Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Uit de oude doos: Socialistisch Pamflet tegen de Partij van de Arbeid

    0

    Deze recensie verscheen vrijdag 4 april 2008 in het Katern, de boekenbijlage van hetNederlands Dagblad.

    Arie van der Zwan, Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA (Amsterdam : Balans 2008). ISBN 9789050189149

    Arie van der Zwan, ex-topmanager, hoogleraar en biograaf, heeft een boek over zijn Partij van de Arbeid geschreven. De titel ‘Van Drees tot Bos’ en de ondertitel ‘Zestig jaar succes en mislukking’ zijn geslaagd, over de tweede ondertitel ‘Geschiedenis van de PvdA’ ben ik wat minder gelukkig. Het boek is namelijk geen geschiedenis van de PvdA, in ieder geval geen geschiedenis in enge zin. Hoofdvraag van het boek is waarom de partij het nu zo slecht doet. Van der Zwan zou hierover een essay kunnen schrijven voor het NRC Handelsblad, Trouw of Socialisme & Democratie, maar hij heeft besloten aan zijn frustraties over de slecht presenterende PvdA een heel boek te wijden. Lezers die, afgaande op de titel, denken aan een wetenschappelijk verantwoord verhaal of een gedenkboek met leuke plaatjes zoals Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 (1986) van Den Uyl-biograaf Anet Bleich, worden op het verkeerde been gezet. Het boek geeft alleen de mening weer van de auteur over de PvdA, een partij waar Van der Zwan een haat-liefde-verhouding mee heeft. Als hij nu een belangrijke PvdA-prominent was – een Wim Kok, Ed van Thijn, een Klaas de Vries, een Felix Rottenberg of een Max van den Berg – dan zou zijn boek misschien enige deining kunnen veroorzaken, maar Van der Zwan is binnen de partij een linksbuiten met dissidente ideeën over de allochtonenproblematiek, kortom iemand die door de PvdA gemakkelijk genegeerd kan worden.

    De gekozen vorm roept verwarring en daarom irritatie op. Ondanks het feit dat het hier om een socialistisch pamflet gaat, presenteert Van der Zwan zijn verhaal als een objectieve weergave van de geschiedenis van de PvdA. Feitelijke gebeurtenissen en juiste analyses zijn echter zeer vermengd met tendentieuze typeringen (“Het toonde evenzeer hoe begerig de PvdA was om toe te treden tot het politieke kartel en daarin zelfs een leidende rol te vervullen”, “In het machtsspel zou de KVP heel wat gewiekster blijken te zijn dan de PvdA”) en zeer gekleurde beschrijvingen (“Zoals de gevestigde orde Troelstra’s oproep in 1918 had aangegrepen om alles wat links was in de ban te doen, zo deed de opvolger van de SDAP datzelfde in mei/juni 1945 met de communisten en eenieder die zich met hen verbond of zelfs maar met hen sympathiseerde”) , die echter niet controleerbaar zijn omdat een notenapparaat in zijn geheel ontbreekt en de literatuurlijst verre van volledig is.

    Kern van Van der Zwans betoog is dat de Partij van de Arbeid, sinds de oprichting in 1946, haar sociaal-democratische geboortepapieren heeft verloochend. De partij mikte namelijk op de kiezers van het midden, schudde begin jaren zestig en opnieuw in de jaren negentig haar “ideologische veren” af en liet zich, behalve in 1972/3, bij de coalitiebesprekingen waarbij men betrokken was inpakken door de verraderlijke christendemocraten.

    Het is daarom niet verwonderlijk dat de Socialistische Partij van Jan Marijnissen de volle sympathie heeft van Van der Zwan, omdat de SP het gat op links opvult dat de PvdA, behalve in de tijd van Den Uyl, heeft laten liggen. De eigenlijke reden van de oprichting van de PvdA, de Doorbraak, de poging om de tegenstelling tussen confessionele en niet-confessionele partijen op te heffen en in Nederland een tweepartijenstelsel te laten doen ontstaan, wordt door Van der Zwan miskent. Dat de PvdA niet slechts de voortzetting van de vooroorlogse socialistische SDAP was maar een fusie van deze partij met de vrijzinnig-democratische VDB en de progressief-christelijke CDU, bagatelliseert hij. Zijns inzien horen de vrijzinnig-democraten eigenlijk niet bij de PvdA. Ook Wouter Bos die uit een christelijke Doorbraakfamilie komt en daarom niet zo’n zin had in de linkse lente van Marijnnissen en Femke Halsema, kan op weinig waardering van de auteur rekenen.

    De Katholieke Volkspartij en later het CDA spelen in het betoog van Van der Zwan de rol van antagonist. Zij blijven, behalve tijdens het kabinet-Den Uyl en het Paarse intermezzo (1994-2002) in het centrum van de macht en geven er in de regel de voorkeur aan om met de liberalen te regeren. De stelling van RKSP-leider W.H. Nolens, dat alleen in “uiterste noodzaak” met de SDAP geregeerd mocht worden, gaat volgens Van der Zwan ook op voor de houding van de christendemocraten ten opzichte van de PvdA. Men gaat alleen met de PvdA in zee als deze partij dusdanig is verzwakt, zoals in 1989 (het kabinet-Lubbers III) en 2006 (Balkende-IV), of wanneer men uit is op een breuk met de PvdA om vervolgens weer met de liberalen te regeren, zoals in 1965/6 (Cals) en 1981/2 (Van Agt-II). Op zich is dit wel een interessante bewering, maar zo’n bewering moet worden onderbouwd en dat doet Van der Zwan in zijn uit de hand gelopen essay niet.

    Interessant is wel Van der Zwans positionering in het debat over de multiculturele samenleving. Hij onderschrijft de kritiek van Bolkenstein en Fortuyn en moet niets hebben van de struisvogelpolitiek die wordt bedreven door de PvdA en het elitaire GroenLinks van Halsema. Ook hieruit blijkt dat Van der Zwan beter past bij de SP.

    Van der Zwans pathetische pamflet eindigt met een aanval op Wouter Bos, die zich volgens helemaal zou laten inpakken door het CDA en door zijn pragmatische sociaal-liberale koers en de focus op hoe goed hij het in de media deed (‘De Wouter tapes’) verantwoordelijk zou zijn voor de neergang van de PvdA, die eigenlijk al was ingezet met de pragmatische Wende van Wim Kok.

    Het PvdA-bashende boek, dat net als de boeiende biografie van Bleich over Joop Den Uyl bij uitgeverij Balans is verschenen, zal ongetwijfeld op het nachtkastje van Jan Marijnissen komen te liggen. Wouter Bos – die zich na het verkiezingsdebacle van november 2006 ontpopt heeft tot een uitstekend minister die in tegenstelling tot vele linkse lieden van zijn partij niet doet aan kabinetje-pesten – hoeft van Van der Zwans slagen in de lucht echter geen minuut wakker te liggen.

    Tags: Anet Bleich, Arie van der Zwan, Ed van Thijn, Joop den Uyl, PvdA
    Read More
  • Platform voor extremisten en vrijdenkers

    0

    20060907-wl-partij-voor-de-dieren-600

    Dit artikel stond in het Nederlands Dagblad van vrijdag 28 juli 2006
    door Ewout Klei
    Kleine politieke partijen zijn vooral een forum voor mensen om hun radicale ideeën in kwijt te kunnen, een perfect platform voor extremisten, querulanten en vrijdenkers.Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 deden meer dan twintig politieke partijen mee aan de strijd om de gunst van de kiezer. Om enigszins wegwijs te worden in de jungle, die in Nederland partijpolitiek wordt genoemd, schreef de Groningse journalist Henk J. Meier het Politiek Zakboek 1967. In zijn boekje zijn naast de gevestigde partijen de kleine partijen opgenomen en veel partijen, deels nieuwe partijen, die niet in het parlement waren vertegenwoordigd. Naast D’66 waren dit onder andere de Partij voor Ongehuwden, de Republikeinse Partij, de Partij van het Recht, de Christen Democraten Unie en last but not least de Christelijk Nationale Volkspartij voor Monarchale Democratie (CNVPvMD).Vandaag de dag lijkt het niet veel anders met de politiek gesteld. Na het grote succes van nieuwkomer Lijst Pim Fortuyn, die in 2002 26 zetels haalde, beproefden in 2003 enkele nieuwe partijtjes, zoals de Partij voor de Dieren, Lijst Emile Ratelband en conservatieven.nl hun geluk. In 2006 zullen andere ‘fortuynzoekers’ een poging wagen. Bij de kiesraad staan tientallen politieke partijen ingeschreven die niet in het parlement worden vertegenwoordigd. Deze kleine partijtjes zijn het perfecte platform voor extremisten, querulanten en vrijdenkers. In kleine partijtjes kunnen ze ongestoord werken aan radicale en/of buitenissige ideeën waar in grote partijen geen ruimte voor is. De Partij voor Naastenliefde Vrijheid en Diversiteit (PNVD) pleit bijvoorbeeld voor legalisatie van seks tussen volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar en naaktloperij.

    Welke partijtjes maken kans om in het parlement te worden verkozen? En wat is de functie van deze partijtjes voor de Nederlandse politiek?

    Afzetten
    Laten we beginnen bij DeZES. Deze partij werd op 13 mei 2006 opgericht in Zutphen door D66-dissidenten. Op de website staan een enthousiast meisje en DeZES-kroonjuwelen als ‘One man, one vote’, ‘radicale democratisering’ en ‘online politiek’. DeZES wil een online monitor-groep in het leven roepen waarvan alle partijleden lid kunnen worden. Deze groep moet DeZES-vertegenwoordigers in de toekomst controleren en zo nodig afzetten. DeZES denkt in november tenminste één zetel te kunnen halen. Hoewel online-ostracisme wel een aardig idee is (bierviltjes-ostracisme is misschien nog aardiger), doet DeZES denken aan WorldOnline van Nina Brink: een zeepbel.

    Radicaler dan DeZES is de Continue Directe Democratie Partij van Rob Verboom. De partij haalde op 20 december 2005 het dagblad Trouw. De CDDP wil met een continu referendum onder de leden bepalen wat haar vertegenwoordigers gaan stemmen. De CDDP heeft zelf geen standpunten. Het Documentatiecentrum voor Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) verwijst op zijn website naar de CDDP, maar de informatie over de CDDP op de online encyclopedie Wikipedia is genomineerd voor verwijdering.

    Dieren
    DeZES en de CDDP willen vertegenwoordigers reduceren tot stemvee, de Partij voor de Dieren van Marianne Thieme komt op voor de rechten van het dier en ziet dit als de logische stap in het evolutionaire proces dat emancipatie heet. Volgens Thieme hebben andere diervriendelijke partijen, zoals GroenLinks, te weinig prioriteiten gegeven aan de rechten van het dier. De in 2002 opgerichte PvdD kreeg in 2003 47.665 stemmen, net iets minder dan driekwart van het aantal dat benodigd is voor een zetel. Misschien heeft de partij in november 2006 meer succes.
    De Partij voor de Dieren is een one-issuepartij en principiële criticus van GroenLinks, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders lijkt hier op maar bekritiseert de VVD. In de peilingen is de conservatief-liberale partij goed voor drie zetels. De PvdV wil lagere belastingen, een verbod op het preken in moskeeën in een andere dan de Nederlandse taal, vervanging van artikel 1 van de Grondwet door een artikel waarin het joods-christelijke en humanistische culturele erfgoed wordt beschermd. Hoewel de PvdV door deze houding in de marge van de politiek komt te staan, zorgt Wilders er wel voor dat de VVD, uit angst voor verlies van rechtse kiezers, Rita Verdonk in het zadel wil houden.

    Door zich te verbinden met de conservatieve intellectueel Bart Jan Spruyt hebben Wilders en zijn PvdV wellicht nog wat te melden. De partij-in-wording van Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam en het LPF-Kamerlid Joost Eerdmans – met wie Wilders zich absoluut niet wil associëren – kenmerkt zich daarentegen door een totaal gebrek aan inhoud. Een mogelijke partijnaam luidt namelijk: Niet Lullen Maar Poetsen. Zelfs Peter R. de Vries, wiens Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang (PRDV) na enkele maanden een zachte dood stierf, had meer fantasie.

    Verder zijn er nog de rechtsextremistische partij NieuwRechts van Michiel Smit, de Vooruitstrevende Integratiepartij van Mr Drs R. Dhalganjansing, die zijn halve familie op de lijst heeft gezet; de Pacifistisch-Socialistische Partij ’92 en de Nieuwe Communistische Partij Nederland die niet wilden meedoen met GroenLinks (nu nog het Nieuw Gereformeerd Politiek Verbond), de Liberaal-Democratische Partij, Nederland Transparant, Duurzaam Nederland, de Progressief-Democratie Partij, de Directe Democraten, de Partij van de Toekomst (zet zich in voor feest), Forza! Nederland, de Republikeinse Socialisten, etc. etc. etc.

    Van sommige partijen werkt de website het niet meer, wat betekent dat de partij niet meer actief is. Veel kleine partijen zijn het initiatief van een of twee mensen en het is altijd maar de vraag hoe lang ze ermee willen doorgaan. Een website in de lucht houden is voor sommige partijen kennelijk al moeilijk, maar als een nieuwe partij daadwerkelijk aan de verkiezingen wil meedoen, moet men per kieskring (Nederland kent negentien van dit soort kringen) dertig handtekeningen verzamelen en bovendien een waarborgsom van 11.250 euro betalen. Wanneer de partij de kiesdeler niet haalt, wordt deze borgsom niet terugbetaald.

    In het Politiek Zakboek 1967 vertelt Meier over J.F.N. van Os, de lijsttrekker van de eerder genoemde CNVPvMD, die in 1967 bijna failliet raakte omdat hij steeds weer probeerde in de Kamer verkozen te worden. VermakelijkKleine politieke partijen zijn vooral een forum voor mensen om hun radicale ideeën in kwijt te kunnen. De politieke invloed van veel partijtjes is nihil. Ze zijn vooral erg vermakelijk. Sommige partijtjes bedreigen door hun principiële opstelling echter grotere partijen (zoals de PvdD Groenlinks en de PvdV de VVD) en oefenen indirect invloed uit. Ten slotte kunnen kleine politieke partijtjes soms voor een grote doorbraak zorgen, omdat ze iets verwoorden waarmee men in Den Haag geen rekening heeft gehouden. Maar tot dusverre zijn alleen D66 en LPF hier in geslaagd.

    Tags: CDDP, CNVPvMD, DeZes, Partij voor de Dieren
    Read More
  • Uit de oude doos: Grote sprong voorwaarts van Jan Marijnissen

    0

    Dit artikel stond in het Nederland Dagblad van 18 juli 2006

     

     

    Jan Marijnissen zou wel willen regeren met PvdA en CDA. Maar dan moet hijzelf geen minister worden, meent historicus Ewout Klei.

    Jan Marijnissen, roerganger van de Socialistische Partij, heeft voor menig partijlid een te grote sprong voorwaarts gemaakt. Maandagnacht 10 juli 2006 zei hij in het radioprogramma BRN Laat dat zijns inziens een kabinet van CDA, PvdA en SP tot de mogelijkheden behoort. Bovendien wilde hij in dit kabinet misschien minister van Justitie of Sociale Zaken worden. Eerder dit jaar had de SP zich altijd ondubbelzinnig uitgesproken voor een coalitie met GroenLinks en PvdA.

    Dit volksfront – de nachtmerrie voor de lezers van het blad Elsevier dat hier in maart 2006 een special aan wijdde – is volgens de laatste opiniepeilingen echter goed voor slechts 67 zetels. Maurice de Hond voorspelt voor komende herfst geen linkse lente (maar met de grote schommelingen in de opiniepeilingen weet je het maar nooit) en Marijnissen acht een coalitie van de SP met CDA en PvdA waarschijnlijker dan het linke luchtkasteel van Femke Halsema. Zijn afkomst is hier wellicht debat aan: de Tovenaar van Oss begon zijn carrière namelijk als worstenmaker. Maar in hoeverre is zijn vierjarenplan realistisch? Is de SP wel in staat om het land te dirigeren? Is Marijnissen wel geschikt als minister? En wat voor partij is de SP? Ik wil met het laatste beginnen.

    Actiepartij
    De in 1972 opgerichte SP is begonnen als een maoïstische afsplitsing van de Communistische Partij Nederland. Mao Zedong werd echter snel afgezworen en de partij ging zich op Nederland richten. De SP was lange tijd louter een lokale actiepartij die nauw verbonden was met allerlei buitenparlementaire groeperingen, zoals ‘de Bond van Huurders en Woningzoekenden’, ‘het Milieu Aktie Centrum’ en ‘Arbeidersmacht’. De machtsbasis van de partij lag in Oss en Nijmegen.

    In 1977 had de partij zonder succes meegedaan aan de Tweede Kamerverkiezingen. Pas in 1994 werd een tweede poging ondernomen. Ditmaal met succes want er werden twee zetels behaald. De SP had een populistische campagne gevoerd. De leus van de partij was: Stem tegen, stem SP. Symbool werd de tomaat. Volgens de SP-site is de tomaat namelijk ‘Boordevol gezonde vitaminen maar ook een geducht protestwapen tegen slecht politiek toneel’. De SP zou je daarom met enige creativiteit de rode tegenhanger van De Tegenpartij van F. Jacobse en Tedje van Es (Van Kooten en De Bie) kunnen noemen.

    Omdat de SP het goed doet in de Kamer (heldere taal, duidelijke oppositie tegen Paars) wist de partij bij de verkiezingen van 1998 vijf zetels te halen. In 2002 werden dit er negen. De nieuwe verkiezingsleus werd ‘Stem voor’ (een ander kabinetsbeleid). Begin 2004 verloor de SP een zetel toen Ali Lazrak uit de fractie werd gezet maar niet wilde vertrekken uit de Kamer. Er zijn acht kamerleden overgebleven. Behalve Marijnissen genieten Agnes Kant en Harry van Bomnmel ook enige landelijke bekendheid, de laatste wegens zijn actie tegen de Europese grondwet.

    De SP is tegenwoordig met 45715 leden de derde partij van het land, en laat hiermee ook de VVD achter zich. De partij heeft een sterk wij-gevoel en koestert een negentiende-eeuws vijandbeeld. De SP is namelijk de enige partij in Nederland die zich nog strijdbaar durft op te stellen tegen het kapitalisme (tegenwoordig het neoliberalisme geheten), terwijl PvdA en GroenLinks het enorm laten afweten.

    De SP heeft in dit opzicht wel wat van de kleine christelijke partijen die ook negentiende-eeuwse tegenstellingen vooropstellen (namelijk de antithese tussen christelijke en niet-christelijke partijen) en het CDA verwijten niet principieel genoeg te zijn, vooral wat ethische kwesties betreft. De SP is net als de kleine christelijke partijen erg nationaal-denkend: Nederland moet uit de NAVO, de Europese Unie is een gevaarlijk kapitalistisch en bureaucratisch machtscentrum en de gulden moet worden heringevoerd. Dit zijn niet echt politieke punten waarmee een partij zich Regierungfähig maakt.

    Oude eik
    Terug naar Marijnissen. Eerder genoemde Lazrak heeft twee zonden begaan die hem tot een verstotene maakten: hij had kritiek op de financiële afdrachtregeling (kamerleden moet een deel van hun inkomen afstaan aan de partijkas) en op het leiderschap binnen de partij. Marijnissen is de onomstreden leider van partij en wil dat blijven. Samen met Bas van der Vlies is hij de enige politieke leider die is blijven zitten na de Fortuyn-revolte. Verder is Marijnissen niet alleen fractievoorzitter maar ook partijvoorzitter. Andere partijen kennen een machtenscheiding (de ARP voerde dit bijvoorbeeld vijftig jaar geleden in na het vertrek van Schouten in 1956), maar Marijnissen wil hier niets van weten. In een reportage van Netwerk op 30 juni 2006 zegt hij: ,,Als je fractievoorzitter en voorzitter van de partij gaat scheiden, krijg je verdeeldheid binnen een partij en ga je elkaar het leven zuur maken. Wij gaan geen verdeeldheid bij onszelf organiseren. Wij zijn geen masochisten, wij willen gewoon gezamenlijk vooruit.”

    Marijnissen wil daarom niets weten van lijsttrekkerverkiezingen. Bij VVD en D66, die deze verkiezingen wel hebben gehouden, zou het alleen gaan om de poppetjes. Bij de SP om de inhoud. Dat ook de SP niet vies is van populisme vertelde Marijnissen niet. Volgens de SP-leider zijn andere SP-kamerleden blij dat ‘Jan’ het nog een keer weer doet. Hoewel de andere kamerleden in zijn schaduw staan, is Marijnissen niet bang dat er geen mensen gevonden worden die hem ooit eens kunnen opvolgen. In een aardige quasi-bijbelse metafoor vergelijkt hij zichzelf met oude eik die moet worden omgehakt. ,,Dan komt er onbelemmerd zonlicht op de aarde en dan moet je eens zien wat er opeens allemaal gaat groeien.” Maar vooralsnog wordt de oude eik niet omgekapt. ,,Eiken kunnen heel oud worden en het hout wordt alleen maar beter naarmate de leeftijd vordert.”

    Ministerabel
    Is de oude eik geschikt als minister? En is de SP geschikt om te regeren? Marijnissen lijkt mij een zeer sympathieke man en hij is een bekwaam parlementariër, maar ik denk dat hij maar beter geen minister kan worden. Zijn politieke stijl verschilt te zeer met die van Jan Peter Balkenende en Wouter Bos. Als hét gezicht van de SP staat hij voor vriend en vijand als te geprofileerd bekend. Als minister kan hij eventuele pijnlijke beslissingen niet uitleggen aan de achterban. Of hij wil ze niet nemen zodat het een vechtkabinet wordt, en de SP dezelfde rol gaat vervullen als LPF in Balkenende I en D66 in Balkenende II. Ten slotte is de kans groot dat PvdA en CDA samen 76 zetels halen, en dan is de SP helemaal niet nodig.

    Marijnissen heeft niettemin een belangrijke wissel omgetrokken toen hij zei dat de SP kan regeren met het CDA. Regeringsdeelname van de SP in de toekomst (over acht jaar misschien) is niet bij voorbaat onmogelijk. Als typische partij van de oppositie kan de SP veel van haar radicale politieke ideeën natuurlijk niet verwezenlijken. Maar er is wel een bepaalde ontwikkeling aan de gang. De partij is begonnen als een maoïstische splinter en werd al gauw een lokale actiepartij. De partij heeft sinds 1994 indruk gemaakt in het parlement en blijft gestaag doorgroeien. Kant en Van Bommel zijn bekwame parlementariërs (en wat minder geprofileerd dan Marijnissen) en zouden heel goed wel eens minister kunnen worden.

    Wanneer de SP een regeringspartij wordt, zal de partij wel ingrijpend van karakter veranderen. Bij een partij met regeringsverantwoordelijkheid passen buitenparlementaire acties en populistische leuzen niet. Ook zal een radicaler deel zich wellicht niet meer in de partij herkennen en op een andere tegenpartij stemmen. De SP heeft echter het vermogen zich aan te passen aan de veranderende tijdsomstandigheden. Haar successtory heeft de partij hier vooral aan te danken.

    Tags: Jan Marijnissen, SP
    Read More
  • Uit de Oude Doos: Rechtsom met de tijdgeest mee

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/8/9/1/4/1001004002814198.jpg

    Deze boekbespreking stond in Het Katern, de boekenbijlage van het Nederlands Dagblad, op vrijdag 17 november 2006.

    door: Ewout Klei

    Op 3 februari 2001 schreef Joshua Livestro in NRC Handelsblad dat het conservatieve moment was aangebroken. Op zaterdag 26 augustus 2006 schreven Livestro en Bart-Jan Spruyt in dezelfde krant dat dit moment voorbij was.

    De poging om een brede rechts-conservatieve stroming in de Nederlandse politiek te vormen, was volgens deze conservatieven naïef geweest. Door persoonlijke vetes en egomanie was de rechterkant van het politieke spectrum versplinterd. Spruyt verliet de Partij voor de Vrijheid en trok zich terug in de politieke woestijn, nadat hij tevergeefs had geprobeerd Wilders met de zelfbenoemde ‘zonen van Pim’ (Marco Pastors en Joost Eerdmans) te verenigen. Ook de VVD leek afstand te hebben genomen van een rechtsere koers: Ayaan Hirsi Ali (Magan) moest Nederland overhaast verlaten en ‘iron lady’ Rita Verdonk verloor de lijsttrekkersverkiezingen van het guitige knaapje Mark Rutte.

    De (mislukte) pogingen die de afgelopen vijf jaar zijn ondernomen om te komen tot de vorming van een krachtige rechts-conservatieve stroming en partij, en de kansen die er nu misschien zijn om dit alsnog te proberen, staan centraal in de bundel Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage Landen, onder redactie van Huib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben. Het boek snijdt een hoogst actueel thema aan, dat op gedegen wetenschappelijke wijze wordt behandeld. Jammer is wel dat er vooral aandacht is voor de ideologische kant van de zaak. De culturele kant van de Fortuynrevolte en de gevolgen hiervan voor de Nederlandse politiek, zoals de veranderende kijk op leiderschap en de grotere rol van de media, krijgen te weinig aandacht, terwijl juist de herwaardering van het theater de politiek weer interessant heeft gemaakt.
    Vervreemden
    De bundel begint met een artikel van Pellikaan. Hij vindt dat het aloude links-rechtsschema ontoereikend is om de ruimte op rechts, die ontstond doordat de VVD onder Hans Dijkstal een meer sociaalliberale koers uitstippelde, te verklaren. Als het ging om immigratie en de islam stond Fortuyn toentertijd duidelijk rechts van de VVD, maar in zijn roep om politieke vernieuwing en kritiek op de verwaarlozing van de collectieve sector stond hij juist aan de linkerkant.

    De VVD probeerde na mei 2002 het gapende gat op rechts te dekken, maar kon niet zomaar de rechts-conservatieve richting van Geert Wilders inslaan. Dit zou immers de traditionele achterban van de partij vervreemden. Volgens Sander Dekker en Luuk van Middelaar heeft de VVD – in navolging van Pim Fortuyn en diens ,,illustere voorganger en voorbeeld” Joan Derk van der Capellen – een tijdlang voor een republikeinse weg gekozen, met de nadruk op een actief burgerschap, het zogenaamde citoyen-liberalisme. Waar bourgeois-liberalen als Hans Wiegel en Mark Rutte zich op het spel van de markt richtten, stelden de republikeinse citoyen-liberalen Ayaan Hirsi Ali en Rita Verdonk de participatie van burgers centraal en de staat als oorsprong en waarborg van onze constitutionele vrijheden. Religie, of het nu het calvinisme van Kuyper is of de islam, zou deze vrijheden in de weg staan. Vandaar dat Hirsi Ali en Verdonk het bijzonder onderwijs zo fel bestrijden, waar Wiegel er geen moeite mee heeft.
    Beschermen
    Dat actief burgerschap niet perse een sterke staat impliceert, is de overtuiging van Spruyt, die een herziening van het kiesstelsel bepleit om Nederland verder te democratiseren. Spruyt keert zich in zijn artikel over de Amerikaanse filosoof Leo Strauss tegen moreel relativisme, dat leidt tot nihilisme en geweld. Spruyt staat een conservatisme van prudentie (inzicht, verstandig oordeel) voor, dat – in tegenstelling tot het door contrarevolutionaire of fascistisch beïnvloede conservatisme van de paniek – niet leugen en bedrog, irrationeel sektarisme, zelfaanbidding en omverwerping van de rechtsstaat tot gevolg heeft.

    Spruyt wil de rechtsstaat beschermen. De westerse beschaving en de liberale democratie moeten worden verdedigd tegen bedreigingen van binnenuit zoals multiculturele zelfhaat enerzijds, en bedreigingen van buiten zoals de radicale islam anderzijds. ,,De politiek kan en mag geen uitspraken doen over de waarheid van religies, maar kan wel erkennen dat bepaalde religies een fundamentele bijdrage aan het bestaan van de westerse beschaving hebben geleverd, en dat andere – met name de islam – zich problematisch tot het Westen verhouden. Grote waakzaamheid op dat punt is dus geboden, omdat moet worden voorkomen dat grondwettelijke rechten en vrijheden worden misbruikt om deze op den duur af te schaffen.”

    Dit is dus geen aanval op de vrijheid van godsdienst, maar de verdediging van het algemeen belang. Waar Wilders zich ontpopt tot paniekconservatief die de islam als religie wil aanpakken en op deze manier de vrijheid om zeep helpt die hij meent te verdedigen, lijkt Spruyt voorzichtiger te zijn geworden en predikt hij de prudentie.
    Bezieling
    Interessant zijn de artikelen van Hans Vollaard over de avances van de in 2000 door Spruyt, Livestro en rechtsfilosoof Andreas Kinneging opgerichte Edmund Burke Stichting (EBS) naar de SGP, de ChristenUnie en het CDA. De in de marge gedrongen christelijke partijen waren volgens de EBS de natuurlijke bondgenoten tegen Paars. Volgens Kinneging waren niet alle conservatieven christen, maar een christen was van nature conservatief.

    De SGP en de ChristenUnie hadden echter hun bedenkingen. Ze wilden geen conservatieve maar een christelijke bezieling van de samenleving. Bij de conservatieven stond de Bijbel niet centraal. Het CDA daarentegen vond de EBS te principieel. De christendemocraten waren in de praktijk vaak conservatief, maar men wilde zich ideologisch niet al te zeer vastleggen omdat dit de kiezers uit het midden wellicht zou afschrikken en de partij er vooral op uit was om te (blijven) regeren. De C van het CDA stond allereerst voor catch-all.

    Ondanks het feit dat Hans Hillen, Dries van Agt en Eimert van Middelkoop sympathieën voor het conservatisme hadden, lukte het de EBS niet, via de confessionele partijen, een rechtse doorbraak te bewerkstelligen. Spruyts toenadering tot de seculiere, fel anti-islamitische Wilders zorgde voor de definitieve breuk.
    Periodes
    Is er nog hoop voor Spruyt en de zijnen? Jos de Beus gelooft dat het conservatisme de komende jaren de toekomst heeft. Volgens hem wordt de politieke geschiedenis van Nederland in de ene periode door conservatisme en in de andere periode door progressiviteit gedomineerd. Van 1813 tot 1853 was Nederland conservatief, van 1853 tot 1920 progressief, van 1920 tot 1949 opnieuw conservatief, en van 1949 tot 2002 wederom progressief. Als de conservatieve en progressieve periodes zich op deze manier blijven afwisselen, dan hebben we veertig à vijftig jaar conservatisme voor de boeg.

    Het conservatisme in Nederland is niet heel erg uitgesproken, omdat de elite het vermogen heeft zich aan te passen aan de veranderende tijdgeest en signalen uit de samenleving weet op te pikken. Werd het politieke discours van links en rechts na de oorlog beheerst door wat historicus James Kennedy noemt de ‘retoriek van vernieuwing’, nu wordt de politiek door een conservatiever discours beheerst. Volgens De Beus is er daarom niet echt ruimte voor een (neo)conservatieve partij in de geest van Bart-Jan, omdat de bestaande partijen vanwege hun relatieve openheid het nieuwe rechtse gedachtegoed incorporeren in hun eigen programma’s. Niet alleen rechtse maar ook de linkse partijen zijn ‘rechtser’ geworden. Zo heeft de PvdA afstand genomen van het knuffelmulticulturalisme en werd Femke Halsema door haar voorstel om de krachteloze verzorgingsstaat aan te pakken door de VVD-jongeren uitgeroepen tot ‘liberaal van het jaar’.

    Ten slotte was de rechtse intellectueel voor Fortuyn een contradictio in terminis. Vandaag zijn ze niet weg te slaan uit het publieke debat. De grachtengordelgoeroes hebben hun hegemonie verloren. Het conservatieve EBS-moment mag dan misschien nu voorbij zijn, rechts heeft de komende tijd de ruimte.

    Ruimte op rechts? Conservatieve onderstroom in de Lage LandenHuib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben (red.). Uitg. Het Spectrum, Utrecht 2006. 347 blz. € 19,90

    Tags: Bart Jan Spruyt, CDA, Conservatisme, Edmund Burke Stichting, Jos de Beus
    Read More
  • Waarom was de Gay Pride zo saai?

    1

    Dit artikel verscheen vorig jaar op Joop.

    De parade is vooral een feestje van seculiere zelfbevrediging geworden

    Afgelopen weekend bezocht ik dus voor het eerst de Gay Pride. Ik had een paar jaar geleden, bij toeval, de Gay Pride van Londen aanschouwd: een gezellige barbecue voor leernichten en travestieten. In vergelijking daarmee was de Amsterdamse Gay Pride een enorm spektakel. De Prinsengracht vol met bootjes die confetti spoten en de halve stad in het roze.

    Toch viel het festijn in 020 mij enigszins tegen. Had het kleine feestje in Londen nog iets spontaans, in Amsterdam was alles verschrikkelijk commercieel en conformistisch. Akzo Nobel, Vodafone, Google, de Nederlandsche Bank en Thalys hadden allemaal hun eigen boot. Die van Thalys was het leukst, met een roze Eiffeltoren in de vorm van een fallus. Ook D66, GroenLinks PvdA en VVD waren van de partij.  Heel fijn natuurlijk dat ze voor homorechten zijn en dat je naar Kamerleden kon zwaaien, maar spectaculair waren deze bootjes niet. Alleen GroenLinksers hadden een beetje hun best gedaan, door zich allemaal als bijtjes te verkleden. Hun motto was dan ook ‘Bee free’. Ik telde maar één heuse leernichtenboot waarop opzwepende muziek werd gedraaid (ik bedoel dus niet het softcorenummer S&M van Rihanna).

    Over de Gay Pride maakte bijna niemand zich meer boos. Alleen de conservatieve opiniemaker Fop Schipper, die onder andere schrijft voor de Volkskrant en De Dagelijkse Standaard, ergerde zich aan de ‘liberale eenheidsworst’ (no pun intended) die aan Nederland zou worden opgedrongen. Hij stelde op Twitter de retorische vraag: “Is het in Nederland eigenlijk al strafbaar om niet mee te doen met die viespeukerij in de Amsterdamse grachten?” Fop kent de Gay Pride blijkbaar alleen maar van televisiebeelden van tien jaar geleden, toen er op sommige homobootjes nog provocerend gecopuleerd werd. De roze Koninginnedag van afgelopen zaterdag was geen reet aan.

    Waarom was de Gay Pride zo saai? Mijn vermoeden is dat de homo-emancipatie in Nederland is voltooid. Vorig jaar werd er nog gedemonstreerd tegen de weigerambtenaar, het laatste obstakel dat de volledige acceptatie van homoseksualiteit in onze maatschappij in de weg stond. Natuurlijk, in bepaalde christelijke, islamitische en asociale kringen heeft men het nog steeds niet op met homo’s, maar deze intolerante groepen vormen zelf ook minderheden in onze samenleving. De overgrote meerderheid in Nederland accepteert homoseksualiteit als iets volstrekt normaals. De meeste orthodoxe christenen durven het, behalve binnenskamers, niet meer hardop te veroordelen. Vandaar ook dat het politieke engagement van de Gay Pride zich dit jaar vooral op het buitenland richtte: het dictatoriale Rusland van Poetin en een land als Oeganda waar homo’s worden bedreigd met geweld en lange gevangenisstraffen. Het is een beetje vergelijkbaar met de aandacht voor Chili en Cuba tijdens de 1 mei-optochten in de jaren zeventig en tachtig, internationale solidariteit bij gebrek aan grote klassentegenstellingen in Nederland.

    Het is natuurlijk ontzettend mooi dat homoseksualiteit in Nederland zo breed geaccepteerd wordt. De politieke en maatschappelijke noodzaak voor een Gay Pride valt daardoor echter weg. De Gay Pride is nu vooral een feestje van seculiere zelfbevrediging geworden, waar grote bedrijven en seculiere politieke partijen laten zien hoe goed ze wel niet voor homo’s zijn. De Gay Pride is een instituut.

    Er valt in Nederland nog een boel te emanciperen en te detaboeïseren, ook op seksueel gebied. Mensen met een fetisj voor voeten zijn raar en soms ook vies (terwijl een obsessie voor borsten en billen ‘normaal’ is), om maar te zwijgen over liefhebbers van BDSM, luiers, oorwarmers etcetera.

    Het is hoog tijd voor een Fetish Pride.

    Tags: Amsterdam, Eenheidsworst, Fop Schipper, Gay Pride, Londen
    Read More
  • Uit de oude doos: Joop den Uyl als drammer en dromer

    0

    Onderstaande recensie schreef ik in 2008.

     

    Zelden heeft een biografie zoveel aandacht gekregen als de Joop den Uyl-biografie van de journaliste Anet Bleich. Alle grote kranten schreven over haar proefschrift, het stond op teletekst en haalde zelfs het journaal.
    De onthullingen die Bleich deed waren dan ook onthullend. Den Uyl had in zijn jeugd sympathie voor het nationaal-socialisme gehad (het bleek achteraf slechts een jeugdzonde te zijn) en hoewel Den Uyl als minister-president de Lockheed-affaire van 1976 op kundige wijze oploste zorgde hij ervoor dat het Nederlandse publiek niets te horen kreeg van de Northrop-affaire, een andere smeergeldaffaire waar prins Bernhard bij betrokken was.
    Deze onthullingen en de zeer plezierige schrijfstijl van Bleich maken de biografie tot een erg goed boek, dat eigenlijk bij iedereen die geïnteresseerd is in / placht wat te weten over de Nederlandse politiek in de boekenkast zou moeten staan.

    Den Uyl groeide op in een streng gereformeerd gezin, viel in de Tweede Wereldoorlog van zijn geloof, bekeerde zich tot de sociaal-democratie, ging schrijven voor het linkse verzetsblad Vrij Nederland en werd in 1946 lid van de Partij van de Arbeid.
    Den Uyl was een man met grote ambities en had op jonge leeftijd al de ambitie om minister te worden. Als directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, en als wethouder van Amsterdam wist Den Uyl zich in de kijker te spelen zodat hij in 1965 gevraagd werd om minister te worden in het kabinet-Cals. Na de val van dit kabinet in de nacht van Schmelzer werd Den Uyl leider van de PvdA.

    Den Uyl komt in het boek vooral naar voren als een flexibele partijleider die met zijn tijd meeging. Hij ging in debat met andersdenkenden (Provo’s, kabouters, rebelse studenten, communisten etc.) en nam ze serieus. Toen Nederland als gevolg van de culturele revolutie van de jaren zestig ingrijpend veranderde, bewoog Den Uyl tot op zekere hoogte met de nieuwe tijd mee. Den Uyl wilde geen regent zijn en luisterde daarom naar de eisen van de radicale jongeren van Nieuw Links, een pressiegroep binnen de PvdA. Ook liet Den Uyl zich overhalen om leider te worden van het schaduwkabinet van PvdA, D’66 en PPR (de Politieke Partij Radicalen, één van de voorlopers van GroenLinks), dat een progressief kabinet moest voorbereiden.

    De kracht van Den Uyl bleek meteen ook zijn zwakte te zijn. Door zo te afhankelijk te zijn van de radicalen plaatste hij zijn partij namelijk in een onmogelijke positie, waardoor in 1977 ondanks de grote verkiezingsoverwinning de formatie door de PvdA werd verloren. De partij won 10 zetels en kwam uit op 53, maar een tweede kabinet-Den Uyl zou er nooit komen omdat de christen-democraten en hun onnavolgbare leider Dries van Agt uiteindelijk liever met de VVD regeerden.
    Den Uyl had hier zelf de hand in gehad: in het eerste kabinet-Den Uyl waren de christen-democraten geen volwaardige coalitiepartners maar waren ze de ‘witte rand’ van Dan Uyls rode kabinet, waarvan de kern werd gevormd door de drie partijen van het schaduwkabinet. Het CDA wilde in een tweede kabinet-Den Uyl niet opnieuw de tweede viool spelen en wilde daarom niet buigen voor de harde eisen die de PvdA stelde. Den Uyl stond erbij er keek erna. In plaats van in te grijpen en tegen de Tweede Kamerfractie, het partijbestuur en de ledenvergadering van de partij te zeggen dat hun eisen onredelijk waren, deed Den Uyl niets en kwam hij in de formatie uiteindelijk ook buitenspel te staan.

    Het doel van Den Uyl was een politiek tweestromenland te creëren, waar geen ruimte was voor confessionelen maar alleen voor een progressieve en een conservatieve partij. Dit doel streefde hij na de Tweede Wereldoorlog na in Vrij Nederland en als lid van de (aanvankelijke) doorbraakpartij PvdA, en begin jaren zeventig als leider van het progressieve schaduwkabinet en leider van het eerste en enige kabinet-Den Uyl.
    Als gevolg van zijn polariseren ontwikkelde het Nederlandse politieke landschap zich echter in een driestromenland, waar de zich van hun nederlagen herstellende christen-democraten het vermaledijde politieke midden van uitmaakten. De VVD van Hans Wiegel – die erg van de polarisatie had geprofiteerd en groot was geworden door zich af te zetten tegen de potverterende ‘Sinterklaas’ Den Uyl– wilde namelijk onder geen beding met de PvdA in zee.

    De anders altijd voor nieuwe ontwikkelingen openstaande Den Uyl snapte na het niet tot stand komen van zijn vurig gewenste tweede kabinet de veranderde tijdgeest niet. Hij bleef tot 1986 de (betwiste) leider van de PvdA. Pas in 1989, Den Uyl was in 1987 overleden, kon de PvdA weer aanschuiven (als we het kortstondige tweede kabinet-Van Agt even buiten beschouwing laten). Den Uyl was een dromer en een doordouwer. Hij had grote idealen, grootste visioenen om de samenleving te veranderen, maar in de praktijk waren de marges hiervoor te smal. Hoewel den Uyl dit in theorie besefte en in 1970 een artikel over de ‘Smalle marges van de democratie’ schreef, waren zijn dromen te idealistisch en werkte zijn drammen (door Bleich eufemistisch doordouwen genoemd) contraproductief.

    Tenslotte bevat Bleichs biografie helaas een enkel schoonheidsfoutje. Het is jammer dat de leescommissie die er niet uitgehaald heeft. Bijzonder storend vooral vond ik dat Bleich, sprekende over de ‘warme zomer van 1969’, de Praagse Lente en de studentenrellen in Parijs met dit jaartal associeert, terwijl deze gebeurtenissen toch echt in 1968 plaatsvonden. Bleich blijkt dus toch minder een soixante-huitard te zijn dan ik aanvankelijk dacht.
    Afgezien van dit ene voorbeeld is deze opmerking trouwens positief bedoeld, want hoewel de bewondering van de feministe en voormalige linkse activiste Bleich voor Den Uyl duidelijk is, blijft ze objectief en is haar biografie ook de moeite waard voor de Den Uyl-haters. Ondergetekende heeft sympathie voor de persoon Den Uyl gekregen en is het na het lezen van dit prachtige proefschrift daarom in ieder geval niet meer.

     

    N.a.v.: Anet Bleich, Joop den Uyl 1919-1987. Dromer en doordouwer (Amsterdam: Balans 2008). ISBN 9789050188180. 35 euro.

    Tags: Anet Bleich, Dries van Agt, Joop den Uyl, Lockheed-affaire, Nieuw Links
    Read More
  • Uit de oude doos: Mijnheer de voorzitter!

    0

    Met onderstaand verhaal ving ik aan op mijn promotie op 25 mei 2011.

     

    Mijnheer de voorzitter!

     

    In mijn proefschrift geef ik een beschrijving van de geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond. Deze kleine christelijke partij, die in 1948 is opgericht, in 1963 in de Tweede Kamer belandde en in 2000 met de Reformatorische Politieke Federatie is opgegaan in de ChristenUnie, had twee kanten. Enerzijds was het GPV een degelijke partij, die gerespecteerde parlementariërs voortbracht als Pieter Jongeling, Gert Schutte en Eimert van Middelkoop. Anderzijds vormde het GPV een besloten wereld, met een eigen jargon en torenhoge conflictstof. Ook was de partij zeer nationalistisch en sympathiseerde ze tot in de jaren tachtig met de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika.

    Drie gezichtspunten staan in mijn studie centraal: de partijcultuur, de politieke relevantie en de ruimte die het GPV van de meerderheid kreeg om als marginale minderheid een afwijkend standpunt te mogen verkondigen.
    Over de partijcultuur wil ik nu allereerst iets zeggen. Het GPV had een sterke band met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), die zich in 1944 hadden afgescheiden van de Gereformeerde Kerken in Nederland. De zogenoemde Vrijmaking beheerste het GPV lange tijd volledig. Niet alleen was het lidmaatschap de facto alleen voorbehouden aan vrijgemaakt-gereformeerden, maar ook interne partijdiscussies en de manier van omgaan met elkaar werden door de kerk beheerst. De kerkscheuring van 1944 werd gezien als Gods werk en moest daarom op alle terreinen van het leven, ook in de politiek, worden doorgevoerd. Het ging er bovendien om het vrijgemaakte geluid zuiver te houden. Meningsverschillen in het GPV werden algauw op de spits gedreven, met als gevolg dat dissidenten werden uitgezuiverd of dat verontrusten zich opnieuw vrijmaakten.
    In de loop der jaren veranderde het GPV van karakter en werd politieker. Partijideoloog A.J. Verbrugh gaf de partij in de jaren zestig een nationaal gezicht en in de jaren zeventig en tachtig verzakelijkte het GPV, mede als gevolg van professionalisering. Veranderingen in de kerk – eerst de nuchtere theologie van Jochem Douma en later het evangelische denken – zorgden er echter voor dat het GPV zijn exclusief-vrijgemaakte identiteit opgaf en daarna kon opgaan in de ChristenUnie. Ergo: Het GPV was een vrucht van de Vrijmaking, maar kon niet leven zonder de navelstreng van het geloof in de ware kerk. De strik brak los toen men in de kerk de knoop had doorgehakt.

    Om de politieke relevantie van het GPV goed te kunnen duiden heb ik gebruik gemaakt van de relevantietheorie van de politicoloog Giovanni Sartori. Volgens Sartori kunnen partijen op twee manieren relevant zijn, namelijk als (eventuele) regeringspartij en als oppositiepartij die het beleid van de regering effectief weet bij te sturen. Hoewel het GPV nooit in de regering zou belanden werd er af en toe wel eens gespeculeerd op een regering die zou leunen op GPV-steun, al dan niet in een gedoogconstructie. In 1972 speculeerden sommige kranten over een ministerspost voor Jongeling, en in 1981 en vooral in 1986 schreven veel kranten over de Staphorster variant, een centrumrechts kabinet dat de steun kreeg van GPV, RPF en de Staatkundig Gereformeerde Partij. De feitelijke gedoogsteun van het GPV is eigenlijk één keer echt effectief geweest, namelijk in 1980 toen het wankele kabinet-Van Agt I mede dankzij de steun van Kamerlid Verbrugh een motie van wantrouwen op het nippertje overleefde.
    Als oppositiepartij slaagde het GPV er zelden in het beleid van de regering bij te sturen. Alleen de Algemene Wet Gelijke Behandeling werd dankzij de protesten van GPV (en RPF en SGP) zodanig aangepast, dat orthodox-christelijke scholen nu nog steeds homoseksuele leerkrachten mogen weigeren. In het onderzoek kwam ik er achter dat de theorie van Sartori zich te erg fixeert op macht. De politieke relevantie van het GPV had niet zo zeer te maken met macht, maar vooral met invloed. Dankzij het optreden van Jongeling (en CPN-politicus Marcus Bakker) werd de kiesdrempel niet verhoogd, en bleven in het Nederlandse parlement kleine partijen bestaan. En zo zorgde Schutte er als staatsrechtelijk geweten voor dat wetten juridisch gezien ‘beter’ werden gemaakt, met als gevolg dat minister Ed van Thijn van Binnenlandse Zaken eens uitriep, dat de GPV-fractievoorzitter in zijn eentje de complete rol van de Raad van State leek te hebben vervuld.

    Ten aanzien van de politieke ruimte die het GPV als marginale minderheid kreeg om zijn afwijkende standpunt te mogen verkondigen, vielen mij twee dingen op. Ten eerste voelden GPV’ers zich aanvankelijk gemarginaliseerd als vrijgemaakten, wat een gevolg was van de radicale, op de eigen groep gefixeerde mentaliteit in de kerk. GPV’ers voelden zich als ware partij van de ware kerk niettemin een belangrijke minderheid, die eigenlijk recht hadden op een dominante positie in de samenleving en de politiek. Dit gevoel was vooral in de jaren zestig sterk. Als gevolg van de secularisatie gingen GPV’ers zich vanaf de jaren zeventig echter gemarginaliseerd voelen als orthodoxe protestanten, wat de samenwerking met RPF en SGP ten goede kwam.
    Het tweede wat mij opviel was dat het in de jaren zestig met de marginalisering eigenlijk wel meeviel, de marginalisering in de jaren zeventig en tachtig veel sterker was maar in de paarse jaren negentig juist weer afzwakte. Jongeling kreeg in de jaren zestig veel ruimte om zijn afwijkende geluid te laten horen, terwijl Verbrugh in de jaren zeventig op veel weerstand stuitte. Dat Verbrugh het moeilijker had lag niet alleen aan zijn apodictische manier van debatteren, maar ook aan het feit dat de progressieve partijen steeds minder begrip konden opbrengen voor degenen die aan christelijke en conservatieve opvattingen bleven vasthouden. In de jaren tachtig was de weerstand tegen de orthodoxe protestanten op zijn hoogtepunt. Dat Schutte in deze jaren toch zo succesvol was, kwam omdat hij zich zakelijk en constructief, maar ook voorzichtig opstelde. RPF-fractievoorzitter Meindert Leerling, die het spreekgestoelte in de Tweede Kamer eigenlijk vooral zag als preekstoel, riep met zijn missionaire houding daarentegen veel weerstand op. In de jaren negentig was er weer ruimte voor religie. Omdat geloof in deze tijd vooral werd beschouwd als een privézaak waar men anderen toch vooral niet mee moest lastigvallen, ervoeren orthodoxe protestanten deze jaren echter niet als positief. Omdat GPV, RPF en SGP zich zeer fel verzetten tegen de legalisering van het homohuwelijk en de euthanasie werden ze door de seculiere partijen als intolerant neergezet, terwijl de orthodox-protestantse drie op hun beurt dit seculiere onbegrip weer intolerant vonden. Seculieren en orthodoxe protestanten konden en wilden de andere partij niet begrijpen.
    Was het GPV als kleine verzuilde partij in een seculariserend Nederland een stukje folklore? Ja en neen. Toen vanaf de jaren zestig de grote zuilen omvielen, bleef de ‘vaste burcht’ van het GPV overeind staan. De partij bleef strijden voor vorstenhuis en vaderland en vasthouden aan haar eigen isolement. Aan de andere kant, het GPV veranderde uiteindelijk wel: de vrijgemaakte zuil ging op in de evangelisch-reformatorische zuil-‘light’ van Evangelische Omroep en ChristenUnie, die qua vormen wel bij de tijd wilde zijn. Belangrijker was echter dat GPV-politici met hun inhoudelijke inbreng kleur gaven aan de Nederlandse democratie. Die werd een beetje oranje.

    Read More
  • Uit de oude doos: Stellingen promotie

    0

     

    1. Het ethisch conflict, dat de belangrijkste reden was om het GPV op te richten, was achteraf beschouwd niet zozeer conflict tussen vrijgemaakt-gereformeerden en synodaal-gereformeerden, maar vooral een conflict tussen vrijgemaakten onderling. (hfdst. 1)

    2. De bewering van historicus James Kennedy dat de vrijgemaakten de meest uitgesproken tegenstanders van de Doorbraak waren, moet worden genuanceerd. De vrijgemaakte theologen waren weliswaar principieel tegen de Doorbraak, maar hun strijd tegen de bestaande christelijke organisaties leek verdacht veel op de strijd van de barthiaanse Doorbraaktheologen tegen christelijke partijvorming an sich. (hfdst. 1)

    Contra: J.C. Kennedy, ‘Het ontstaan van het Gereformeerd Politiek Verbond in een cultuur van vernieuwing’ in: G. Harinck en R. Janssens red., Het Amersfoorts Congres van 1948 ADChartas-reeks 1 (Barneveld 1998) 13-28.

    3. Om de kwestie T. Holwerda goed te begrijpen moet worden gelet op de organisatorische en sociaal-culturele context waarin dit conflict plaatsvond, in plaats van te fixeren op de persoonlijke kant van de zaak. Deze kwestie was geen incident maar was symptomatisch voor de partijcultuur van het GPV. (hfdst. 2)

    Contra: C. Sol, C. Sol, ‘Partij van vrijgemaakte mannenbroeders: een geschiedenis van het GPV, 1945-1963’ in: R. Kuiper en W. Bouwman red., Vuur en vlam deel 2: De organisatie van het vrijgemaakt-gereformeerde leven 1944-1994 (Amsterdam 1998) 11-56, aldaar 24-33; H. Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985). Journalist, politicus en Prins (Barneveld 2009) 162-183.

    4. P. Jongeling was in de Tweede Kamer en in de media zo succesvol, omdat hij tegenover een algemeen publiek een andere rol vervulde dan tegenover zijn eigen achterban. De schaduwzijde van dit succes was dat buitenstaanders de GPV-parlementariër alleen waardeerden om zijn eerlijkheid en om zijn humor, niet om zijn inhoudelijke boodschap. (hfdst. 3)

    5. Het GPV presenteerde zich in de jaren zestig op Nationale Appèls als een tegenbeweging met een autoritair, nationalistisch en militant karakter. Dat buitenstaanders en ook sommige vrijgemaakten het GPV met fascisme in verband brachten, was daarom niet vreemd. (hfdst. 3)

    6. Het GPV had in de jaren zestig door zijn samenwerking met het NEV de potentie om het concentratiepunt van de orthodox-christelijke tegenbeweging tegen de culturele revolutie van de jaren zestig te vormen. Doordat het GPV onder druk van de kerkelijk georiënteerde richting binnen de partij begin jaren zeventig weer voor het isolement koos, namen de EO en de RPF hiertoe het initiatief over. (hfdst. 3 en 4)

    7. In reactie op de smaller wordende marge voor de ‘nationaal-gereformeerde’ politiek in de jaren zeventig veranderde het GPV rond 1981 radicaal van koers. De Kamerfractie sloeg een voorzichtigere, zakelijkere toon aan en de partij ging lokaal en provinciaal steeds meer samenwerken met andere orthodox-protestantse partijen, waarmee een groeiende verbondenheid werd gevoeld als gevolg van de doorgaande secularisatie en toenemende marginalisering van het orthodoxe christendom. (hfdst. 4 en 5)

    8. Als PvdA-leider Joop den Uyl deel I van A.J. Verbrughs trilogie Universeel & antirevolutionair had gelezen, was hij in het Kamerdebat met G.J. Schutte over de ‘a-democratische trekken’ van de orthodox-protestantse partijen niet zo in het nauw gebracht. Verbrugh had zich in dit boek namelijk ondubbelzinnig tegen de democratie uitgesproken. (hfdst. 5)

    9. De aandacht van het GPV voor het staatsrecht hangt nauw samen met de visie van de partij op de democratie, waarin het meerderheidsbeginsel werd afgewezen. Door zich in te zetten voor de formele regels van het politieke spel trachtte de partij het gezag van de koning(in) en de mening van minderheden te beschermen tegen de wil van de meerderheid. (hfdst. 3 en 5)

    10. Het is een omissie dat Anet Bleich in haar biografie niets zegt over Den Uyls felle aanvallen op het christendom en op de orthodox-protestantse partijen aan het einde van zijn leven, terwijl ze wel uitgebreid schrijft over zijn breuk met het christelijke geloof in de Tweede Wereldoorlog. Den Uyls ‘afrekening’ met het christendom verdient nader onderzoek, uit biografisch oogpunt en om het maatschappelijke klimaat van de jaren tachtig beter te begrijpen.

    Contra: A. Bleich, Joop den Uyl, 1919-1987. Dromer en doordouwer (Amsterdam 2008).

    11. De controverse rond de vrijgemaakte CDJA-voorzitter Ad Koppejan in 1988 was evenals die rond het Bisschoppelijk Mandement van 1954 niet alleen een schoolvoorbeeld van verzuiling, maar ook het begin van het einde ervan. (hfdst. 5)

    12. Dat partij en achterban nauwelijks geïnteresseerd waren in de politiek, maar vooral bezig waren met kerkgerelateerde vragen, is een belangrijke factor ter verklaring van het succes van het GPV. Jongeling, Schutte en Van Middelkoop kregen dankzij deze bijna onverschillige houding tegenover de politiek namelijk veel ruimte om hun eigen gang te gaan en hun individuele politieke talent te ontplooien. (hfdst. 5 en 6)

    13. Er moet in de Nederlandse geschiedschrijving een scherp onderscheid gemaakt worden tussen het eerste en tweede paarse kabinet. Onder paars I waren de verhoudingen tussen Kamer en kabinet een tijdlang dualistisch en was de invloed van de oppositie sterk. Onder paars II daarentegen waren verhoudingen monistischer geworden, was het aanvankelijke elan verdwenen en kwam ethische wetgeving tot stand waar paars I zich nog niet aan wilde wagen. (hfdst. 6)

    14. De positie van homoseksuelen in de ChristenUnie lijkt erg op die van de niet-vrijgemaakten in het GPV: officieel is er (een beetje) ruimte voor ze, feitelijk is die ruimte er niet. (epiloog)

    15. Ter wille van de politieke geschiedschrijving zouden alle Kamerleden in navolging van de GPV-parlementariërs plakboeken moeten aanleggen, waarin krantenknipsels, cartoons en foto’s zijn verzameld die betrekking hebben op hun politieke optreden.

    16. Voor het GPV was de vaste burcht de laatste stelling.

    Read More
  • Summary Ph.D.-thesis 2011

    0

     

    The Dutch Reformed Political Union (Gereformeerd Politiek Verbond; GPV) was a small, orthodox Protestant political party. The GPV was founded in 1948; it entered the Lower House of the Dutch Parliament in 1963 and it merged with the Reformational Political Federation (Reformatorische Politieke Federatie; RPF) into the Dutch Christian Union (ChristenUnie) in 2000.
    The GPV stood in the anti-revolutionary political tradition of G. Groen van Prinsterer (1801-1876) and Abraham Kuyper (1837-1920), but it had mainly derived its identity from the Reformed Churches in the Netherlands (Liberated). The religious conflict between the Reformed Churches in the Netherlands, which in 1944 led to a schism within the church and the formation of the Reformed Churches in the Netherlands (Liberated), found its continuation in the political domain. As a result of this church split, the GPV had separated itself from the Anti-Revolutionary Party (ARP) and became the party of the Reformed-liberated church members. The GPV was small and stood no chance of being elected to the Lower House at first. It did not succeed until 1963.
    The GPV was held back by internal conflicts during the first fifteen years of its existence. These conflicts were the result of a fundamental, militant and anti-hierarchical attitude, which the Reformed-liberated members had adopted since 1944. As a consequence of the so-called T. Holwerda conflict, the GPV’s executive structure was reformed and the executive leadership crisis of 1958-1959 led to a strengthening of the party’s admissions policy. Although the local electoral associations remained autonomous and continued to determine their own admissions policy – it should be noted that in practice, most associations only allowed Reformed-liberated members as the party had decided in 1962 that members of the national political executive had to be members of the Reformed Churches in the Netherlands (Liberated).
    In its early years, the GPV was dominated by stringent religious views on politics. The party’s objective was to be a representative of the one true church, namely the Reformed Churches (Liberated). A.J. Verbrugh opposed this belief, and was a loner within the GPV. Before his conversion to the Reformed faith he had come from a broader Protestant background. Verbrugh aimed for a Christian state government with a Christian based constitution. In order to reach this goal, the GPV had to form ‘unions’ with other political groups. In the Fifties, Verbrugh had failed to succeed in winning over other GPV members to his political ideals, but after the executive leadership crisis of 1958-1959, when the most radical members of the GPV had left, he was given a chance to put his mark upon the party. The party then became more political in nature.
    In 1952, 1956 and 1959, the GPV had failed to enter the Lower House. In 1963, however, it was successful. Until 1971, the GPV had one single seat in Dutch Parliament, which was occupied by P. Jongeling. Jongeling, who, on account of his main editorship of the Reformed newspaper/The Netherlands Daily (Gereformeerd Gezinsblad/Nederlands Dagblad), had a lot of influence in the mainstream of Reformed-liberated life, became a well-known Dutchman over the course of the Sixties. He was a symbol of Christian and conservative values, from which many Dutch people broke radically in the Sixties. Because Jongeling appeared to be a friendly, modest and jocular person in the media, many people liked him as a person. Outsiders, however, wanted nothing to do with his Christian and conservative values.
    Hitching a ride on Jongeling’s success the GPV’s party ideologist Verbrugh endeavoured to transform the GPV into a broad, right-wing Christian national movement. The National Evangelical Union (Nationaal Evangelisch Verband; NEV), a supporting organisation for GPV voters who were not members of the Reformed Churches (Liberated), was founded in 1966. Whilst attending the so-called National Roll Calls (Nationale Appèls), the GPV and the NEV presented themselves as the pivot of a right-wing Christian countermovement opposing the cultural revolution of the Sixties. They would sing old patriotic battle songs that dated back to the Dutch War of Independence against Spain, and the leaders were making pleas for enforcement of authority and solidarity with the Apartheid regime in South Africa. In 1963, the GPV got its own symbol: the Mighty Fortress from Psalms 46 and 59, put to song by Luther. The Mighty Fortress was God, a Haven of Refuge and a Helper to His Followers. According to the American-Dutch historian James Kennedy, the Mighty Fortress symbolised the orthodox Protestant resistance in the Sixties. The grand Christian pillars had tumbled down, but the safe stronghold of the GPV remained erect as an impregnable fortress.
    The cooperation with the NEV failed to succeed. A large group of GPV members had religious objections to the cooperation with this non-liberated supporting organisation. For this reason, the ‘union’ between the GPV and the NEV was abolished in 1972. The NEV, however, decided to continue seeking cooperation with other political groups. This led to the establishment of the RPF in 1975. In the period from 1966 to 1973, the GPV expelled many members of the party who had become buitenverbanders (literally, “those outside the denomination”) a result of a new schism within the church. At the beginning of the Seventies, the termination of cooperation with the NEV and the expulsion of those members who were ‘outside the federation’ resulted in the party’s partial return to its old days of isolation.
    The GPV’s space to spread word of its Christian and conservative views narrowed in the progressive Seventies. Unlike his colleague Jongeling, Member of Parliament Verbrugh, who had been elected to the Lower House in 1971, had failed to make a favourable impression on people, and his right-wing political plans provoked much resistance among other parliamentarians. Because of his endorsement of the Apartheid regime in South Africa, Ed van Thijn of the Dutch Labour Party (Partij van de Arbeid; PvdA) called Verbrugh a racist. In 1977, the GPV lost its second seat in the Lower House and was left with just one single seat. As a one-man parliamentary party, Verbrugh gave passive support to the unstable first cabinet Van Agt. The cabinet didn’t fall in 1980, partly thanks to this support. Verbrugh did not, however, support the cabinet’s abortion policy. The private member’s bill introduced by the GPV and the Political Reformed Party (Staatkundig Gereformeerde Partij; SGP) concerning abortion arte provocatus, which would give effect to the absolute prohibition of abortion except where the mother’s life was in danger, was nevertheless certain to fail.
    In the Seventies, the GPV lost its lead to the Dutch Evangelical Broadcasting Foundation (Evangelische Omroep; EO) and the RPF. The EO and the RPF were treated with much distrust by traditional GPV members – for they were inter-church organisations open to all orthodox Protestants. The new generation of GPV members, who had not consciously witnessed the Liberation, was less negative in this respect. The GPV’s objective should no longer entail religious reform of the Netherlands, but rather focus on creating a barrier to the process of secularisation. This group of GPV members defended the idea of electoral cooperation with other orthodox Protestant parties – the RPF and the SGP. They wanted the GPV to enter into an electoral pact with the RPF and SGP for Municipal Council and Provincial Council elections, as well as for elections to the European Parliament. However, the church-oriented groups within the GPV objected to this electoral pact, because it would threaten the party’s exclusive, liberated identity. On 26 September 1981, the advocates for cooperation prevailed and the electoral pact was allowed, albeit under strict conditions.
    The GPV became more professional over the course of the Seventies. The party established a research institute, among other things. This professionalisation process continued in the Eighties. Being the party’s Member of Parliament and party chairman from 1981 to 2001 and a one-man parliamentary party from 1981 to 1989, G.J. Schutte was the GPV’s icon during this period. Schutte was respected by friend and enemy alike and was given the nickname ‘the constitutional conscience of the Lower House’. Schutte advocated dualism between Cabinet and Parliament: the Cabinet governs, the Parliament checks. He played a major part in technical discussions, such as the roles of the informateurs (who investigate the potential party combinations in a coalition government) and formateurs (who lead the parties’ final negotiations in government formation). He also played a part in discussions about the principles and practice of ministerial responsibility. In 1983, Schutte ranked third behind Prime Minister Ruud Lubbers and opposition leader Joop den Uyl in the Dutch Politician of the Year Awards.
    In the Eighties, there was increasingly less scope for small orthodox Protestant parties to spread word of their deviating views. The Netherlands were controlled by a progressive consensus. The orthodox Protestant parties’ Christian and conservative points of view were considered intolerant and associated with theocracy and fundamentalism. Especially the RPF was under fire. RPF leader Meindert Leerling saw as his primary task the propagation of his Orthodox Christian religion and the issue of warnings against everything that was in conflict with this belief, and he provoked much resistance in this respect. Schutte, on the other hand, was much more cautious and the media often contrasted him with the RPF leader. However, being an orthodox Protestant party, the GPV was nevertheless ‘wrong’ in the eyes of the progressives. Staphorst, a conservative country village in the Overijssel province, became the symbol of orthodox Protestant ‘backwardness’. The journalist Jan Joost Lindner referred to the possibility of a centre-right cabinet with passive support from the small orthodox Protestant parties in a derogatory manner, calling it the ‘Staphorst variant’. PvdA leader Den Uyl feared the possibility of such a coalition and labelled the SGP, the RPF and the GPV as ‘anti-democratic’. These accusations resulted in a fundamental debate in the Lower House. The GPV did respect the rules of parliamentary democracy, according to GPV leader Schutte, and Den Uyl’s accusations were therefore unjustified. The party started to reflect on the principles of democracy, partly because of this debate. The GPV rejected the majority rule, but did accept democracy as a working model and, being a small party, attached much importance to a system of proportional representation. The GPV’s frequent involvement in constitutional issues in the Lower House had a lot to do with the party’s own vision of democracy. Schutte wanted to be taken seriously as a politician and he therefore stood apart from the RPF and the SGP. In 1986 he advocated a coalition of CDA and VVD with the support of GPV, the so called Groningen variant, referring to the city and province of Groningen, where many Reformed-liberated members lived. The media interpreted Schutte’s plea as a centre-right Cabinet, which would only receive passive support from the reasonable GPV, but no support from the fundamentalist RPF and the theocratic SGP. However, those two parties did not appreciate Schutte’s solo action, upon which the GPV leader declared that he had no wish to operate separately from the RPF and the SGP. When push came to shove, Schutte sided with RPF and SGP after all.
    Secularisation in the Netherlands continued further in the Eighties, but at the same time the Reformed-liberated world appeared to be more self-evident than ever before. The Reformed-liberated pillar covered almost all areas of life, and the liberated emigrants in Australia even had their own miniature GPV. Nonetheless, there were small cracks in the pillar. The group of GPV members who continued to oppose the electoral pact strongly decreased in number over the course of the Eighties, and voting for the GPV became increasingly less self-evident to young people. The youth organisation of the Dutch Christian Democrats (Christen Democraten; CDA) even got a liberated chairman in 1988. It caused somewhat of a stir among traditional liberated members, who felt that when a person was liberated he should vote for the GPV. In the Nineties, the liberated pillar would merge into the broader evangelical Reformatory pillar of the EO and the RPF.
    In the Nineties, the GPV and other orthodox Protestant parties felt that they were increasingly pushed back to the margins. In 1989, the GPV had again acquired a second seat in the Lower House, occupied by Eimert van Middelkoop, but it was unable to stop the Equal Treatment Act (Algemene Wet Gelijke Behandeling). The Dutch political landscape became increasingly more secular in nature. The coalition government of the Dutch Labour Party and two liberal parties, known as Purple I (1994-1998), was the first cabinet since 1918 without Christian coalition partners. Purple II (1998-2002) was the cabinet that legalised same-sex marriages and euthanasia. Paradoxically, the SGP, RPF and GPV had modest influence under Purple Reign I. The three orthodox Protestant parties had made several compromises with different coalition partners and in doing so, they were successful in some of their endeavours. However, the RPF, SGP and GPV were sidelined during Purple Reign II. They were unable to take a hard line and had to stand by and watch, powerless, as the Netherlands became the very first country in the world to legalise same-sex marriages and euthanasia.
    Discussions within the GPV regarding membership for non-liberated persons (1989-1993) and the process of merger with the RPF (1994-2000/2003) had become urgent due to increasing secularisation and the Purple cabinets, but they were first and foremost the result of internal developments. At the beginning of the Nineties, many liberated organisations had decided to open their doors to non-liberated persons. Moreover, the liberated world was under the influence of evangelical Christianity with its emphasis on individual faith and a praise-oriented worship style. As a consequence of these changes, differences in party culture between the GPV and the RPF diminished. The merger process lasted another ten years, only because the party executive were very concerned with the interests of a small group of traditional liberated members who fiercely resisted these new developments. On 22 January 2000, the Christian Union came into being. Although it was a new political party, the GPV and RPF would continue to exist as separate parties within the Christian Union for some time. On 31 December 2003, the GPV and RPF were dissolved and the merger took effect on 1 January 2004. Unlike the GPV and RPF, who had always been opposition parties, the Christian Union did succeed in penetrating government circles. On 22 February 2007, the fourth Balkenende cabinet was formed – by the CDA, the PvdA and the Christian Union.

    Read More
  • Uit de oude doos: Het Calvinisme van Abraham Kuyper

    0

    Onderstaande recensie stond in 2006 in het Documentatieblad voor Nederlandse Kerkgeschiedenis (DNK).

    File:De Ware Jacob 3e jaargang nr. 16 16 januari 1904 Tekening van Albert Hahn.jpg

     

     

    Ewout Klei

     

    In november 1873 hield Abraham Kuyper in Utrecht een lezing voor een kring studenten over de calvinistische staatsleer, die hij later in Kampen, Groningen, Amsterdam en Gouda uitsprak. De inhoud van de lezing correspondeerde grotendeels met de publicatie Het Calvinisme oorsprong en waarborg onzer constitutioneele vrijheden. Een Nederlandsche gedachte (1874). Dit boekje is in 2004 opnieuw uitgegeven dankzij de ‘Stichting Dr. Abraham Kuyperfonds’. Een belangrijk doel van de redacteurs was om met deze uitgave een bijdrage te leveren aan de discussie over de Europese Grondwet, omdat in de preambule uitgebreid stil wordt gestaan bij de bronnen van onze grondrechten. Hoewel deze grondwet inmiddels door de Nederlanders (en Fransen) is verworpen, blijft de discussie over onze constitutionele vrijheden actueel.

    Dikwijls wordt, wanneer men het heeft over de oorsprong van onze vrijheidsrechten, gewezen op de Franse Revolutie, die geleid heeft tot de Déclaration des droits de l’Homme et du citoyen (1789). Omdat de Franse Revolutie een ‘messcherpe’ scheiding bracht tussen traditie en volkssoevereiniteit en tussen geloof en de rede werd ze door Edmund Burke in zijn Reflections on the Revolution in France (1790) fel bestreden.

    Ook Guillaume Groen van Prinsterer bestreed de Franse Revolutie in zijn bekende werk Ongeloof en Revolutie (1847). Groens politieke denken heeft nogal reactionaire trekjes. Pas aan het einde van zijn leven ging hij om in de richting van meer democratie. Abraham Kuyper, die Groen in 1876 zou opvolgen als leider van de antirevolutionaire beweging, is democratischer. Kuyper mobiliseerde de ‘kleine luyden’, een orthodoxe bevolkingsgroep die nauwelijks georganiseerd en ontwikkeld was. De antirevolutionaire beweging werd door hem omgevormd tot de eerste moderne politieke partij van ons land.

    Met zijn lezing in 1874 probeerde Kuyper het nogal reactionaire imago van de antirevolutionairen bij te stellen. Kuyper spreekt daarom positief over burgerlijke vrijheden. Maar de oorsprong van deze vrijheden ligt volgens hem niet in de Franse Revolutie maar in het calvinisme. Na de Reformatie en voor de Franse Revolutie zou er alleen in Engeland, Holland, Zwitserland en Amerika sprake zijn geweest van staatkundige vrijheid.

    Al deze landen waren in meer of mindere mate calvinistisch. Volgens Kuyper kwam het calvinisme – meer dan het katholicisme of het lutheranisme – op voor de vrijheid van geweten. De staat mocht mensen niet dwingen een bepaalde overtuiging aan te hangen maar moest godsdienstvrijheid voor iedereen garanderen. De scheiding tussen kerk en staat, een belangrijk gevolg van de Franse Revolutie die echter zijn oorsprong zou hebben in het calvinisme, werd door Kuyper dan ook positief getaxeerd.

    Het ‘droit divin’ (goddelijk recht van vorsten) betekent volgens Kuyper niet dat de koning, die zijn gezag aan God ontleent, alles mag doen wat hem maar goeddunkt. Het betekende juist dat een koning aan bepaalde regels was gebonden, en de vrijheden en privileges van zijn onderdanen (die georganiseerd waren in verschillende verbanden) moest respecteren. Kuyper heeft daarom sympathie voor de Nederlandse Opstand tegen Spanje, het verzet van de Hugenoten tegen het Franse absolutisme, de independenten die in de Engelse Burgeroorlog (1640-1649) voor gewetensvrijheid streden en de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd tegen Groot-Brittannië. Er werd een beroep gedaan op de soevereiniteit van God om de almacht van de staat tegen te gaan.

    Kuyper sluit zich hier aan bij Alexis de Tocqueville – de auteur van het door hem gelezen boek De la démocratie en Amérique. Deze schrijver beweerde dat een democratische staat steeds meer bevoegdheden naar zich toe trekt en het leven zo veel mogelijk wil reguleren, met als doel het knechten van de burgers omwille van het welzijn en de veiligheid van diezelfde burgers. Tijdens het ancien régime was de overheid niet zo machtig en bestonden er allerlei verbanden die voor het welzijn van burgers zorgden, zoals bijvoorbeeld de gilden. In de moderne tijd zijn die verbanden er niet meer.

    In 1880 kwam Kuyper met de oplossing voor dit “probleem”: soevereiniteit in eigen kring. Verschillende kringen – de wetenschap, het gezin, het onderwijs, de kunst, de kerk – zijn soeverein en mogen niet onderworpen worden aan de almacht van de staat. De gereformeerden in Nederland moesten de calvinistische traditie uitbouwen en bestendigen om de vrijheid in ons land te waarborgen.

    Kuyper heeft helaas te weinig beseft dat de vrijheid van het individu binnen zo`n verband bedreigd kan worden door andere leden van de kring (ook al kun je vrij tot een kring toetreden of deze verlaten). Toch valt er wel wat te zeggen voor verbanden die tussen de overheid en burger instaan (mits men zich niet van de moderne samenleving isoleert en/of de leden in keurslijf dwingt). Maatschappelijke organisaties met een duidelijke doelstelling zijn namelijk beter in het nemen van initiatieven dan onverschillige burgers.

    Kuyper eindigt zijn betoog met de woorden: ‘Dat niemand meer zal zeggen dat wij, Nederlandse calvinisten, een reactionaire partij zijn!’ Reactionair kunnen we Kuypers visie inderdaad niet noemen. Hij staat veel positiever tegenover de moderne maatschappij dan Groen, en vindt ook dat burgers een actieve bijdrage aan haar moeten leveren. De gedachte dat het calvinisme (in plaats van de Verlichting) de oorsprong is van onze constitutionele vrijheden zal lang niet iedereen beamen. Meer draagvlak is er voor Kuypers antwoord op het gevaar van staatsalmacht.

    Volgens de redacteurs is het boekje ‘verplichte lectuur voor wie geïnteresseerd is in de eenwording van Europa’. De Europese Grondwet is echter door verschillende landen afgewezen en Europa weet op dit moment weinig burgers te boeien. Daarom zou ik Kuypers betoog liever willen beschouwen als Een Nederlandse gedachte die een bijdrage levert aan Nederlandse discussies over en de plaats van religie in het publieke domein en de kloof tussen burger en politiek.

     

    Abraham Kuyper, Het Calvinisme. Oorsprong en waarborg van onze constitutionele vrijheden. Een Nederlandse gedachte Onder de redactie van en ingeleid door J.W. Sap en H.E.S. Woldring, en omgezet naar gangbaar Nederlands door L.W. Lagendijk Kampen: Kok 2004, 140 pag. isbn 9043508136, EUR. 14,90

    Tags: Abraham Kuyper, democratie, Europa, J.W. Sap
    Read More