwikkelingen te duiden? En waarom verdween dit beeld langzaam? Het artikel is chronologisch van opzet. In paragraaf I handelt over de periode 1948-1963 toen het GPV nog niet in de Tweede Kamer was vertegenwoordigd en zich tegenover de vrijgemaakte kiezers duidelijk wilde onderscheiden van de ARP, paragraaf II gaat over de periode 1963-1977 toen het GPV werd geleid door P. Jongeling, zich ook richtte op niet-vrijgemaakte kiezers en een tegenbeweging tegen de culturele revolutie wilde vormen, in paragraaf III wordt de periode 1977-1988 behandeld toen het GPV werd uitgedaagd door de Reformatorische Politieke Federatie en een groeiende groep partijleden die met deze partij en de SGP electoraal wilden samenwerken, in paragraaf IV staat ten slotte de periode 1988-2000 centraal toen het GPV zijn veertigjarige en vijftigjarige jubileum herdacht, zich openstelde voor niet-vrijgemaakten en tenslotte met de RPF opging in de ChristenUnie.

     

    1. Doorgaande lijn

    De vrijgemaakten waren in hun beleving geen nieuwe kerk begonnen maar teruggekeerd tot Schrift en Belijdenis.[4] Ze zetten de “doorgaande lijn” die God in de geschiedenis met Zijn kerk ging voort.[5] Deze liep van de Reformatie van de zestiende eeuw, via de Afscheiding van 1834, de Doleantie van 1886 en de Vereniging van 1892 uit op de Vrijmaking van 1944. De oprichting van het GPV was een gevolg van de kerkelijke vrijmaking. De ARP was, omdat de meeste leden van deze partij synodaal-gereformeerd waren, in de ogen van de vrijgemaakte leiders verdacht. Omdat de ARP de bezwaren van vrijgemaakten niet in behandeling wilde nemen werd in 1948 het GPV opgericht en in 1949 het contact afgebroken. De vrijmaakten benadrukten echter dat zij ook de ware politieke lijn voortzetten: “Om antirevolutionair te blijven breken wij met de Anti Revolutionaire Partij.”[6] In het GPV-orgaan Ons Politeuma schreef J. Vermeij dat de ARP met de weigering de gevolgen van het kerkelijk conflict te bespreken ook de ‘heilige continuïteit’ had afgewezen. Vermeij beriep zich op Deuteronomium 5:3: “Met onze vaderen heeft de Heere dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij, die hier heden allen levend zijn.” God vernieuwde Zijn verbond. De vrijgemaakten waren het nieuwe verbondsvolk geworden, omdat de synodaal-gereformeerden afvallig waren geweest.[7]

    Het GPV werd in zijn begintijd gedomineerd door de predikanten F.A. den Boeft en Joh. Francke en de schoolmeester D.C. Haak. Zij vonden dat het GPV niet uit moest zijn op macht maar het getuigenis van de kerk moest laten doorklinken in de politiek. Het was niet erg als het GPV bij verkiezingen geen zetels halen. Het meedoen aan de verkiezingen an sich was al een getuigenis. Omdat het GPV als de ware partij van de ware kerk zuiver moest blijven mocht er onder geen beding electoraal worden samengewerkt met andere partijen, zoals bijvoorbeeld de SGP. Volgens Haak werd dan de enige grondslag van Schrift en Belijdenis gerelativeerd.[8]   Het GPV-bestuur kampte in de jaren vijftig met hevige interne conflicten die ervoor zorgden dat er vanuit het GPV weinig leiding uitging. Veel invloed op de vrijgemaakte politieke opinie had daarom de latere GPV-leider Jongeling, die als journalist van De Vrije Kerk (1945-1948) en als hoofdredacteur van het Gereformeerd Gezinsblad (vanaf 1967 het Nederlands Dagblad) elke dag lange hoofdcommentaren schreef op het nieuws. Het historische zelfbeeld van het GPV in deze jaren was vooral Jongelings constructie.

    Jongeling had zich vol overgave gecommitteerd aan de “doorgaande reformatie” en was – net als Den Boeft, Francke en Haak – van mening dat de vrijmaking op alle terreinen van het leven moest worden doorgevoerd. Hij schetste de vrijgemaakten als een kleine kudde, beschermd door God en bedreigd door het woeden der gehele wereld. De wereldgeschiedenis draaide volgens Jongeling om “de totale oorlog tussen de kerkvergaderende Christus en de kerkverwoestende satan”.[9] De vrijgemaakten stonden in het centrum van de wereldgeschiedenis en de duivel deed er alles aan om ze dwars te zitten. Moderne ontwikkelingen bekeek Jongeling daarom met een diep wantrouwen. De Verenigde Naties, het streven naar een federaal Europa, de dekolonisatie van Indonesië en de Wereldraad van Kerken waren allemaal gericht tegen het Koninkrijk Gods en het Koninkrijk der Nederlanden.[10]

    In 1956 verscheen het boek Terwille van het koninkrijk waarin een aantal hoofdartikelen van P. Jongeling uit de periode 1947-1955 deels bijgewerkt waren gebundeld. Bij gebrek aan een leesbaar GPV-boek werd dit een officieus standaardwerk van de partij.[11] In het hoofdstuk ‘Wording en verwording van ons staatsbestel’ betoogde Jongeling in navolging van Groen van Prinsterer dat de hand van God in de geschiedenis was aan te wijzen. God beloonde de vromen en strafte de goddelozen. Jongeling koppelde dit aan de kerkgeschiedenis. Ging het goed met de kerk dan ging het goed met het land. Maar als de kerk afdwaalde dan ging het land ten onder.

    In de zestiende eeuw had God Willem van Oranje gebruikt als een instrument om Nederland van de Spaanse tirannie te bevrijden en de ware kerk te beschermen. Jongeling vond het daarom ook een “nationale schande” dat de overgrote meerderheid van het Nederlandse volk, ook van de gereformeerden, maar twee of drie coupletten van het Wilhelmus kende. Het volkslied moest op elke christelijke school en in elk christelijk gezin in zijn geheel geleerd worden. Na de Gouden Eeuw kwam in de achttiende eeuw de neergang, die volgens Jongeling te wijten was aan de invloed van de Verlichting. In de negentiende eeuw leek Nederland uit het diepe dal omhoog te krabbelen dankzij het optreden van Groen van Prinsterer. Deze opleving was echter maar tijdelijk. Groens opvolger Abraham Kuyper stichtte weliswaar de ARP maar bagatelliseerde met zijn leer van de gemene gratie de antithese tussen geloof en ongeloof, door te leren dat ongelovigen ook tot goede dingen in staat waren. Bovendien leerde hij dat er meerdere ware kerken waren. Dit was volgens Jongeling natuurlijk vragen om problemen. Ten tijde van Kuyper was de afval nog niet goed zichtbaar. Na de Vrijmaking en de oprichting van het GPV was het echter duidelijk dat de ARP “het oude spoor verlaten” had. De partij bood weliswaar weerstand tegen de Indonesische onafhankelijkheid maar verkocht in 1952 haar principiële antithetische opstelling “voor een schotel linzenmoes” door met de katholieke KVP en de socialistische PvdA een coalitie te vormen. De toekomst was volgens Jongeling, die uit het Handboek der Geschiedenis van het Vaderland van Groen van Prinsterer citeerde, “in donkere wolken gehuld”. Er was echter door Gods genade een klein begin van herleving. Het GPV, vrucht van de Vrijmaking, hief “de oude banier” op, “de banier van de belijdenis in het staatkundige leven”. Het GPV wilde “naar vermogen de geestelijke rijkdommen bewaren, welke God ons ook uit de politieke worsteling der vaderen deed toekomen (en) tevens zijn winst doen met wat de HEERE ons in en door de reformatie der Kerk (de Vrijmaking, EHK) weer klaar deed verstaan.”[12]

    Opvallend is dat Jongeling Groen van Prinsterer gebruikte als zweep om de ARP mee te slaan. Jongeling was niet de eerste die dit deed. Tijdens het interbellum beriepen de SGP en de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij zich ook op Groen om de samenwerking van ARP en CHU met de katholieken te hekelen.[13] Bovendien waren er meer vrijgemaakten die Groen voor hun karretje spanden. In de brochure Kracht en doel der politiek presenteerden theoloog C. Veenhof en oud-Kamerlid A. Zijlstra Groen van Prinsterer als een vrijgemaakte avant la lettre. De altijd hervormd gebleven Groen was volgens de auteurs “een kampvechter der afgescheidenen, criticus van de zonden der kerk, strijder voor de vrijmaking der kerk, worstelaar voor kerkherstel – door afscheiding, een staatsman niet! Een evangeliebelijder.” Ook Jongeling spande Groen voor zijn karretje en doorspekte zijn krant met citaten van zijn illustere voorganger en voorbeeld. Hij beriep zich verder op I. da Costa, A.M.C. van Hall, J.A. Wormser, J.C. Sikkel, D.P.D. Fabius en L. Lindeboom. Zij waren een wolk van getuigen. De strijd die door de getuigen in de negentiende en begin twintigste eeuw werd gevoerd voor reformatie in kerk en staat voerden de vrijgemaakten nu. Jongeling maakte zeer selectief gebruik van zijn bronnen en citeerde alleen wat hem pas kwam. Zo zweeg hij over het feit dat Wormser aan het eind van zijn leven terugkeerde naar de Nederlandse Hervormde Kerk en dat Sikkel zijn standpunt over de centrale rol van de kerk herzag, en later meende dat de zorg voor de maatschappij moest worden overgelaten aan particulier initiatief.[14]

    Op 1 april 1958 bestond het GPV tien jaar. Vanwege een onoverbrugbaar conflict in het GPV-bestuur werd de tienjarige verjaardag niet in het GPV-orgaan Ons Politeuma herdacht. Jongeling daarentegen wijdde in het Gereformeerd Gezinsblad vier hoofdartikelen aan de oprichting van het GPV. Aan zijn vrijgemaakte lezers wilde Jongeling duidelijk maken waarom het tien jaar geleden nodig was om te breken met de ARP en een vrijgemaakte partij op te richten. Jongeling legde uit dat de keuze voor het GPV een moeilijke geloofsbeslissing was geweest. Men maakte zich niet zomaar vrij van de ARP, maar hier ging een geloofsworsteling aan vooraf. Iedereen die hier vraagtekens bij durfde te zetten en dacht dat het een vooropgezette zaak van enkelingen was, sloeg de waarheid recht in haar gezicht. Ook vond Jongeling dat het GPV in het spoor van zijn oprichters verder moest gaan, dus een strakke band moest onderhouden met de ware kerk. Hij citeerde voor dit doel zeer uitgebreid uit de toespraak van Schilder op het Amersfoorts Congres van 1948 en verzweeg dat de in 1952 overleden vrijgemaakte kerkleider zelf nooit lid van het GPV was geworden. Volgens Jongeling sprak Schilder naar de Schrift en was zijn voorstelling van zaken daarom tijdloos, “want de waarheid veroudert niet en Gods Woord verandert niet.”[15] De strakke band die het GPV met de kerk had werd op deze manier een goddelijke legitimatie voorzien.

    Jongeling zweeg in zijn artikel over het feit dat het GPV nog nauwelijks electoraal succes had geboekt en dat de partij geplaagd werd door felle conflicten. Hij zei alleen dat het GPV ook zo zijn moeilijkheden had gehad, maar dankte God “dat Hij ons het G.P.V. heeft geschonken als een nuttig instrument waarvan Gods volk (de vrijgemaakten, EHK) zich mag bedienen bij het vervullen van zijn politieke roeping.” Ten slotte vond Jongeling dat het GPV wel meer aan politiek moest doen. Hoewel het belangrijk was dat de paritj op de goede grondslag stond, moest op dit fundament verder worden gebouwd. Impliciet leverde Jongeling dus kritiek op de a-politieke koers van GPV-leiders F.A. den Boeft, Joh. Francke en C. Smits. Al te openlijk kon hij dit echter niet doen.[16]

    Aan de interne conflicten van het GPV kwam in 1959 een einde toen de Algemene Vergadering het voltallige bestuur dwingende op te stappen. In 1960 werd er een nieuw bestuur gekozen. Het enige oude bestuurslid dat in het nieuwe bestuur terugkeerde was A.J. (Bart) Verbrugh. Hij en Jongeling zouden het GPV in de jaren zestig en zeventig domineren.

     

    2. Groen, Nederland en Oranje

    1963 was voor het GPV een belangrijk jaar omdat het GPV toen in de Tweede Kamer kwam met Jongeling. In de jaren vijftig was het GPV een partij van en voor vrijgemaakten, in de jaren zestig probeerde het GPV ook de steun van niet-vrijgemaakten te krijgen. De partij richtte zich in 1963 vooral op conservatieve Antirevolutionairen die zich gegroepeerd hadden rond de conservatieve bladen Tot vrijheid geroepen en Burgerrecht en in VERAR (Verontruste Antirevolutionairen). Het GPV profileerde zich tegenover deze kiezers niet als een vrijgemaakte partij maar als een partij die het traditionele AR-geluid nog wel liet horen. In tegenstelling tot de ARP stond het GPV vierkant achter de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika[17] en bleef de partij zich verzetten tegen de Publiekrechterlijke Bedrijfsorganisatie (PBO). Het GPV presenteerde zich vooral als een nationale partij die zeer vaderlandslievend en koningsgezind was. Waar de ARP de Europese integratie steunde en Nieuw Guinea wilde overdragen aan Indonesië, stond het GPV pal voor de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden en ging de verkiezingen in onder de leus “Den vaderland getrouwe”. In het verkiezingsmanifest[18] stelde het GPV zich onder het kopje “Wie wij zijn” aan het volk van Nederland voor: “Wij zijn Nederlanders, die de bezielende principes van de christelijke politiek in toepassing willen brengen en zo het goede van ons land willen bevorderen.” Christelijke politiek was volgens het GPV niet mogelijk zonder binding aan de belijdenis. Verder zei het GPV verder te willen gaan in het spoor van “grote voortrekkers” als “Prins Willem van Oranje, de graven van Nassau, Prins Maurits, de koning-stadhouder Willem III, en ook b.v. Aldegonde, Jan Pietersz. Coen, en Da Costa en Groen van Prinsterer”. Deze “confessioneel-gereformeerde richting”, die “er altijd in ons volk is geweest”, werd een tijdlang in de ARP voortgezet. Omdat Kuyper van de lijn van Groen afweek wilde het GPV de kritiek van L. Lindeboom, A.F. de Savornin Lohman, D.P.D. Fabius en vooral K. Schilder op Kuyper meenemen.

    Het verkiezingsmanifest bevatte de portretten van Willem van Oranje, Groen van Prinsterer en Schilder, die alledrie de confessioneel-gereformeerde richting (later noemde het GPV dit de nationaal-gereformeerde richting) in de Nederlandse politiek zouden vertegenwoordigen. Het GPV beriep zich dus op een nationale traditie maar de invented tradition waar de partij in haar verkiezingsmanifest mee kwam werd steeds smaller en exclusiever. Willem van Oranje was als “vader des vaderlands” er voor alle Nederlanders, Groen van Prinsterer verbond alleen de protestanten en Schilder alleen de vrijgemaakten. Het GPV was nationaal, maar nationaal waren alleen de GPV’ers.

    In 1967 ging het GPV de verkiezingen in onder de leus ‘Voor vorstenhuis en vaderland’. Jongeling was zeer geschrokken van de rookbom die Provo op 10 maart 1966 tijdens de bruiloft van Beatrix en Claus tot ontploffing had gebracht en meende dat de monarchie werd bedreigd. Omdat de autoriteiten te weinig deden zouden de ware vaderlanders hun geliefde van God gegeven Oranjevorst weer moeten beschermen, net als in 1918 tijdens de ‘revolutie’ van P.J.Troelstra. In de verkiezingsbrochure Bij de tweesprong trok Jongeling ook een parallel met het verleden en vergeleek de jaren zestig met de patriottentijd (1780-1787). Het was geen toeval dat het in 1781 anoniem verspreide pamflet Aan het Volk van Nederland van baron Joan Derk van der Capellen tot den Pol, waarin de Oranjes werden bekritiseerd, in 1966 opnieuw was uitgegeven.[19] Net als de patriotten waren de provo’s volgens Jongeling uit op revolutie en maakten ze de weg vrij voor buitenlandse overheersers. In de achttiende eeuw waren dat Frankrijk, in de twintigste eeuw de Sovjetunie.[20]

    Tijdens de verkiezingen van 1967 werd het GPV gesteund door het Nationaal Evangelisch Verband, in 1966 opgericht als steunorganisatie voor niet-vrijgemaakte GPV-sympathisanten. Het NEV kwam uit de koker van partij-ideoloog Verbrugh, die hier grootste plannen mee had. Het GPV moest samen met zijn bondgenoot het NEV een tegenbeweging vormen tegen de culturele revolutie van de jaren zestig. Doel van deze beweging was om het regeerkasteel te veroveren en Nederland te hervormen in christelijke zin.[21] Belangrijk voor het bondgenootschap waren de massabijeenkomsten die GPV en NEV samen organiseerden. De sfeer op deze Nationale Appèls herinnerde aan de vooroorlogse toogdagen van de ARP en Jongeling werd op eenzelfde manier toegejuicht als Colijn.[22] Toch waren de bijeenkomsten evenzeer een reactie op de happenings en sit-ins van links. GPV en NEV wilden laten zien dat er nog vele Nederlanders waren die wél trouw bleven aan het gezag. Op de bijeenkomsten hielden GPV-voormannen Jongeling en Verbrugh vurige speeches en zongen de aanwezigen oud-vaderlandse strijdliederen uit Valerius’ Gedenkklanck. In 1967 organiseerden GPV en NEV hun Nationaal Appèl in de Magriethal te Utrecht, waar meer dan vierduizend mensen op waren afgekomen. Er heerste een militaristische stemming. NEV-voorzitter J.P.A. Mekkes van het NEV sprak van een “geestelijke wapenschouw, staande in de militante, militaire sfeer die logisch past bij de geestelijk-politieke strijd” en Verbrugh had het over “een inspectie van de nationaal-gereformeerde troepen, die weer in Nederland kunnen worden verzameld.”[23] Een jaar later herdachten GPV en NEV de Slag bij Heiligerlee van 1568, het startschot voor de Tachtigjarige Oorlog. Op deze bijeenkomst was spraken ook Leo van Heijningen, ex-lid van de Boerenpartij, en ds. C.M. Graafstal, voorzitter van de Federatie van Christelijke Oranjeverenigingen. In zijn toespraak riep Graafstal zijn jonge luisteraars op om dienst te nemen bij de Nationale Reserve. Na een overdonderend applaus maakte Graafstal nog bekend dat hij wel eens met een pistool had geschoten, maar “alleen met onze mannen.”[24]

    Buitenstaanders stonden er bij en keken er naar. Henry Faas van De Volkskrant vroeg zich na een toespraak van Mekkes over de ‘leugen der democratie’ af of GPV’ers Oranjefascisten waren.[25] Ook vanuit eigen kring kwam er kritiek. Toen in augustus 1967 in Ons Politeuma een kadercursist een nieuw GPV-lied had geschreven, getiteld ‘Thans is de tijd gekomen’,[26] werd hier door de NRC de draak mee gestoken. De krant vroeg zich af “welke vrijgemaakte Jongeling of ouderling het in de toekomst het luidst zal zingen.”[27] Ds. M.J.C. Blok noemde het lied “een soort Horst-Wessel-lied, met een poging tot gereformeerde grondslag”[28] en GMV’er H.P. de Roos vond de kritiek van de NRC volkomen terecht:

     

    “Als er dan zo nodig een strijdlied aangeheven moet worden, waarom dan ons rijke psalmboek niet eens doorzocht? Ik zing liever: “De Heer zal opstaan tot de strijd, Hij zal zijn haters wijd en zijd doen vluchten”, dan dat ik moet zingen: “Wij zijn niet meer te tomen”, “Wij gaan de staat hervormen”. Ik ben het brallende J.V.-bondslied uit de tijd voor de oorlog nog niet vergeten. Geef ons alstublieft niet het gesnoef: “Wij, Gereformeerden”, van die jaren terug. Wij meenden in onze natie de lakens te kunnen uitdelen, maar hoe rot dat leven was bleek in de jaren veertig wel. Ik dacht dat we daarvan wel iets geleerd zouden hebben. Daarom mijn dringend verzoek: verhef dit lied niet tot “strijdlied” en laat het niet in Heiligerlee zingen. Graaf Adolf zou zich er voor schamen.”[29]

     

    Vrijgemaakte studenten konden er wel om lachen. In de jaren zestig en zeventig werd op de studentenverenigingen een parodie op het Horst-Wessel-lied[30] gezongen, waarvan het couplet luidde:

     

    “Die Fahne hoch, die Strassen frei,

    das GPV marchiert vorbei.

    Hundert man und ein Jungling

    jagen die Rest über die Kling.”

     

    Het GPV was niet ongevoelig voor deze kritiek. Ondanks het feit dat het GPV in de jaren zestig naar hedendaagse en toenmalige maatstaven behoorlijk nationalistisch was, wilden voormannen als Jongeling en de theoloog Kamphuis uit de buurt van de ultrarechtse Boerenpartij blijven. Zo zei Jongeling tegen Koers-redacteur R.Valkenburg:

     

    “Wij zijn géén nationalisten, dat is afgoderij, als men eigen regering, eigen staat, eigen natie boven God en Zijn Woord zet. Maar wij zijn wel Nederlanders, die naar Gods Woord wensen te leven.” [31]

     

    Jongeling had in de Tweede Wereldoorlog in het verzet gezeten en na zijn gevangenneming de verschrikkingen van het concentratiekamp meegemaakt, dus hij wist hoe gevaarlijk doorgeschoten nationalisme kon zijn. Kamphuis waarschuwde op het Nationaal Appèl van 1971 bovendien voor de verheerlijking van het gezag en het bouwen op een sterke man. Men moest volgens hem tegen revolutie én tegen reactie strijden, want het GPV was geen fascistische partij.[32] Tenslotte distantieerde ook fractiemedewerker Ad de Boer, later directeur van de Evangelische Omroep, zich duidelijk van reactionair rechts toen hij op het Nationaal Appèl van 1972 sprak over ‘Kolonels of kabouters’, daarmee doelend op het leger dat geassocieerd werd met orde en gezag, en op de anarchistische kabouterbeweging van ex-Provo Roel van Duijn.[33]

    In 1973 bestond het GPV 25 jaar. In tegenstelling tot 1958 had het GPV nu wel veel om met dankbaarheid op terug te kijken. Niet alleen had het GPV twee leden in het parlement (Jongeling en sinds 1971 Verbrugh) maar in 1966 na een lange periode van strijd ook een program van richtlijnen gekregen. Het GPV hield op 31 maart 1973, een dag voor de officiële verjaardag van de partij, een feestelijke bijeenkomst in de De Doelen te Rotterdam. Het was dubbel feest omdat Jongeling die dag jarig was en als leider van de partij weer in het zonnetje moest worden gezet.

    Hoofdspreker op de bijeenkomst was de Kamper theoloog C. Trimp, die de “nationaal-gereformeerde” richting in de Nederlandse politiek die het GPV meende te vertegenwoordigen in historisch perspectief plaatste. Het GPV was volgens hem niet zomaar een partij, maar vormde de kern van de Nederlandse natie. Zoals de Nederlandse opstand tegen Spanje in de zestiende eeuw geleid werd door “10 pct. calvinistische gereformeerden”, zo waren het nu de GPV’ers die “de vrijheid tot het publiek vereren van de waarachtige God” het krachtigst verdedigden. Hoewel Nederland in de negentiende en twintigste eeuw het toneel werd van kerkverval en secularisatie, bleven mensen als Groen van Prinsterer en Jongeling wijzen op het geboorte-verhaal van de Nederlandse natie, die zou zijn voortgekomen uit de kerk. Trimp noemde Groen en Jongeling in één adem, omdat Jongeling de ware erfgenaam van Groens erfenis was. De ARP had Groen verloochend en de Vrije Universiteit in Amsterdam, vroeger het centrum van gereformeerdheid, had de Bijbel overgeleverd aan de almachtige wetenschap. Het GPV had daarom de “historische roeping” om de “echt nationaal-gereformeerde grondtoon in een nieuwe tijd met nieuwe kracht ten gehore te brengen”. De stem van het GPV moest gehoord blijven worden. Eventuele invoering van een kiesdrempel, waardoor het GPV niet meer in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zou worden, was erg voor het GPV maar nog veel erger voor Nederland. Dat het GPV vanwege de strakke band met de kerk klein was en misschien ook wel bleef betekende niet dat de partij niets voorstelde. Nederland was qua omvang ook een klein land gebleven, omdat Willem van Oranje alleen door de calvinisten voor 100% werd gesteund in de strijd tegen Spanje.[34]

     

    3. Het zuivere volk van God en de Samaritanen

    Aan de relatieve openheid van het GPV kwam begin jaren zeventig voorlopig een einde. In 1972 werd onder druk van verontruste vrijgemaakten die de partij zuiver wilden houden de samenwerking met het niet-vrijgemaakte NEV opgezegd. Op 30 maart 1973, een dag voor de feestelijke bijeenkomst in De Doelen, besloot de Algemene Vergadering van het GPV bovendien om de kiesverenigingen Wezep en Voorthuizen te royeren. Het royement had een kerkelijke oorzaak. De leden van Wezep en Voorthuizen waren eind de jaren zestig als gevolg van een conflict in de kerk ‘buitenverbanders’ geworden, ze waren met andere woorden uit de kerk gezet. Omdat kerk en politiek in het GPV nauw op elkaar waren betrokken besloten sommige kiesverenigingen om hun buitenverbandse leden te royeren. Wezep en Voorthuizen waren echter in meerderheid buitenverbands zodat de Algemene Vergadering er aan te pas moest komen. Het Gelderse provinciale bestuurslid W.P. Balkenende, die in het vrijgemaakte kerkblad De Reformatie een artikel over het zilveren jubileum van het GPV schreef,  noemde het royement een pijnlijke insnijding die niettemin een confessionele versterking van de partij betekende: “Want de afgevaardigden van beide verenigingen zeiden wel de weg van het G.P.V. te willen gaan, maar dan losgemaakt van hun kerkkeus.”[35]

    Het royement van buitenverbanders zette kwaad bloed. De Kamper theoloog Veenhof, die in 1968 buiten verband raakte, ontwikkelde zich tot de belangrijkste criticaster van het GPV. Vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 vergeleek hij in een open brief het GPV met de communistische partijen van achter het ijzeren gordijn, omdat zij immers ook dissidenten het zwijgen oplegden. Ook beweerde Veenhof dat Groen van Prinsterer, als hij in nu zou hebben geleefd, vanwege zijn lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk geen lid van het GPV mocht worden.[36] Deze opmerking was pijnlijk omdat de partij haar wetenschappelijk instituut naar de 19e-eeuwse politicus had vernoemd en zich te pas en te onpas op Groen beriep. Niettemin had Veenhof boter op zijn hoofd, want hij was juist degene die in de jaren veertig net als Jongeling Groen als een negentiende-eeuwse vrijgemaakte afschilderde. In het Nederlands Dagblad en De Reformatie kreeg hij van vrijgemaakte scribenten dan ook een koekje van eigen deeg.[37]

    In 1978 herdacht het GPV zijn dertigjarige verjaardag. De herdenking was wat soberder omdat de partij haar tweede zetel in het parlement had verloren. Jongeling, ondertussen partijleider af, vergeleek in het partijorgaan Ons Burgerschap de oprichting van het GPV met de herbouw van Jeruzalem na de Babylonische ballingschap “in de druk der tijden”. Net als de Israëlieten toen kampten de GPV’ers nu namelijk soms ook met “tegenstand van “medewerkers””. Jongeling vergeleek hier het optreden van de RPF, die in 1977 tevergeefs meedong naar een Kamerzetel en er mede de oorzaak van was dat het GPV een zetel verloor, impliciet met het optreden van de Samaritanen. Na de ballingschap wilden de Samaritanen – verwant aan het joodse volk maar door de uit ballingschap terugkerende Israëlieten niet als stamgenoten erkend – meehelpen aan de herbouw van tempel, maar dit werd door Zerubbabel geweigerd. De Samaritanen gingen vervolgens de Israëlieten tegenwerken en beide volken werden gezworen tegenstanders. Een andere oorzaak van het conflict was dat de Samaritanen zich hadden vermengd met de heidense Kanaänieten, iets wat de Israëlieten verschrikkelijk vonden. Het GPV stond als het zuivere volk van God, de Israëlieten van het nieuwe verbond, tegenover de interkerkelijke RPF, het nieuwe mengvolk van de Samaritanen. Het grote gevaar dat het GPV nu bedreigde was volgens Jongeling niet zetelverlies maar verlies aan bezieling, aan liefde en trouw, aan Schriftuurlijk onderscheidingsvermogen.

    Het GPV had in 1977 niet alleen stemmen verloren aan de RPF maar ook aan het CDA. Jongeling herinnerde in zijn artikel aan de ARP, die na de oprichting van het GPV steeds verder was vervaagd en verlinkst en anno 1978 bezig was om op te gaan in het CDA.  De geschiedenis van de ARP was volgens Jongeling hét bewijs dat de GPV’ers in 1948 gelijk hadden. De C in het CDA zou namelijk niets voorstellen. In zijn artikel hield Jongeling ten slotte de ambities van het GPV kritisch tegen het licht. Aanvankelijk hadden vele GPV’ers gehoopt, “dat het kleine GPV in ons volksleven de katalysator zou worden die een proces van wederkeer tot de HEERE op gang zou brengen”. Dit was niet gebeurd. Volgens Jongeling was de arbeid van de GPV’ers daarom echter niet vruchteloos: “Wanneer mensen, eenlingen misschien, in hun woorden en daden God de eer geven die Hem toekomst en anderen opwekken om ook in de politiek naar Zijn geboden te leven, dan brengt dat in zichzelf al een zegen mee.” Goede politiek hing dus niet af van succes of relevantie, het ging om “het bijbelse getuigenis”. Door deze getuigenispolitiek moest er een “schifting” komen, “bekering of verharding”.[38]

    Probeerde het GPV in de jaren zestig nog het regeerkasteel te veroveren als tegenbeweging samen met het NEV, eind jaren zeventig was er van deze ambities niets meer over en leek de partij weer terug te vallen in haar oude reflexen: het GPV is een partij van en voor vrijgemaakten. Toch was dit niet zo. Een groeiende groep GPV’ers vond dat de partij wel moest samenwerken met anderen om zo het GPV-geluid in de vertegenwoordigende organen te versterken. De oude generatie GPV’ers vond succes en relevantie onbelangrijk, een nieuwe generatie GPV’ers wilde daarentegen wel meer invloed. Het meningsverschil spitste zich toe op de vraag of het GPV wel een lijstineenschuiving met RPF en SGP mocht aangaan als de eigen lijst zelfstandig geen zetel zou kunnen halen.[39] In 1981 trokken de voorstanders van lijstineenschuiving aan het langste eind. Lijstineenschuiving werd onder strikte voorwaarden toegestaan. Een aantal leden van de Generale Verbondsraad, het hoofdbestuur van het GPV, bleef zich echter uit alle macht tegen deze beslissing verzetten. Toen het GPV in 1984 besloot om samen met de RPF en SGP aan de Europese verkiezingen mee te doen stapten tien GVR-leden op. Volgens hun had het GPV door met andere partijen samen te werken de oude koers verlaten.[40]

    Aftredend partijvoorzitter J. van der Jagt was het inhoudelijk met de bezwaren tegen lijstineenschuiving eens. Als voorzitter moest hij echter de eenheid in de partij bewaren.  In zijn afscheidsrede zei hij dat het GPV aan zijn exclusief-vrijgemaakte identiteit had vastgehouden en dit in de toekomst zou (moeten) blijven doen. Hij herinnerde zijn toehoorders aan het feit dat het 1984 het jaar was dat Willem van Oranje 400 jaar geleden was overleden, de Afscheiding 150 jaar geleden had plaatsgevonden en 40 jaar geleden de Vrijmaking. Uit de geschiedenis bleek volgens Van der Jagt dat er een causaal verband was tussen kerk en politieke partij. Toen het slecht ging met de Gereformeerde Kerken (synodaal) ging de ARP ten onder. In 1980 was deze partij met CHU en KVP gefuseerd tot het CDA. Er waren mensen die zeiden dat GPV, RPF en SGP dan ook maar moesten fuseren. Van der Jagt was het hier uiteraard mee oneens: “We zouden, indien we die weg zouden inslaan, metterdaad bezig zijn om onze geboortepapieren te verscheuren.” Hoewel het GPV deze weg nu unaniem afwees, was Van der Jagt bang dat men in de toekomst misschien anders zou kiezen:

     

    “We herdenken dit jaar (…) dat God 40 jaar geleden reformatie gaf in Zijn kerk. Het getal 40 is een getal dat vaak in de Bijbel voorkomt. In tal van situaties. Ook in situaties waarin dat causale verband aanwezig is tussen enerzijds het verval van de kerk en de neergang van het leven in Israël als volk en anderzijds daarvan de opbloei van het hele leven. (…) Als God door Zijn richters reformatie had gegeven, dan, na 40 jaar, was die reformatie weer verzand. Er kwam dan een tweede generatie die de richter niet had gekend en dan ging het weer mis. Dan ging het ook in de politiek mis. Dan kwamen de aangrenzende volken Israël bezetten. Dit alles is ons beschreven tot onze lering. Ook wij zijn 40 jaar verder dan 1944. Neen, nu ga ik niet zeggen dat bij ons de reformatie verzand is. Er hoeft per definitie na 40 jaar geen verzande reformatie te zijn, dat is geen automatisme. Maar wel zullen we zelfonderzoek moeten doen. Er groeit ook bij ons een tweede generatie op, zelfs al een derde. En als die tweede generatie weinig weet van de grote daden die God 40 jaar geleden gedaan heeft, als een deel van de jeugd er weinig weet van heeft waarom er in 1948 een GPV is opgericht, is dat dan niet mede de schuld van de eerste generatie? Is er bij ons ook niet vaak een verflauwing te constateren?” [41]

     

    Van der Jagt zou gelijk krijgen. De nieuwe generatie vrijgemaakten dacht inderdaad anders over de kerk en over de verhouding tussen kerk en politiek. De exclusief-vrijgemaakte identiteit van het GPV kwam daardoor steeds meer onder druk te staan.

     

    4. Groeiende onzekerheid en evangelicalisering

    Na 40 jaar Vrijmaking herdacht men 40 jaar GPV. Op 23 april 1988 werd in Apeldoorn een grote gezellige familiedag gehouden waar (bijna) alle vrijgemaakte zuilorganisaties, die vanaf de jaren tachtig de G-organisaties werden genoemd, een standje hadden.[42] De jubileumbijeenkomst vormde zo een microkosmos van de vrijgemaakte wereld. De kinderen die met hun ouders waren meegenomen zongen aan het einde van de middag een ingestudeerd GPV-lied:

     

    “GPV, in de politiek,

    Klein maar krachtig, dát maakt ons uniek,

    GPV, gereformeerd geluid

    Dat roepen wij met alle stemmen uit,

    Want wij weten dat de toekomst van ons vaderland,

    Wordt geleid door God, wij zijn kind’ren aan Zijn hand.” [43]
    Het was een feest der zelfbevestiging. Dat was ook het Gedenkboek GPV 1948-1988 dat voorzien was van een oranje kaft en naast vele foto’s  van GPV’ers en GPV-activiteiten uiteraard ook een portret van koningin Beatrix en prins Claus bevatte. Volgens het SGP-gezinde Reformatorisch Dagblad was dit boek “een typisch verschijnsel van het gereformeerde volksdeel”. De krant plaatste het Gedenkboek in de traditie van de rijen gedenkboeken die waren verschenen van de Vrije Universiteit, van de Anti-Revolutionaire Partij, van de Unie “School en Evangelie. Net als die boeken van toen zou het Gedenkboek triomfalistisch van toon zijn en zich schuldig maken aan “mensverheerlijking” door de in 1985 overleden Jongeling en het huidige Kamerlid G.J. Schutte op te hemelen.[44] Hoewel deze observatie deels terecht was, klopte ze niet helemaal. Naast het artikel van Van der Jagt ‘Een partij als geen andere’, waarin de oprichting van het GPV werd verdedigd en Vrijmaking en Schilder werden bejubeld, bevatte het Gedenkboek ook het artikel ‘Een partij als geen andere’ van Henk Timmermans. De directeur van de Groen van Prinsterer Stichting had een wetenschappelijk-historisch verhaal geschreven over de 40-jarige GPV-geschiedenis waarin de menselijke factor in de geschiedenis werd benadrukt. Door het verleden (tot op zekere hoogte) te objectief te beschrijven, met afstand dus, bedreigde de jonge historicus het mythische historische zelfbeeld dat het GPV had geconstrueerd. Het GPV was niet zo uniek als men dacht. De partij kende ook interne conflicten en moest ook zetels halen bij verkiezingen om invloed uit te oefenen.[45]

    Het Gedenkboek liet dus twee historische beelden van het GPV zien: een normatief zelfbeeld waarin de keuzes van toen nog steeds geldig waren voor nu, en een historisch beeld waarin het verleden met een zekere distantie werd beschreven. Het GPV was ondanks alle feestvreugde een beetje onzeker over zichzelf. Dit bleek ook duidelijk uit het verzoek van de redactie van Ons Burgerschap aan de fractieleiders van andere politieke partijen om te reageren op de stelling ‘GPV: meer dan folklore’. Het GPV, de partij die naar eigen zeggen de nationaal-gereformeerde richting in het Nederlandse volk vertegenwoordigde die er altijd was geweest en die door Jongeling en Van der Jagt met het Oudtestamentische Israël was vergeleken, had toch alleen de goedkeuring van God nodig? Het maakte toch niet uit wat de wereld van het GPV dacht, want goede politiek stond toch los van succes en relevantie? In dit geval bleek het GPV niet te kunnen voldoen aan de hoge norm die de partij zichzelf had gesteld. In de Tweede Kamer was het GPV weliswaar klein en die kleinheid had alles te maken met de strakke band met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de strenge christelijke principes die de partij voorstond, maar Jongeling, Verbrugh en Schutte hadden alledrie wel hun best gedaan om als parlementariër serieus genomen te worden. Het was veelzeggend dat uitgerekend H.A.F.M.O. van Mierlo van D66, de partij die qua principes het verst van het GPV afstond, het meest complimenteus was. Van Mierlo prees het GPV omdat de partij spreekgestoelte in de Tweede Kamer niet gebruikte als preekstoel en zei bovendien de politiek van Schutte “eigentijdser, politieker, zakelijker en minder sectarisch” te vinden dan de getuigenispolitiek van RPF en SGP. Volgens Van Mierlo had Schutte waardevolle bijdragen geleverd in de debatten waar de staatsrechterlijke zuiverheid op het spel stond, zoals bij de Kieswetswijziging, de RVS-enquête, de wijziging van de wet sociale zekerheid.[46]

    In de jaren negentig nam de onzekerheid toe. Een nieuwe generatie vrijgemaakten, die de Vrijmaking van 1944 niet had meegemaakt, ervoer het ware-kerk-denken als een loden last  en wilde graag samenwerken met andere orthodox-protestanten. De echte tegenstelling was niet die tussen vrijgemaakt en niet-vrijgemaakt, maar tussen orthodox en vrijzinnig. Een belangrijke rol speelde het in 1992 opgerichte kerkblad Bij de Tijd, dat spreekbuis van de vrijgemaakte vernieuwers wilde zijn. Het blad wilde de vrijgemaakte zuil openbreken maar ook voorkomen dat een nieuwe generatie verloren zou gaan aan de wereld. Bij de Tijd keerde zich tegen daarom “geestelijke luiheid”, dat óf tot traditionalisme óf tot verwereldlijking zou leiden, en wilde dat er weer nieuw vuur in de kerken kwam.[47] Bij de synodaal-gereformeerden had kritiek op de eigen zuil geleid tot secularisatie, omdat veel gelovigen in navolging van enkele vrijzinnige theologen het gezag van de Bijbel ter discussie stelden. Vrijgemaakten, ook die van Bij de Tijd, wilden onder geen beding de ‘synodalen achterna’ en voor vrijzinnigheid en twijfel was daarom geen plaats. Wel kwam er steeds meer ruimte voor het gevoel, de religieuze beleving. Bij de Tijd stond erg open voor evangelische invloeden en maakte reclame onder andere voor de anti-abortusorganisatie Schreeuw om Leven, het Israëlcentrum in Nijkerk, de evangelische uitgeverij Novapres die Amerikaanse lectuur publiceerde en de uit Engeland afkomstige Alpha-cursus. Een groeiende groep vrijgemaakten begon als gevolg van deze ‘evangelicalisering’ ook anders over politiek en maatschappij te denken. Minder gereformeerd. Maar ook minder nationaal.

    De veranderingen in de vrijgemaakte wereld zorgden ook voor een andere sfeer op GPV-verkiezingsvergaderingen. Het GPV voelde de hete adem van de jonge, frisse en evangelische RPF steeds meer in de nek en wilde aantrekkelijk bleven voor de jonge vrijgemaakte kiezer. Toen het GPV op 9 april 1994 zijn campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen begon in de Bovenkerk te Kampen zong het gospelkoor Eternal joy met sopraan Barbara Lok enkele Engelstalige liederen, waaronder Shine Jesus, shine, Honour Him alone, The Rock of faith is Jesus, Come now Thy Kingdom en We beheld His glory. Hoewel er op deze vergadering ook op het orgel werd gespeeld en aan het eind het Wilhelmus werd gezongen, was het muzikale repertoire gans anders dan vroeger.[48]

    Toen het GPV in 1998 zijn 50-jarige jubileum vierde, dat tegelijk de aftrap was voor de verkiezingscampagne, was men nog een stapje verder gegaan. Zo’n 750 jongeren luisterden naar het optreden van de gospelster met oorbel Ralph van Maanen en deden spontaan de wave. Verder voerde een mimeteam voerde een mimespel op over de barmhartige Samaritaan en was er ook een asielzoekerskoor. Ten slotte zorgden senator K. Veling en ds. E. Brink voor een meditatie.[49] Het Zwolse gemeenteraadslid A. Slob, de coming man van het GPV en nummer drie op de lijst, was erg te spreken over de meditatie. De rillingen liepen over zijn rug toen de GPV’ers samen “Kom, Jezus kom, vul dit land met uw heerlijkheid. Kom Heil’ge Geest, stort op ons uw vuur” zongen.[50]

    Ter gelegenheid van het 50-jarige jubileum van het GPV verscheen er ook een gedenkboek, de bundel Het Amersfoorts Congres van 1948 onder redactie van de historici Rienk Janssens en George Harinck, waarin de oprichtingsgeschiedenis van het GPV kritisch werd besproken. Het ontstaan van het GPV volgde volgens de auteurs niet noodzakelijkerwijs uit de Vrijmaking, maar was vooral het werk geweest van een radicale groep in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) die het liefst meteen alle banden die men nog had met de synodaal-gereformeerden wilde doorsnijden. Verbrugh had tegen de Amersfoortse conclusies gestemd en Schilder was nooit lid geworden van het GPV. J.P. de Vries, de opvolger van Jongeling als hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, schreef in de hoedanigheid van voorzitter van het curatorium van de Groen van Prinsterer Stichting dat de oprichting van het GPV prematuur was geweest. In 1948 was het GPV opgericht terwijl de correspondentie tussen de vrijgemaakte kerkleiders en het ARP-bestuur pas in 1949 werd afgebroken.[51]

    1998 was ten slotte ook het jaar waarin het tweede deel van Vuur en vlam verscheen. In het eerste deel deze trilogie, verschenen in 1994, werd de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) vanaf de Vrijmaking tot de kerkscheuring in de jaren zestig kritisch tegen het licht gehouden. Oorzaak van de kerkscheuring in de jaren zestig zou het radicale klimaat in de vrijgemaakte kerken zijn, waardoor conflicten over bijzaken enorm op de spits werden gedreven met als gevolg dat de ‘buitenverbanders’ uit de kerk werden gejaagd. De bundel oogstte in traditioneel-vrijgemaakte kringen veel kritiek. De nieuwe vrijgemaakte historici spuugden in de bron waar ze zelf vroeger uit hadden gedronken. Door de focus op de interne conflicten zouden de jonge historici bovendien geen oog hebben voor waar het werkelijk om draaide, namelijk dat God Zijn kerk bewaarde en dat er aan de ware leer werd vastgehouden. Ook het tweede deel van de trilogie, dat handelde over het vrijgemaakte organisatieleven en twee artikelen over het GPV bevatte, lag onder vuur. Politicoloog J. Klapwijk en vooral historicus C. Sol zouden veel te negatief zijn. Vooral ds. J.M. Goedhart van het behoudende kerkblad Reformanda was kritisch:

     

    “Nergens in het hele artikel tref je ook maar énige dankbaarheid aan voor de reformatie van 1944. Die toch door de Hére gewerkt was. Immers, de Vrijmaking was van de Here òf van de mensen. Als zij van de Hére was, dan dient Hij te worden geprezen. Waar blijft in dit hoofdstuk de lof op de Here?” [52]

     

    Reformanda zag de veranderingen in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) met vrees en beven aan en verzette zich uit alle macht tegen de openbreking van de vrijgemaakte zuil. Het was een achterhoedegevecht. In 1993 werd het GPV opengesteld voor niet-vrijgemaakte orthodox-protestanten (niet helemaal want kiesverenigingen waren vrij om hun eigen ledenbeleid te voeren) en op 22 januari 2000 werd de ChristenUnie opgericht. Hoewel GPV en RPF als organisatie nog tot 31 december 2003 bleven voortbestaan was er in 2000 de facto een einde aan het GPV gekomen.

    De ChristenUnie is een interkerkelijke partij die zich richtte op een grotere groep kiezers: niet alleen op vrijgemaakten en andere orthodoxe gereformeerden maar ook op evangelischen en katholieken. In tegenstelling tot het GPV en de RPF wilde de ChristenUnie ook daadwerkelijk invloed uitoefenen op het beleid en had de ambitie om in de regering te komen. Dit lukte in februari 2007, hoewel de kleine partij er niet in slaagde om haar ‘kroonjuwelen’ (het terugdraaien van abortus, euthanasie en het homohuwelijk) te verwezenlijken. Critici, vooral uit de hoek van de oude RPF maar ook oud-GPV’ers, vinden dat de ChristenUnie te veel compromissen heeft moeten sluiten en haar principes “terwille van de macht” heeft verkocht “voor een schotel linzenmoes”.[53]

    De 60-jarige verjaardag van het GPV op 1 april 2008 werd niet herdacht. Op 1 april 2009 werd er echter wel uitgebreid stilgestaan bij de 100-jarige geboortedag van Jongeling, die op 31 maart 1909 ter wereld was gekomen. Het Archief- en Documentatiecentrum van de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg) organiseerde in samenwerking met het Historisch Documentatiecentrum van de Vrije Universiteit Amsterdam en het Nederlands Dagblad een congres waar journalist H. Veenhof zijn populaire Jongeling-biografie presenteerde. Het leeuwendeel van de bezoekers was 60+ en vrijgemaakt. Jongeling symboliseerde voor hen een wereld die was voorbijgegaan. Jongeling riep vooral veel nostalgie op. Biograaf Veenhof speelde hier in zijn boek handig op in. Zijn laatste hoofdstuk was getiteld: ‘What Would Jongeling Do?’ – een verwijzing naar de in evangelische kring zeer populaire WWJD-armbandjes (‘What Would Jesus Do?’) – en ging over de vraag wat Jongeling zou doen, als hij nu geleefd zou hebben. Verontruste vrijgemaakten en het Reformatorisch Dagblad zeggen namelijk wel eens dat de erfenis van Jongeling door zijn zogenaamde erfgenamen te grabbel is gegooid. Enkele prominente protestanten die Veenhof met de WWJD-raag confronteerde – onder andere Minister van Defensie E. van Middelkoop –  meenden daarentegen dat Jongeling de komst van de ChristenUnie en de veranderingen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zou hebben goedgekeurd en hierin zou zijn meegegaan. Veenhof onderschrijft deze visie en eindigt zijn boek met de slotzin: “Een beamer in de kerk? Hij zou het beamen.”[54]

     

    Besluit

    Het historische zelfbeeld van het GPV ontstond in de loop van de jaren veertig en vijftig. Naar analogie van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ‘ware kerk’, presenteerde het GPV zich als de ware partij. Men zette een doorgaande lijn voort die bij Willem van Oranje was begonnen en via Groen van Prinsterer en Schilder uitkwam op het GPV. De nadruk op deze doorgaande nationale lijn werd in de jaren zestig sterker. In reactie op de progressievere, meer internationaal georiënteerde koers van de ARP en de culturele revolutie wierp het GPV zich op als een concentratiepunt voor een conservatief-christelijke tegenbeweging “voor vorstenhuis en vaderland”. Deze beweging werd vanwege haar militante karakter door buitenstaanders met fascisme in verband gebracht. Ze mislukte omdat verontruste vrijgemaakten het GPV zuiver wilden houden en onder geen beding wilden samenwerken met niet-vrijgemaakten. In de tweede helft van de jaren zeventig benadrukte het GPV het isolement. Het GPV was Gods volk, het nieuwe Israël, en moest uitkijken voor “aangrenzende volken”. Jongeling vergeleek in dit verband de RPF met de Samaritanen. Aan het einde van de jaren tachtig sloeg de onzekerheid toe. Het GPV zocht naar bevestiging van anderen om zijn eigen bestaansrecht te rechtvaardigen en er was verschil van mening over hoe de eigen partijgeschiedenis moest worden geduid. De geschiedenis kon ook wetenschappelijk worden geschreven. Kritische geschiedschrijving over het eigen verleden en de aantrekkingskracht van het internationaal georiënteerde evangelicalisme maakten vervolgens in de jaren negentig een einde aan het nationaal-gereformeerde historische zelfbeeld van het GPV. Veel vrijgemaakte jongeren weten tegenwoordig niet meer wie Jongeling was en het GPV zegt hun ook weinig tot niets. ‘Ouderen’, hoewel ze op sommige punten wellicht afscheid van het verleden hebben genomen, vinden het daarentegen nog wel belangrijk op de doorgaande lijn te staan. Het verleden is voor Veenhof, Van Middelkoop en de hunnen geen dwingend keurslijf meer en ze maken ook andere keuzes, maar helemaal zonder een normatief verleden durven ze ook weer niet te gaan.

     



    [1] Notulen Centrale Verbondsraad, 12 maart 1976. Notulen CVR 3 januari 1975 – 20 december 1976. Archief GPV, nr. 4. Archief- en Documentatiecentrum Kampen.

    [2] J. Kamphuis, Evangelisch isolement: over de zinspreuk “In ons isolement ligt onze kracht” ter nagedachtenis aan mr. G. Groen van Prinsterer, overleden 19 mei 1976, de vader van de antirevolutionaire richting Publicatie van de Groen van Prinsterer-Stichting nr. 30 (Groningen 1976).

    [3] Daar heb je ‘t. Politieke antwoorden voor de kamerverkiezingen van 1956, verzameld in opdracht van de Organisatie-Commissie der Antirevolutionaire Partij (z.p.,  z.j.) 56.

    [4] De Bijbel en de Drie Formuleren van Enigheid: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels.

    [5] D. van Houdt, Kunnen we blijven samenwerken: principiële bezwaren tegen enkele artikelen van het Anti-Revolutionaire program en het z.g.n. miljoenplan, uitgesproken in de gecombineerde vergadering van drie A.R.-kiesverenigingen te Rotterdam-Zuid, op vrydag 14 november 1947 (Z.p. 1947) 30. Zie verder:

    [6] A. Zijlstra, ‘Kracht en doel der politiek. Publicatie van de correspondentie tusschen het Centraal Comité der A,R. Partij en het Amersfoortsch Comité’, De Reformatie 24 (7 mei 1949) 269-272, aldaar 272.

    [7] J. Vermeij, ‘Heilige continuïteit’, Ons Politeuma I (Oktober 1948) 6-7.

    [8] D.C. Haak, ‘Gemeenteraadsverkiezingen’, Ons Politeuma 5 (december 1952) 4-6.

    [9] P. Jongeling, ‘Kerkstrijd en wereldworsteling’, Gereformeerd Gezinsblad, 6 oktober 1948.

    [10] Over Jongelings opvattingen over kerk en politiek in de jaren veertig en vijftig: E. Hooiveld, ‘Het ongedeelde leven. Het Gereformeerd Gezinsblad, 1948-1958’ in: R. Kuiper en W. Bouwman, Vuur en vlam deel 2. De organisatie van het vrijgemaakt-gereformeerde leven 1944-1994 (Amsterdam 1998) 135-174; E. Hooiveld, ‘Na de Vrijmaking de eindtijd’ in: G. Harinck red., Holwerda herdacht. Bijdragen over leven en werk van Benne Holwerda (1909-1952) ADChartas-reeks 10 (Barneveld 2005) 75-110.

    [11] A.J. Verbrugh, ‘De betekenis van het gereformeerde boek en blad voor de politiek’, in T.J. Kerpel red., De waarde van het woord. Een historische lijn in 150 jaar christelijke journalistiek (Groningen 1976) 133-210, aldaar 165-166. Verbrugh doelde, zonder dit boek uit fatsoensoverwegingen bij de naam te noemen, op het 437 pagina’s tellende boek Tenzij van oud-Kamerlid Albertus Zijlstra: A. Zijlstra, Tenzij. Schriftuurlijke beginselen voor het staatsleven (Amsterdam 1950).

    [12] P. Jongeling, Ter wille van het Koninkrijk (Groningen 1956) 7-104.

    [13] E.H. Klei, ‘Groen van Prinsterer’ in: G. Harinck, H. Paul en B. Wallet, Het gereformeerd geheugen. Protestantse herinneringsculturen in Nederland, 1850-2000 (Amsterdam 2009)

    [14] Terpstra, Controverse rond de kerk 32-34.

    [15] [P. Jongeling,] Na tien jaren 3. Geen terreinenscheiding’, Gereformeerd Gezinsblad, 3 april 1958.

    [16] [P. Jongeling,] Na tien jaren 4. Een duizelingwekkende opdracht’, Gereformeerd Gezinsblad, 4 april 1958.

    [17] Zie hierover: P. Mulder, Wij gaan op dezelfde weg Zuid-Afrika! Het apartheidstandpunt van het Gereformeerd Politiek Verbond (1960-1990). MA-scriptie geschiedenis. Rijksuniversiteit Groningen (Groningen 2009).

    [18] Den vaderland getrouwe… Verkiezingsmanifest (z.p. 1962). Zie ook: ‘Verkiezingsprogram GPV 1963’ in: P. Goossen red., Parlement en kiezer. Jaarboekje 1963-1964 (’s-Gravenhage 1963) 125-133.

    [19] Jongeling, Bij de tweesprong.  36-37; W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink ed., Aan het volk van Nederland: het democratisch manifest (Amsterdam 1966).

    [20] P. Jongeling, Bij de tweesprong: een woord tot de natie, nu er moet worden gekozen (z.p. 1966).

    [21] Zie vooral: A.J. Verbrugh, ‘De broeders en de volksbeweging’, Ons Politeuma 20 (25 maart 1967) 41-46.

    [22] Zie hierover: J. de Bruijn, ‘Politiek en charisma. Colijn als partijleider’ in: J. de Bruijn en H.J. Langeveld red., Colijn: bouwstenen voor een biografie (Kampen 1994) 129-154.

    [23] A.J. Verbrugh, ‘De laatste wapenschouw’, Ons Politeuma 20 (4 februari 1967) 17-21.

    [24] ‘GPV-bijeenkomst bij standbeeld werd afgelast’, Winschoter Courant, 20 mei 1968; ‘Herdenking van GPV bij standbeeld afgelast. Dominee roept jongemannen op voor politie en reserve-leger’, Winschoter Courant, 20 mei 1968. Zie: Stukken herdenking Heiligerlee. Archief F. de Jong. ADC Kampen.

    [25] Wandelganger, ‘Volksplantingen overal. Parlementaria’, De Volkskrant, 31 januari 1967.

    [26] Kadercursist, ‘Een nationaal-christelijk strijdlied’, Ons Politeuma 20 (12 augustus 1967) 115.

    [27] ‘Aan het einde van de week’, NRC, 23 september 1967.

    [28] M.J.C. Blok, ‘Een GPV-lied?’, Gereformeerd Kerkblad voor Overijssel, Gelderland en Utrecht 20 (7 oktober 1967) 7.

    [29] H.P. de Roos aan de CVR, 25 september 1967. Archief P. Jongeling. Doos 1. Stukken betreffende het Gereformeerd Politiek Verbond, 1964-1977.

    [30] Algemene Gomarusliederen (Leiden z.j.) 38-39. Archief VGSL Franciscus Gomarus. Het ‘GPV Streitliet’ is geschreven door Pieter Dorland en Peter de Putter en bevatte oorspronkelijk drie coupletten. Later is het lied nog aangevuld met nieuwe coupletten.

    [31] R. Valkenburg, ‘P. Jongeling: ‘Wij mogen tot Oranje zeggen: vrees God!’’, Koers, 29 augustus 1970, 18-20, aldaar 19. Cursivering EHK.

    [32] J. Kamphuis, ‘Gezagsideologen? Toespraak op het Nat. Appèl van GPV en NEV op 24 april 1971’, Ons Politeuma 24 (22 mei 1971) 99-101.

    [33] Programma Nationaal Appèl 1971. Archief P.Jongeling, doos nr. 33, Map maart 1971 – september 1972.

    [34] C. Trimp, ‘Nationaal gereformeerd – anno domini 1973’, Ons Politeuma 26 (14 april 1973) 41-44.

    [35] W.P. Balkenende, ‘Zilveren G.P.V. werd confessioneel gesterkt’, De Reformatie 48 (7 april 1973) 212-213. Cursivering EHK.

    [36] C. Veenhof, ‘Stemmen op Jongeling?’, Opbouw 15 (16 april 1971) 19.

    [37] E.H. Klei, ‘Een kleine profeet in de politiek. Veenhofs moeizame verhouding tot het GPV’ in: G. Harinck red., ‘Niets is overbodig, niets is toevallig.’ Leven en werk van Cornelis Veenhof (1902-1983) (Barneveld 2008) 202-241, aldaar

    [38] P. Jongeling, ‘Na dertig jaar’, Ons Politeuma 31 (25 maart 1978) 58-60.

    [39] Jongeling hield zich in deze discussies afzijdig. In 1983 zei hij tegen P.A. Bergwerff en Tj.S. de Vries dat hij achter het principe van lijstineenschuiving stond. Zie: H. Veenhof, ‘Ja en nee tegen het NEV’, Denkwijzer. Studieblad van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie 9 (juni 2009) 28-32; P.A. Bergwerff en Tj.S. de Vries, Geroepen en gegaan. In gesprek met P. Jongeling (Groningen 1983) 79-85

    [40] W.J.G. Basoski e.a., G.P.V. – Hoe nu verder? Verklaring van de 10 oud-GRV-leden over de breuk in de GVR, reactie van ‘de 10’ op het GVR-Commentaar, tevens advies w.b. het antwoord op de vraag:’G.P.V. – hoe nu verder? (z.p. 1984).

    [41] J. van der Jagt, ‘Kerk en politiek. Een causaal verband’, Ons Burgerschap 37 (12 mei 1984) 65 en 80. Met de “aangrenzende volken” werden uiteraard de RPF en de SGP bedoeld.

    [42] ‘Deelnemende organisaties aan de beurs:’, Ons Burgerschap 41 (16 april 1988) 68. Deze organisaties waren: Dit Koningskind, Contactcommissie Geref. Garnizoenskerken (CCGG), Stichting Bralectah, Stichting de Luisterpost, Landelijk Verband van Evangelisatiecommissies, Gereformeerd Sociaal en Economisch Verband, Evangelisatie & Rekreatie, Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen, Bond voor Gereformeerde Jeugdorganisatie, Stichting GPJC, Gereformeerd Maatschappelijk Verbond, Gereformeerde Reisvereniging, Kivive, Nederlands Dagblad, Uitgeverij Oosterbaan & Le Cointre, Nederlandse Patiëntenvereniging, Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind, Stichting Hulp aan Papoea’s in nood, Stichting Canzibe Steunfonds, ZOA, Vluchtelingenzorg, De Verre Naasten, Juridisch Adviesburo Gezondheidszorg, Uitgeverij de Vuurbaak, CLIC Informatiecentrum, Vereniging van Gereformeerde Onderwijsgevenden GVOLK, Bond tegen het Vloeken, Christelijke Stichting voor Hulp aan Gewetensvervolgden en het Gereformeerd Drachter Mannenkoor.

    [43] Het GPV-kinderlied is geschreven door John Kuiper, Dick Sneep, Peter Sneep en Peter de Vries en gecomponeerd door Peter Sneep. Zie: Aanvulling GPV-archief, doos 2.

    [44] P. van de Breevaart, ‘Bescheidenheid niet grootste deugd van GPV. Fraai “Gedenkboek” houdt de gereformeerde traditie voluit in ere’, Reformatorisch Dagblad, 10 september 1988.

    [45] J. van der Jagt, ‘Een partij als geen andere (over ontstaan, grondslag en doelstelling)’ in: J. van der Jagt, H. Timmermans en A.J. Verbrugh red., Gedenkboek GPV 1948-1988 (Amstersfoort 1988) 44-65; H. Timmermans, ‘Een partij als alle andere (over veertig jaar praktisch functioneren)’ in: Van der Jagt red., Gedenkboek GPV  92-125.

    [46] H.A.F.M.O. van Mierlo, ‘GPV: meer dan folklore?’, Ons Burgerschap 41 (23 april 1988) 85.

    [47] ‘Verantwoording. Gereformeerd en bij de tijd: een sterke combinatie’, Bij de Tijd 1 (juni 1992) 3-4; J. Huijgen, ‘Op zoek naar de vuurhaard. Gereformeerden in een veranderende cultuur’, Bij de Tijd 2 (juni/juli 1994) 23-25.

    [48] Programma start GPV-verkiezingstournee 9 april 1994 Bovenkerk Kampen. Archief Richard Boddeüs. Propagandamateriaal GPV Kampen. Jaren tachtig en negentig.

    [49] ‘Foto-impressie van het gouden jubileum van het GPV’, Ons Burgerschap 51 (april 1998) 11-15.

    [50] A. Slob, ‘Op naar 6 mei’, Ons Burgerschap 51 (april 1998) 19.

    [51] R. Janssen en G. Harinck red., Het Amersfoorts congres van 1948 (Barneveld 1998).

    [52] J.M. Goedhart, Vuur en vlam II (3)’, Reformanda 9, nr. 16 (21 april 1999) 186-190.

    [53] C.G. Hoogland, ‘Partij Lont’, Nederlands Dagblad, 6 oktober 2008.

    [54] H. Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985). Journalist, politicus en Prins (Barneveld 2009)

    Tags: GPV, Groen van Prinsterer, Herman Veenhof, Pieter Jongeling, Willem van Oranje
    Read More
  • Liever dood dan rood: het Centrum voor Lektuur, Informatie en Communicatie (CLIC) te Groningen in de jaren zeventig en tachtig

    0

    Ewout Klei


    In 2008 is er een begin gemaakt met de historische verwerking van de jaren zeventig en tachtig. Niet alleen verschenen dat jaar de biografieën over de minister-presidenten Joop den Uyl en Dries van Agt[1] maar er kwam ook een heftige discussie op gang over het linkse actiewezen in die periode. Aanleiding van deze discussie was de autobiografie van Wijnand Duyvendak waarin de GroenLinks-parlementariër bekende in 1985 betrokken te zijn geweest bij een inbraak in het Ministerie van Economische Zaken.[2]  Toen vlak daarna bekend werd dat hij in de jaren tachtig als redacteur van Bluf! mede verantwoordelijk was voor het terroriseren van enkele ambtenaren, was zijn positie onhoudbaar geworden en stapte hij op als Kamerlid. Na Duyvendaks gedwongen vertrek interviewde parlementair journalist Piet de Jong van het Nederlands Dagblad enkele mensen die zich toentertijd fel tegen de linkse activisten hadden verzet.[3] Eén van de geïnterviewden was Henk van der Velde van het Gereformeerd Politiek Verbond. Hij was in 1977 één van de oprichters van het Centrum voor Lektuur, Informatie en Communicatie (CLIC) te Groningen. De vrijgemaakt-gereformeerde CLIC-winkel ontpopte zich in de loop van de jaren zeventig en tachtig als rechts en christelijk actiecentrum tegen alles wat links en progressief was.

    Het CLIC-archief, dat in 2007 na de opheffing van de Vereniging CLIC naar het Archief- en Documentatiecentrum van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt) te Kampen is overgebracht, bevat prachtige documenten die treffend illustreren hoe orthodox-protestants en rechts Nederland in de jaren zeventig en tachtig op het links-progressieve offensief reageerden. In welke omgeving ontstond en opereerde CLIC? Hoe ging het CLIC te werk en met welke organisaties werkte men samen? Wat was de reactie van vriend en vijand op deze rechts-christelijke wereldwinkel? Waarom stopte CLIC er uiteindelijk mee? En wat zegt CLIC uiteindelijk over de jaren zeventig en tachtig?

     

    Polarisatie van rechts

    Het ontstaan van CLIC kan niet los worden gezien van het gepolariseerde politiek-maatschappelijke klimaat in de jaren zeventig. De progressieve partijen wilden de culturele revolutie van de jaren zestig politiek kanaliseren en hoopten dat het in 1973 aangetreden kabinet-Den Uyl dit zou doen. In het kabinet en in de Kamer kwam het regelmatig tot botsingen tussen progressieve en andere politici. Rechtse politici vonden de idealistische plannen van het kabinet maar naïef, hadden kritiek op het hoge uitgavenpatroon en het subsidiebeleid en ergerden zich aan de huns inziens selectieve verontwaardiging van links, waar men wel demonstreerde tegen de rechtse dictatuur van Augusto Pinochet in Chili en de Apartheid in Zuid-Afrika maar zweeg over de misdaden van het communisme in de Sovjetunie en China. De polarisatie werd echter niet alleen in Den Haag gevoerd maar ook daarbuiten. Het was de tijd van actiecomités en solidariteitscomités die zich inzetten voor ‘maatschappelijke bewustwording’, mensenrechten en de Derde Wereld. Deze comités werden veelal gesubsidieerd door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), die op deze manier de verlinksing van de samenleving bevorderde.[4] Een bijzondere rol speelden de wereldwinkels die eerlijkere handelsverhoudingen met de Derde Wereld voorstonden en dikwijls plaatselijk en landelijk actie voerden met kerkelijke, politieke en maatschappijkritische groepen. Landelijke voorbeelden waren de acties rondom de Angola-koffie, Vietnam (steunactie voor het Medisch Comité Noord-Vietnam), rietsuiker, Chili en Suriname. Plaatselijke voorbeelden waren acties rond Tanzania, Brazilië, milieuacties, acties voor bevrijdingsbewegingen, acties tegen afbraak van woningen, tegen de vestiging van wapenindustrie etc.

    Orthodoxe christenen zagen deze verlinksing met lede ogen aan. In de jaren zeventig waren orthodoxe christenen politiek gezien meestal rechts. Dat was mede te danken aan de polarisatie. Premier Joop den Uyl was een ex-gereformeerde en gaf leiding aan het meest linkse kabinet uit de geschiedenis ooit. Ook verlinksten en/of verwaterden de grote christelijke partijen in deze jaren. De verlinksing stond niet los van de secularisatie. In reactie hierop gingen orthodoxe christenen zich niet alleen nadrukkelijker als orthodox manifesteren, maar  ook nadrukkelijker als rechts. In 1975 werd de Reformatorische Politieke Federatie opgericht, een rechtse afsplitsing van de Antirevolutionaire Partij. RPF-voorzitter P. Langeler zei in een interview het woord ‘reactionair’ te beschouwen als een geuzenaam.[5] Op hun beurt beschouwde links actievoerend Nederland orthodoxe christenen als extreem-rechts.[6]

    Het Gereformeerd Politiek Verbond, in 1948 afgescheiden van de Anti-Revolutionaire Partij en zeer nauw verbonden met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), reageerde aanvankelijk minder politiek op de verlinksing. Het GPV had in tegenstelling tot de RPF weliswaar zitting in de Tweede Kamer (van 1971 tot 1977 het duo Pieter Jongeling en Bart Verbrugh en van 1977 tot 1981 Verbrugh als eenling) maar de partij kende een sterke kerkelijke stroming, die nogal apolitiek van karakter was en het vooral belangrijk vond dat alles zuiver vrijgemaakt bleef. De hele wereldgeschiedenis draaide om de ware kerk. Wat er buiten de eigen kleine kerkelijke kring gebeurde was eigenlijk onbelangrijk. Een nieuwe generatie vrijgemaakten was het hier niet mee eens. Zij maakte zich grote zorgen over de snelle secularisatie van Nederland, ook al ging deze aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) grotendeels voorbij. Als gevolg van de polarisatie raakte een groep GPV-jongeren ook meer bij de politiek betrokken. Ze wilden echt wat voor de maatschappij en de wereld betekenen en konden daarom slecht uit de voeten met het isolement waarin hun partij en jongerenorganisatie zich bevonden. Sommige Gereformeerde Politieke Jeugd Studieclubs (GPJC’s) veranderden van studieclubs die zich bezighielden met beginselstudie in politieke jongerenafdelingen waar actie werd gevoerd. Uit de GPJC’s ontstonden in de jaren zeventig bovendien enkele andere maatschappelijke organisaties: GPJC steunt Broederschap (hulp aan gereformeerden achter het IJzeren Gordijn), het comité Zuid-Oost-Azië (hulp aan de Indochinese vluchtelingen) en het Centrum voor Lectuur, Informatie en Communicatie (CLIC), dat op 30 april 1977 in Groningen werd geopend.[7]

    CLIC was een initiatief van enkele GPJC’ers uit het vrijgemaakte studentenbolwerk Groningen die zich grote zorgen maakten over de verlinksing van hun stad, waar onder leiding van de PvdA’ers Max van den Berg en Jacques Wallage een links meerderheidscollege was ontstaan.[8] De CLIC-winkel moest een “rechts alternatief” worden voor de linkse wereldwinkels, solidariteitscomités en actiegroepen die door CRM werden gesubsidieerd en eenzijdige voorlichting over de Derde Wereldproblematiek zouden geven. CLIC gaf tegenvoorlichting. Door zich nadrukkelijk rechts op te stellen provoceerde CLIC links actievoerend Groningen. Een reactie van deze kant bleef dan ook niet uit. Alvorens de reacties van linkse en vrijgemaakte zijde op CLIC te bespreken zullen we eerst op de Vereniging CLIC en de daarbij horende informatiewinkel inzoomen.

     

    ‘Reactionair broeinest’

    In de Statuten van de Vereniging CLIC stond dat de vereniging als grondslag had “de Bijbel als Gods onfeilbaar Woord, zoals beleden in de Drie Formulieren van Enigheid die gehandhaafd worden in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)”. Leden van het CLIC moesten lid zijn van een vrijgemaakt-gereformeerde kerk en waren verplicht mee te werken aan het bemensen van de informatiewinkel.[9] Het CLIC had geen officiële band met het Gereformeerd Politiek Verbond. Informeel was die band er natuurlijk wel. Naast het CLIC-pand was het pand van de Stichting Gereformeerd Politiek Jongerenwerk, waar GPJC’er en CLIC-medeoprichter Klaas Nanninga een kamertje had, de CLIC-winkel werd geopend door GPV-raadslid S. de Vries en tijdens de GPV-verkiezingscampagne van 1977 was de informatiewinkel een belangrijk actiecentrum. De twee Groninger GPV-raadsleden hielden in de CLIC-winkel, temidden van honderden folders, raambiljetten en stickers, wekelijks een spreekuur voor de Groninger bevolking. Hoewel hier weinig gebruik van werd gemaakt bleek uit deze actie dat GPV en CLIC wat de vorm betreft eigenlijk wel democratisch en bij de tijd konden zijn.[10]

    Het CLIC stelde zich volgens de statuten ten doel om “informatie en voorlichting te geven over onderwerpen op kerkelijk, politiek en maatschappelijk terrein”. Hoewel politiek en maatschappij verreweg de meeste aandacht kregen, was de tweede actie van het CLIC gericht op de kerk, dat wil zeggen de vrijgemaakte kerk, en gaf de winkel informatie over vrijgemaakte kerkdiensten in het buitenland, zodat vrijgemaakten op vakantie op zondag ook op het ware adres zouden zijn. De derde actie van het CLIC, na de actie voor het GPV en voor buitenlandse kerkdiensten, was de actie tegen de Boycot Outspan Aktie (BOA). Onder druk van links had de Groninger middenstand besloten om de Zuid-Afrikaanse Outspansinaasappelen te boycotten. In Zuid-Afrika heerste immers de Apartheid en door Zuid-Afrikaanse producten te kopen zou je dit racistische systeem steunen. CLIC vond deze actie echter eenzijdig. Van een boycot zouden namelijk ook de zwarten, die volgens links door het blanke Apartheidsbewind werden onderdrukt, de dupe worden. CLIC wilde naar eigen zeggen de dialoog met Zuid-Afrika over Apartheid aangaan. Dwangmaatregelen als boycots en steun aan zwarte revolutionaire bewegingen als ANC en SWAPO waren niet gepast. Om deze ‘genuanceerde’ mening over Apartheid kracht bij te zetten, lagen er in de informatiewinkel Outspansinaasappelen in de etalage en verspreidde CLIC in samenwerking met de Nederlands Zuid-Afrikaanse Werkgemeenschap (NZAW) de folder Boycot Outspan a-sociaal.[11]

    De CLIC-winkel lag vol met informatiemateriaal. Vanaf de eerste dag werd het Nederlands Dagblad in de winkel verkocht. CLIC was het eerste losse verkooppunt van deze vrijgemaakte krant.[12] Ook verkocht CLIC bladen en brochures over landen en volken waar orthodoxe protestanten in Nederland een bijzondere band mee voelden, zoals Zuid-Afrika, Israël, de Zuid-Molukkers en de Papoea’s. Verder was het onderwerp abortus provocatus populair, omdat dit dreigde te worden gelegaliseerd. In 1978 kwam de eerste CLIC-uitgave uit, getiteld Clemens Kapuoo vermoord. Kapuoo, een politicus uit Windhoek (het huidige Namibië), was vermoord door de bevrijdingsbeweging SWAPO, in de ogen van CLIC een terroristische organisatie.[13] Het tweede nummer ging over de grote vijand van CLIC, het links-extremisme.[14] CLIC verkocht echter ook niet-politiek informatiemateriaal. Belangrijk waren de brochures van de evangelische uitgeverij Moria over onderwerpen als yoga, New Age, boeddhisme, astrologie en homeopathie en over profetieën uit het Bijbelboek Openbaring zoals het merkteken van het beest.[15] Bekend/berucht was vooral het boekje Verborgen gevaren in de popmuziek. In veel muziek zou een duivelse omkeertechniek zijn verwerkt, een boodschap die te horen zou zijn bij het terugdraaien van de muziek. De brochure-met-cassette, die bij de seculiere pers veel hilariteit veroorzaakte, ging als zoete broodjes over de toonbank bij CLIC.[16] De CLIC-winkel hoefde als non-profitorganisatie geen winst te maken maar wilde in tegenstelling tot de linkse wereldwinkels geen overheidssubsidie. Men hield de winkel draaiende dankzij de inzet van vrijwilligers (de leden dus), giften van de achterban en de verkoop van Zuid-Afrikaanse en Israëlitische wijnen, producten uit de Derde Wereld en platen met militaire marsmuziek.[17]

    CLIC werkte met een aantal rechtse en/of christelijke organisaties en personen samen. Ten eerste was er het Oud-Strijders Legioen, een ultrarechtse anticommunistische organisatie die in 1958 was opgericht door oud-strijders en het blad Stavast uitgaf. Het OSL werd groot in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog begin jaren tachtig. Toen de vredesbeweging demonstreerde tegen het plaatsen van Amerikaanse kruisraketten op Nederlandse bodem verspreidde het OSL de sticker “Liever een RAKET in de tuin dan een RUS in de keuken!!!” en de poster “‘Liever rood dan dood’, zei de kreeft, voordat hij werd gekookt”. OSL-voorzitter Prosper Ego was zo blij met de rechtse voorlichting van CLIC dat hij toen hij in Groningen was de winkel met een bezoekje wilde vereren. Helaas was er toen niemand die op de winkel paste, zodat hij voor een dichte deur stond. In een briefje complimenteerde Ego daarom CLIC voor het feit dat er in Groningen een rechts alternatief voor de wereldwinkel bestond en hij zei te hopen dat de informatiewinkel de vriendschapsdassen Nederland-Zuid-Afrika en Nederland-Israël van de OSL zou bestellen. CLIC-voorzitter Henk Dijk schreef terug dat hij deze stropdassen graag bestelde en eindigde zijn antwoord met de woorden: “Mocht u nog eens in de buurt komen, u bent altijd welkom in het “reactionaire broeinest” dat achter de CLIC schuilgaat.”[18]

    Het OSL had banden met het Interkerkelijk Comité voor Tweezijdige Ontwapening (ICTO), dat in 1980 was opgericht in reactie op de pacifistische koers van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV). J.G. van der Land, ICTO-vertegenwoordiger van Groningen, had grootste plannen, waar hij ook graag CLIC in wilde betrekken. Hij wilde dat de informatiewinkel het ICTO-depot voor de noordelijke regio’s zou worden en een CLIC-ICTO-combinatie vormen tegenover de IKV-vredeswinkel in het oude politiebureau. Op een CLIC-ledenvergadering zei een lid dat men wel moest uitkijken voor Van der Land.[19] Deze waarschuwing kwam niet uit de lucht vallen. Van der Land was betrokken bij de oprichting van veel christelijke organisaties – naast ICTO ook de RPF, de Vereniging van bij het Onderwijs betrokken Christen-Ouders (VOCO) en de Christelijke Stichting voor Hulp aan Gewetensvervolgden (CSHG) – maar werd na verloop van tijd door deze organisaties geroyeerd vanwege zijn eigenzinnige optreden.[20] Querulant Van der Land stond garant voor trammelant. Omdat hij lid was de Nederlands Gereformeerde Kerken kon hij geen lid worden van de Vereniging CLIC. Wel trad hij een tijdlang op als adviseur van de werkgroep Christelijke Alternatieven Voor Amnesty International (CAVAI), waaruit in 1980 de zojuist genoemde CSHG zou voortkomen.[21] Volgens Van der Land was de wereldwijde mensenrechtenorganisatie Amnesty International geen neutrale organisatie. Amnesty zou onvoldoende onderscheid maken tussen martelen en rechtmatige straffen, wel politieke oordelen vellen over rechtse regimes zoals die van Chili en Zuid-Afrika, maar niet over linkse regimes. Ook zou de organisatie met extreem-linkse groepen samenwerken. Van der Land concludeerde hieruit dat een “bijbelgetrouw christen” geen lid van Amnesty kon worden.[22]

    De in januari 1980 opgerichte CSHG zette zich in voornamelijk in voor vervolgde christenen achter het IJzeren Gordijn. In de CLIC-winkel kon men handtekeningen zetten voor christenen die gevangen zaten, zoals ‘de zeven van Moskou’ die sinds 1978 in de Amerikaanse ambassade van Moskou verbleven en wachtten op een uitreisvisum.[23] In 1986 bracht de CSHG samen met de organisaties Schreeuw om Leven (een radicale prolife organisatie van EO-directeur L.P. Dorenbos) en Christenen voor Israël de krant Anno domini 1986 uit, in het kader van een studie- en bezinningsdag van de Evangelische Omroep getiteld ‘Leven in profetisch perspectief’. De legalisering van abortus provocatus in 1981, de dreigende legalisering van euthanasie, het Voorontwerp van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (waardoor christelijke scholen zouden worden verplicht om homoseksuelen niet langer te weigeren) en de veroordeling van het echtpaar Lucas en Jenny Goeree (die in een evangelisatiefolder schreven dat de joden de Holocaust over zichzelf hadden afgeroepen) waren in de ogen van de EO tekenen des tijds die er op wezen dat orthodoxe christenen in Nederland straks misschien ook zouden worden vervolgd.[24] De CSHG had zich al eerder met deze zaken beziggehouden. In 1981 stuurde de organisatie een brief aan de minister van Justitie waarin de vrees werd uitgesproken dat christelijke verpleegkundigen en artsen zouden worden ontslagen als ze vanwege hun geweten niet meewerkten aan een abortus. Als zij inderdaad werden ontslagen dan verschilde Nederland volgens de Stichting principieel niet van de Sovjetunie. Daar was immers ook geen gewetensvrijheid.[25]

    De CSHG bestond uit vijf werkgroepen. De werkgroep van Juristen bood aan vervolgde christenen en joden juridische bijstand. De Landelijke Wallenberg-groep zette zich in voor de mensenredder Raoul Wallenberg, die in de Tweede Wereldoorlog tienduizenden joden het leven redde maar door de Sovjetunie was gearresteerd op verdenking van spionage en daarna was verdwenen. De Landelijke Jongeren Werkgroep zette zich in voor de jongeren onder de vervolgden. De Werkgroep ‘Laat mijn volk gaan’ zette zich in voor de vervolgde joden in de Sovjetunie. Dorkas-Hulp zorgde ten slotte voor materiële hulp aan joden en christenen, vooral in Oost-Europa. Deze werkgroep groeide uit tot een zelfstandige organisatie, Dorkas Hulp Nederland. In 1997 werd de CSHG omgedoopt in Jubilee Campaign Nederland, een christelijke mensenrechtenorganisatie die wél wilde samenwerken met Amnesty.[26] De aanvankelijk gezochte antithese bleek in de praktijk dus toch niet zo goed te werken.

    Behalve van bovenstaande organisaties had CLIC materiaal van (onder andere) de Stichting Informatie en Voorlichting (STIVO), de Stichting Vredes Politiek (SVP), het Hervormd Beraad Vredesvraagstukken, Stichting Bijbel en Vredesvraagstukken, de Stichting Comité “Stop de SS-20-raket”, de Nederlands-Zuidafrikaanse Vereniging (NZAV), de Stichting tot Herstel van Kulturele Betrekkingen Nederland-Zuid-Afrika (Zuid-Afrika), Help Afghanistan en het Komitee Afghanistan Vrij, de Stichting Hulp Papoea’s in Nood, het Verenigd Aktie Komitee Vietnamese Vluchtelingen in Nederland, de Stichting Comité Vladimir Boekovski (die een Tweede Wereldwinkel met informatie over de Sovjetunie had aan de Ceintuurbaan 211 in Amsterdam), de Nederlandse Nietrokersvereniging CAN, het Reformatorisch Interkerkelijk Bezinningsverband (RIB), Goed Werk, de Commissie Steun Broederschap Spanje van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) te Bussum, ACAT-Nederland (Actie van Christenen voor Afschaffing van Marteling, de Nederlandse afdeling van Action des Chretiens pour l’Abolition de la Torture), Kruistochten/Open Doors, Rainbow/Schreeuw om Leven, Christenen voor Israël, de Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, Stichting Tear Fund Nederland, het Beraad Geestelijke Vrijheid en de Nederlandse Vereniging tot Bevordering van de Zondagsrust en Zondagsheiliging.

    De verschillende organisaties waren bijna allemaal christelijk en/of rechts. CLIC was echter niet in alles rechts en maakte zich net als veel linkse mensen zorgen over het milieu. Dit deed vooral Meine Jansma. Als christen moest je volgens hem goed met Gods schepping omgaan. Hoewel zijn achterliggende motivatie om voor het behoud van het milieu te zijn dus verschilde met die van linkse milieuactivisten en hij zich als gezagsgetrouw christen ook nooit zou vastketenen aan het spoor om bepaalde transporten tegen te houden, kon hij zich erg vinden in de visie van links op het milieu. Zo pleitte Jansma voor ecologie als verplicht vak op school en was verder voor schone productiemethoden, autoloze zondagen, verplichte isolatie bij nieuwbouw, bevordering kringloopsysteem, afbouw batterijsysteem voor dieren en het tegengaan van dierenleed.[27] Ook Piet de Jong en Ben Bolhuis vonden duurzaamheid belangrijk. In de schappen lagen daarom niet alleen de boeken van de groene econoom Peter Nijkamp maar CLIC verkocht ook spullen van de Vereniging tot Behoud van de Waddenzee. Toen deze vereniging er in 1980 echter achter kwam dat de CLIC-winkel ook Zuid-Afrikaanse producten verkocht wilde ze CLIC verbieden om nog langer haar Waddenzeespullen te verkopen. De linkse Waddenzeevereniging wilde niet met de Apartheid geassocieerd worden. CLIC was uiteraard boos over de beslissing omdat de Waddenzee en Zuid-Afrika niets met elkaar te maken hadden. Een jaar later werd het conflict echter opgelost en lagen de Waddenzeespullen gewoon weer in de winkel.[28]

    Een jaar eerder had er zich een conflictje voorgedaan over het boekenaanbod. Meine Jansma had er moeite mee dat CLIC ook enkele boeken verkocht die “anti-christelijk” zouden zijn, zoals 1984 van George Orwell en Sociale Actie van Piet Reckman. Henk Dijk was het daar niet mee eens en vond dat niet-christelijke lectuur gewoon verkocht mocht worden door het CLIC, mits men tijdens het toelichtende verkooppraatje zei wat er niet aan klopte. Mensen die bepaalde literatuur wilden aanschaffen waren hier in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor.[29] Henk Dijk trok aan het langste eind en CLIC bleef (uiteraard niet zonder een waarschuwing vooraf) ook linkse boeken verkopen. Ten aanzien van het krantenaanbod was men strenger. Naast het Nederlands Dagblad verkocht CLIC ook het Reformatorisch Dagblad en het NRC-Handelsblad, maar het synodaal-gereformeerde dagblad Trouw en de linkse Volkskrant werden door de winkel geweerd.[30]

     

    ‘De beuk erin’

    Toen de vrijgemaakte jongeren in 1977 bekend maakten van plan te zijn een informatiewinkel op te richten reageerde de plaatselijke kiesvereniging van het GPV hier niet zonder meer positief op. Enkele bestuursleden hadden nogal wat “principiële bezwaren” tegen CLIC, hoewel ze dit niet specificeerden.[31] De vrijgemaakt-gereformeerde predikant Douwe van Dijk, die in Groningen zeer veel gezag genoot, vond het initiatief ook maar niets en noemde CLIC en de Vereniging Evangelisatie & Recreatie (waarin veel jonge vrijgemaakten actief waren, die zich meer wilden richten op de buitenwereld) denigrerend “modeverschijnselen”.[32] CLIC richtte zich – ondanks het feit dat de Vereniging voor niet-vrijgemaakten gesloten was – op de buitenwereld en werd ervan verdacht het kerkgebonden isolement te willen doorbreken. Dat wilden traditionele vrijgemaakten persé voorkomen. Als de kerk en de vrijgemaakte organisaties maar zuiver vrijgemaakt bleven, dan was alles goed.

    Vooruitstrevende vrijgemaakten konden het initiatief van CLIC daarentegen wel waarderen. In 1979 wilden enkele personen in Rotterdam ook een CLIC oprichten. Deze winkel stond op dezelfde grondslag als CLIC-Groningen maar in het optreden naar buiten toe wilde men daar wat anders. In Groningen was men bang dat de Rotterdamse vrijgemaakte informatiewinkel in oprichting de goede naam van CLIC zou aantasten. Dat gebeurde echter niet, want de plannen voor een Rotterdamse CLIC liepen op niets uit.[33] Meer succes had men in 1981 in Dordrecht, waar vrijgemaakte jongeren de informatiewinkel ‘De Bron’ oprichtten. Deze winkel liep echter slecht en was slechts twee dagen in de week open.[34] Niet-vrijgemaakte orthodox-protestanten konden het CLIC-initiatief in de regel wel waarderen. Het Reformatorisch Dagblad en het opinieblad Koers schreven enthousiast over de CLIC-winkel.[35] Naar aanleiding van een televisie-uitzending over CLIC, die op 4 februari 1983 door EO-Tijdsein werd uitgezonden, richtten jongeren van Youth for Christ in Deventer bovendien de informatiewinkel ‘De Tip’ op, een project van baanloze jongeren die zich wilden inzetten voor de verspreiding van informatie en producten van diverse ideële organisaties.[36]

    Doordat CLIC zich zeer rechts opstelde ten aanzien van Zuid-Afrika en de Koude Oorlog provoceerde de vrijgemaakte informatiewinkel links actievoerend Groningen. Ten tijde van Outspanactie kwamen er af en toe mensen over de vloer die protesteerden tegen de steunbetuiging van CLIC aan Zuid-Afrika. De CLIC-medewerkers moesten dan uitleggen dat de verkoop van producten uit Zuid-Afrika niet betekende dat men het in alles met de Apartheid eens was, maar deze uitleg werd niet geaccepteerd. Uit de logboeken die de vrijwilligers in de CLIC-winkel elke dag bijhielden bleek dat de CLIC-medewerkers een gesprek over apartheid met linkse mensen bij voorbaat al zinloos vonden.[37]

    Hoewel CLIC met haar acties discussie probeerde uit te lokken was er in het gepolariseerde politiek-maatschappelijke klimaat eigenlijk geen echte discussie mogelijk. Het was zwart of wit. Naar CLIC-medewerkers die moeite hadden met het pro-Zuid-Afrikabeleid van de informatiewinkel werd niet geluisterd. In 1985 was Reina Wiskerke lid geworden van het bestuur van CLIC, omdat ze vrijgemaakt was en betrokken bij de Derde Wereld, maar ze vond de winkel veel te rechts. Ze hoopte dat CLIC wat genuanceerder zou worden maar dit lukte niet en ze bedankte daarom als lid. Volgens haar evalueerden CLIC-leden en het bestuur hun eigen beleid niet en werd er over fundamentele zaken niet gediscussieerd:

    De verkoop van Z.A.-wijnen geeft de indruk dat CLIC het apartheidssysteem ondersteunt. Ik hoor nu al de protesten van de lezer: ‘Nee, we ondersteunen het beleid niet, we willen alleen de ekonomie aldaar steunen om zo een vreedzame oplossing naderbij te brengen… We willen ons alleen uitspreken tegen boykotakties…’ Ik blijf er echter bij dat de verkoop van de wijnen provocerend is, omdat het publiek de boodschap erachter anders opvat. Het provocerende ervan ligt mede in het feit dat de apartheid ook met aloude christelijke bekeringstheorieën is verdedigd. Het verband is dan snel gelegd: CLIC is toch ook een christelijke organisatie? Het christendom is in het verleden al te vaak geassocieerd met kwalijke praktijken, ik wil niet meer meewerken aan de versterking van dit image. [38]

    Een belangrijke reden waarom Wiskerkes klacht niet serieus werd genomen was dat CLIC niet wilde buigen voor de linkse actievoerders. Ook zij zagen het nut van discussie met andersdenkenden niet in. Naar aanleiding van de Outspanactie werd in 1978 de etalage van de CLIC-winkel besmeurd met de tekst: “CLIC=fascisme” en werden bovendien twee hakenkruisen aangebracht.[39] In de nacht van 11 op 12 mei 1983 werd de winkelruit van CLIC met een halve baksteen ingegooid[40], op 21 januari 1984 werd de ruit opnieuw ingegooid, nu met een steen van zware basaltklei van 15 à 20 kilogram[41], op 6 september 1985 werd er een verfbom gegooid, nadat een steen tegen de ruit was afgeketst, en in de nacht van 26 op 27 januari 1986 sneuvelde de winkelruit ten slotte opnieuw. Om dit soort acties in de toekomst te voorkomen schafte men in 1986 een rolluik aan, zodat de winkelruit niet meer bloot stond aan vernielingen.[42]

    In het linkse actieblad Bluf! stond een verslag van de actie tegen de CLIC-winkel, die ook in het Zwarte-weekblad voor vage revoos van 14 september 1985 was opgenomen:

     

    In de nacht van 6-9-’85 hebben wij de voorgevel van het CLIC, Nieuwe Ebbingestraat 159 in Groningen, bewerkt met verfbommen. Het was de bedoeling de ruit in te gooien en daarna de inventaris met de verfbommen kennis te laten maken, maar de steen sprong terug van het plexiglas. Iets waar we de volgende keer rekening mee zullen houden. Het lijkt zo mooi, truitjes in de etalage met daarop: ‘wees wijs met de Waddenzee’. Wie kan daar nou iets tegen hebben? Anders wordt het wanneer je binnen een kijkje gaat nemen. Tussen de tijdschriften vind je ‘Stavast’, het blad van de neo-fascisten van het OSL en tussen de artikelen wijn uit Zuid-Afrika. Om wat te doen tegen het apartheidsregime, is het nodig niet alleen maar over onze verontwaardiging te vertellen. We moeten ook de medeverantwoordelijken voor een dergelijk regime hier in onze omgeving aanpakken. Vandaar. Laat je niet tegenhouden! Zorg dat ze last van je hebben!

    Met groeten,

    Hit en Run.[43]

     

    Naar aanleiding van deze actie bracht iemand van het Groninger actieblad De Lawine bij daglicht een normaal bezoekje aan CLIC, en schreef hier een eigenlijk best wel vriendelijk stuk over. Dit lag ook aan de CLIC-medewerkers, die zich erg vriendelijk en meegaand opstelden en hun eigen standpunten opeens lieten varen. Rolf van der Woude, tweede voorzitter van de Vereniging CLIC, zei dat de informatiewinkel beslist spullen van de racistische Centrumpartij zou weigeren (dit is aantoonbaar onjuist, want CLIC had in 1981 van alle politieke partijen dus ook van de Centrumpartij twintig exemplaren van het verkiezingsprogramma besteld).[44] Ook steunde CLIC volgens hem de apartheid niet. Men was juist tegen polarisatie. Op de vraag van De Lawine waarom men dan toch Zuid-Afrikaanse wijnen verkocht en of het niet beter was om de wijnen uit het assortiment te verwijderen antwoordde H. Dijk met een grap: “Geen gek idee. Dat zou betekenen dat we de hele voorraad zelf moeten opdrinken.” [45]

    Naar aanleiding van het aanslagje op de CLIC-winkel op 6 september en de aanslag van de Revolutionaire Anti-Racistische Actie (RaRa) op 17 september op het Makro-filiaal in Amsterdam[46] stelde GPV-Kamerlid Schutte op verzoek van CLIC vragen aan de minister van Justitie over de inhoud van het blad Bluf! Frits Korthals Altes antwoordde de zorgen van het GPV te delen, ook van mening te zijn dat het blad soms strafbare uitlatingen deed, en dat het Openbaar Ministerie maatregelen had getroffen ter intensivering van de opsporing.[47]

    Nadat begin 1986 het rolluik was geplaatst werd de CLIC-winkel niet meer aangevallen. Wel stuurde iemand uit het linkse actiewezen in juni 1987 een dreigbrief omdat CLIC, ondanks de opmerking van Dijk, nog steeds Zuid-Afrikaanse wijnen verkocht:

     

    Mensen van de CLIC,

     

    In jullie fascistisch zaakje bevindt zich o.a. wijn uit het rassistische en fascistische Zuid-Afrika; daarmee steunen jullie een terreur en moordbewind; dat moet afgelopen zijn; jullie krijgen nog de kans om voor vrijdag alle wijnen uit Zuid-Afrika, gekweekt door uitbuiting van onze zwarte broeders uit jullie zaakje te verwijderen; als dat niet gebeurt dan merken jullie wel heel wat meer dan alleen wat verfspatten; dan gaat de beuk erin, dat gaat je tienduizenden kosten; gebruik dus je verstand; vrijdag om 8 uur alles weg ;;;;; of ;;;;;;;;;;; denk goed na; anders krijg je er spijt van. Er komt iemand kijken als koper. Het verwijderen geldt ook de fascistische literatuur over Zuid-Afrika. Weg met het fascisme.

     

    Amandla. [48]

     

    Het bleef echter bij dit dreigement.

     

    ‘De saamhorigheid is verdwenen’

    De Nederlandse politieke verhoudingen waren in de jaren zeventig en begin jaren tachtig flink gepolariseerd. Met de komst van het kabinet-Lubbers in 1982 en diens no-nonsense beleid, het einde van de kruisrakettendiscussie in 1985 en het vertrek van PvdA-leider Den Uyl uit Den Haag een jaar later kwam er langzaam een einde aan de polarisatie en verzakelijkte de politiek. Idealisme en ideologische gedrevenheid waren iets van vroegere tijden. Deze ontwikkelingen gingen niet aan CLIC voorbij. Vanaf medio jaren tachtig kampte de Vereniging CLIC met afnemend elan en toenemende vergrijzing. Op de ledenvergadering van 27 juni 1986 klaagde men dat het enthousiasme van het begin nu een beetje voorbij was.[49] Op de ledenvergadering van 21 november kwam de vergadering hier op terug. Volgens Henk Dijk was er maar een “klein getal der vromen”. Slechts enkele idealisten zetten zich volgens hem voor CLIC-winkel in: “We keken bij ‘links’ hoe zij het deden; meestal zaten ze in smerige winkeltjes. Men sluit in linkse kring de poorten, het gaat daar ook niet meer zo goed. In christelijke kring worden diverse goede initiatieven te weinig ondersteund.”[50] In het jaarverslag van 1986-1987 werd hardop de vraag gesteld hoe lang de winkel nog zou kunnen blijven voortbestaan.[51] Het zou echter tot 2007 duren voordat men er definitief mee stopte. CLIC leidde een kabbelend voortbestaan, de leden vergrijsden en de omzet daalde geleidelijk. In het jaarverslag van 1992-1993 stond dat scholieren en studenten nauwelijks meer belangstelling hadden voor de winkel. In 1995-1996 bracht CLIC zijn laatste echte jaarverslag uit. Daarna kwamen er alleen nog maar financiële verslagen. Mede omdat de informatiewinkel de laatste twee jaar verlies maakte besloot de Vereniging in 2007 zich op te heffen. 50% van de baten ging naar Woord en Daad, 25% naar Open Doors en 25% naar Jubilee Campaign. Dorcas Hulp kreeg de winkelvoorraden.[52]

    Naar aanleiding van naderend einde van CLIC, dat op 2 juni 2007 voor het laatst open zou zijn, interviewde het Nederlands Dagblad Henk Dijk, die de laatste jaren hét gezicht van de winkel was. Dijk betreurde het dat de ideologieën na 1989 hadden afgedaan: “In de tijd van de verzuiling stonden mensen samen ergens voor, of ze nu links waren, of rechts. Die saamhorigheid is nu helemaal verdwenen. Iedereen is in de ban van liberalisme en kapitalisme.” Als voorbeeld noemde Dijk GroenLinks. Deze partij was onder andere uit de Communistische Partij Nederland voortgekomen maar noemde zich nu liberalistisch. Volgens Dijk was het aan dit liberalistische en individualistische klimaat te danken dat het steeds lastiger was geworden om nog vrijwilligers te krijgen. In de jaren zeventig hielden studenten de winkel draaiend, maar nu was er geen jongere meer die iets wilde doen.[53]

     

    Balans

    De CLIC-winkel was reactionair en vooruitstrevend tegelijkertijd. De vrijgemaakte informatiewinkel ontstond enerzijds in reactie op het linkse politiek-maatschappelijke klimaat in Groningen en maakte reclame voor ultrarechtse organisaties als het Oud-Strijders Legioen, maar CLIC nam wel de linkse methoden van actievoeren over en wilde ook dat de mensen zich meer maatschappelijk bewust werden en zich zouden interesseren voor de Derde Wereld. De informatiewinkel stond daarom tussen twee vuren in, namelijk dat van links actievoerend Groningen dat CLIC vanwege de steun aan Zuid-Afrika fascistisch vond, en dat van de traditionele vrijgemaakten die het kerkgebonden isolement voorstonden. Vooruitstrevende vrijgemaakten en niet-vrijgemaakte orthodoxe protestanten hadden daarentegen veel waardering voor CLIC en zagen dit als een wapenopslagplaats voor de strijd tegen linkse en progressieve krachten. CLIC kan niet los worden gezien van het gepolariseerde klimaat van de jaren zeventig en begin jaren tachtig. CLIC ontstond uit reactie op dit klimaat en droeg er ook aan bij door zich sterk antithetisch op te stellen. Toen het maatschappelijk-politieke klimaat in de loop van de jaren tachtig verzakelijkte was dit het begin van het einde voor CLIC, dat het immers van idealistische vrijwilligers moest hebben.

    Ter gelegenheid van het besluit van CLIC om zichzelf op te heffen bracht de vereniging een afscheids- en jubileumboek uit, waarin oude herinneringen werden opgehaald. Piet de Jong van het Nederlands Dagblad schreef dat CLIC achteraf gezien niet altijd de juiste balans kon vinden tussen een reactionaire, contrarevolutionaire opstelling en een “antirevolutionair geluid”. Hij nam een beetje afstand. Dat deed ook zijn collega Willem Bouwman, die de Moria-brochures en het reactionaire orgaan StaVast van het OSL eufemistisch “bezwaren tegen de geest der eeuw” noemde, daarmee verwijzend naar het pamflet uit 1823 van Isaäc da Costa. Bouwman verbaasde zich echter vooral over de aantrekkingskracht van CLIC op “allerlei types (…) die geschapen waren om actie te voeren of die in onmin leefden met de bestaande orde, met de mensen om hen heen en soms ook met zichzelf”, waarmee hij onder andere doelde op Van der Land. Bouwman heeft hier een punt, want het meest opvallende van CLIC, en dat geldt misschien ook wel voor andere actiecentra (links dan wel rechts), is dat het een walhalla is voor extremisten, querulanten en vrijdenkers. In de loop van de jaren tachtig zijn de politiek-maatschappelijke verhoudingen genormaliseerd. Voor de politieke besluitvorming en Neêrlands economie was dit ongetwijfeld een zegen, maar ons land werd hierdoor wel een beetje saaier.



    [1] A. Bleich, Joop den Uyl 1919-1987, dromer en doordouwer (Amsterdam 2008); J. van Merriënboer, P. Bootsma en P. van Griensven, Van Agt biografie. Tour de force (Amsterdam 2008).

    [2] W. Duyvendak, Klimaatactivist in de politiek (Amsterdam 2008).

    [3] P.H. de Jong, ‘‘Links duldde in de jaren tachtig geen tegenspraak’’, Nederlands Dagblad, 22 augustus 2008.

    [4] A. Verbeij, Tien rode jaren. Links radicalisme in Nederland 1970-1980 (Amsterdam 2005) passim.

    [5] R. Valkenburg, ‘Piet Langeler: N.E.V.’er. Nederlandse maatschappij naar de afgrond door fanatiek “omturnen”’, Koers (9 mei 1975) 29-31.

    [6] Antifascistisch kollektief, De rechterkant van Nederland. Een overzicht van extreemrechtse en fascistische verschijnselen in Nederland (Amsterdam 1983) 13. Het Antifascistisch Kollektief onderscheidde extreem-rechts in drie stromingen, namelijk de rechts-christelijke, de autoritair-rechtse en de fascistische richting.

    [7] ‘Verenigingsnieuws’, Ons Burgerschap/Jeugd & Politiek 31 (15 april 1978) 78-79.

    [8] B. de Vries, ‘Politiek en bestuur in een stroomversnelling’, in: M. Duijvendak en B. de Vries red., Stad van het Noorden. Groningen in de twintigste eeuw Groninger Historische Reeks, nr. 25 (Assen 2004) 399-448.

    [9] CLIC. Statuten. Regeling adviseurschap. Archief en Documentatiecentrum Kampen. Archief CLIC, AD, nr. 303. Doos 1.

    [10] K. Nanninga, Verslag van een jaar CLIC aktiviteiren. (1977-1978). Archief CLIC, doos 1.

    [11] Verkoop van produkten uit Zuid-Afrika (apart instructiestencil). Archief CLIC, doos 1; H. van der Velde, ‘NZAW en CLIC in ’t geweer tegen Outspan Boycotactie’, Zuid-Afrika nú (september 1977) 1. Archief CLIC, doos 11.

    [12] G.J. ten Heuw aan H. Dijk, 22 mei 2007. Archief CLIC, doos 22.

    [13] De South West Africa People’s Organisation streed tegen de bezetting van Zuid-West Afrika door het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Tegenwoordig is SWAPO de regeringspartij van Namibië.

    [14] CLIC nieuwsbrief 1. Clemens Kapuoo vermoord. CLIC nieuwsbrief 2. Links-extremisme. Archief CLIC, doos 20.

    [15] http://www.moria.importantia.com/index.html

    [16] Jaarverslag 1984-1985. Archief CLIC, doos 1; zie ook: J.L. van Baaren (83) overleden’, Nederlands Dagblad, 20 maart 1998.

    [17] Wat is CLIC? November 1980. Archief CLIC, doos 3; H. van der Velde aan J.G. Reuchlin, 10 november 1978. Kopie. Archief CLIC, doos 2.

    Toen in 1977 Verbrugh de nieuwe lijsttrekker van het GPV werd wilde hij graag dat op het Nationaal Appèl, de grote verkiezingsbijeenkomst van de partij tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen, in de pauzes militaire marsmuziek werd gedraaid. Zie: Notulen CVR 18 februari 1977. Notulen CVR 19 januari 1977 – 7 december 1978. ADC Kampen. Archief GPV, nr. 5.

    [18]P.J.G.A. Ego aan CLIC, 10 november 1979; H. Dijk aan P.J.G.A. Ego, 16 november 1979. Kopie. Archief CLIC, doos 2.

    [19]Notulen vereniging CLIC, 9-12-’81; Notulen ALV vereniging CLIC, 4-3-’82. Archief CLIC, doos 1.

    [20] ‘Uitspraak in kort geding voor Groninger rechtbank: J.G. van der Land mag niet meer optreden als secretaris VOCO’, Nederlands Dagblad, 30 maart 1983.

    In 1986 werd Van der Land bovendien ontslagen als docent maatschappijleer, omdat hij een homoseksuele leerling een “vuile aids-verspreider” had genoemd. Zie: ‘De Nieuwe Partij’, Nomen Nescio, 14 oktober 1993.

    [21] Notulen ALV CLIC, 16-1-’80. Archief CLIC, doos 1.

    [22] J.G. van der Land, ‘De geest en achtergronden van Amnesty International’, Opbouw 22 (9 juni 1978) 182-183.

    [23] Actiekrant vrijheid voor de zeven van Moskou. Special van ‘Zon der gerechtigheid’, tweemaandelijks contactblad van de Christelijke Stichting voor Hulp aan Gewetensvervolgden 4e jaargang, nr. 1 (januari/februari 1983). Archief CLIC, doos 11.

    [24] Anno domini 1986. Bijlage voor Christenen voor Israël / Zon der Gerechtigheid / Schreeuw om Leven.  Archief CLIC, doos 12.

    [25] Christelijke Stichting voor Hulp aan Gewetensvervolgden aan de minister van Justitie, z.d. 1981. archief CLIC, doos 18.

    [26] Persbericht Jubilee Campaign Nederland. Gezamenlijke actie voor vrijlating van christenen in Vietnam, februari 1999. Archief CLIC, doos 22.

    [27] Meine [Jansma], Gedachten over de verhouding tussen mens en schepping, 24-5-80. Archief CLIC, doos 1.

    [28] Verslag van de CLIC-activiteiten van 1 mei 1980 t/m 30 april 1981; Jaarverslag 1981-1982. Archief CLIC, doos 1.

    [29] Notulen ALV CLIC, 21-9-’79. Archief CLIC, doos 1.

    [30] P. Vangert, ‘CLIC voor uw geestelijke weerbaarheid’, Koers, 28 september 1984.

    [31] Notulen bestuur GPV Groningen, 16 februari 1977. Archief GPV, nr. 270. Notulenboek Gereformeerde Kiesvereniging “Schrift en Belijdenis” Groningen. Maart 1975 – maart 1989.

    [32] Logboek I. 1e jaargang ’77-’78. 4 augustus 1977. Archief CLIC, doos 5.

    [33] Notulen ALV CLIC, 21-9-’79 en Bestuursmededelingen 20-8-’79 en 4-9-‘79. Archief CLIC, doos 1.

    [34] Jaarverslag 1981 Vereniging Informatiecentrum De Bron. Archief CLIC, doos 3; Notulen ALV CLIC, 16-4-’82. Archief CLIC, doos 1.

    [35] ‘Christelijk tegengewicht aan linkse propaganda. Alternatieve wereldwinkel CLIC in Groningen’, Reformatorisch Dagblad, RD-plus, 6 juli 1979; P. Vanger, ‘Clic voor uw geestelijke weerbaarheid’, Koers 28 september 1984.

    [36] Notulen CLIC, 22-4-’83. Archief CLIC, doos 1. C. Rijke aan geachte lezer, oktober 1983. Archief CLIC, doos 3.

    [37] Logboek I. 1e jaargang ’77-’78. 17 september 1977. Archief CLIC, doos 5.

    [38] R. Wiskerke aan het bestuur van CLIC, 20 augustus 1985. Archief CLIC, doos 4.

    [39] ‘Ruit CLIC-winkel in Groningen besmeurd’, Nederlands Dagblad 15 juni 1978.

    [40] Gemeentepolitie Groningen, aangifte van vernieling, 12 mei 1983. Archief CLIC, doos 1.

    [41] Gemeentepolitie Groningen, aangifte terzake van vernieling, 21 januari 1984. Archief CLIC, doos 1.

    [42] Jaarverslag CLIC 1985-1986. Archief CLIC, doos 1.

    [43] ‘Anti-apartheidsaxie’, Bluf!, 12 september 1985.

    [44] H. Dijk aan Centrumpartij, 25 april 1981. Kopie. Archief CLIC, doos 3. Zie verder: Middenweg 81:3. Niet rechts, niet links. Verkiezingsnummer II. Orgaan van de Centrumpartij. Archief CLIC, doos 20.

    [45] S. Wijsman, ‘CLIC een Wereldwinkel?’, De Lawine, 1 oktober 1985.

    [46] Zie: ‘Krakers en autonomen dreigen met nieuw geweld: “Hoe lang kunnen we hiermee nog ongestraft doorgaan?”’, Nederlands Dagblad, 27 september 1985.

    [47] E. van Middelkoop aan H. Dijk, 7 november 1985. Archief CLIC, doos 15.

    [48] Dreigbrief. Archief CLIC, doos 15. De brief is niet gedateerd maar is volgens een proces verbaal op 18 juni 1987 of eerder binnengekomen.  Amandla is een woord uit het Xhosa en Zulu en betekent “kracht/macht”. Het woord werd veel gebruikt als strijdkreet in het verzet tegen de Apartheid onder andere door het ANC.

    [49] Notulen ALV CLIC, 27-6-1986. Archief CLIC, doos 1.

    [50] Notulen ALV CLIC, 21-11-1986. Archief CLIC, doos 1.

    [51] Jaarverslag vereniging CLIC 1986-1987. Archief CLIC, doos 1.

    [52] Groningen, 24 mei 2007. Archief CLIC, doos 23.

    [53] P. Sneep, ‘‘De saamhorigheid is verdwenen’’, Nederlands Dagblad, 23 mei 2007.

    Tags: CLIC, GPV, links, rechts, RPF
    Read More