Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Konzentrationslager

    0

    231_1dachaucampofficeredit

    Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen

     

    Door: Ewout Klei

     

    Het Derde Rijk maakte miljoenen slachtoffers. Veel slachtoffers vielen in de Konzentrationslager (concentratiekampen). We associëren deze kampen tegenwoordig al snel met de Vernichtungslager (vernietigingskampen) zoals Auschwitz en Sobibor, maar de nazi’s hadden een veel uitgebreider kampsysteem. Op het hoogtepunt telde het kampsysteem meer dan duizend werk-, straf-, doorvoer-, internerings-, verzamel- en reserveringskampen. Deze kampen waren overal in het door de nazi’s bezette Europa te vinden, maar vooral in Duitsland, Polen, Oostenrijk, Nederland, België en Frankrijk. Volgens historicus Niklaus Waschmann, docent nieuwe Europese geschiedenis aan de Birkbeck University in Londen, vormden de concentratiekampen de essentie van het nazisme. In een lijvige studie, 1163 bladzijden lang, legt hij uit waarom.

    Het idee van concentratiekampen komt niet bij de nazi’s vandaan maar bij de Engelsen, die tijdens de Boerenoorlog (1899-1902) veel vrouwen en kinderen interneerden in kampen om op deze manier een einde te maken aan de guerrillastrijd van de Boeren en een volk te breken. Toen er in de jaren dertig vanuit het buitenland stevige kritiek werd geleverd op de naziconcentratiekampen wees de nazipropaganda dan ook met een duivels genoegen op de Engelse kampen. De naziboodschap: de Engelsen waren begonnen, hun kritiek was dus hypocriet, en onze kampen zijn bovendien veel humaner. In 1941 maakten de nazi’s zelfs een film over de Boerenoorlog, Ohm Krüger (Oom Krüger), waarin de Engelse concentratiekampen uiteraard uitgebreid aan bod kwamen. Het was een briljant staaltje propaganda en het Duitse bioscooppubliek slikte het als zoete koek.

    Wist de Duitse bevolking dan niets van de naziconcentratiekampen? In 1941 waren deze kampen allang aan het oog van de bevolking onttrokken. In 1933 en wederom in 1938 kregen de Duitsers het een en ander van de naziterreur mee toen duizenden mensen op straat werden gearresteerd en naar concentratiekampen werden overgebracht, in 1933 was dat vlak van de Rijksdagbrand en in 1938 vlak na de Kristallnacht, maar de nazi’s probeerden hun misdaden zo veel mogelijk te verbergen. Concentratiekampen waren bedoeld om politieke en andere al dan niet vermeende tegenstanders van het regime buiten het zicht van rechters en andere pottenkijkers keihard aan te pakken. Gedurende het twaalfjarige bestaan van het Duizendjarige Rijk veranderde het kampsysteem echter nogal eens van karakter en transformeerden concentratiekampen van onaangename openluchtgevangenissen in poelen van verderf en dood.

    Het nazikampsysteem ontstond in 1933, vlak na de Machtergreifung van Adolf Hitler. De nazi’s sloten politieke tegenstanders van het regime op. Dit waren vooral communisten en sociaaldemocraten, maar soms zaten er ook liberalen, katholieken en conservatieven bij. Sommige politieke tegenstanders werden uitzonderlijk slecht behandeld. Dit waren de linkse Joden. De anarchistische antimilitaristische schrijver Erich Mühsam werd verschrikkelijk mishandeld. Hij werd uiteindelijk gewurgd door zijn bewakers, maar in het officiële rapport stond dat Mühsam zelfmoord had gepleegd. Ook gevangenen die volgens de officiële lezing ‘auf der Flucht erschossen’ waren, waren vermoord door de bewakers.

    Niklaus Waschmann laat zien hoe de kampen in de loop der tijd professionaliseerden. In 1933 waren veel kampen in handen van de SA, alleen Dachau  in Beieren was een SS-kamp. SA’ers waren enthousiaste bullebakken, maar deden qua sadisme toch echt onder voor de SS. Toen de SA in 1934 in ongenade viel en de SA-leiding uit de weg werd geruimd kreeg de SS de macht over alle kampen. Heinrich Himmler, de leider van de SS, maakte van de kampen zijn eigen koninkrijkje en had ook wilde plannen om zijn rijk uit te breiden. De SS-kampen moesten worden ingeschakeld voor de Duitse economie en dwangarbeiders zouden veel voor de herbewapening van het Derde Rijk kunnen betekenen. In de praktijk viel het economische nut van de concentratiekampen echter zwaar tegen. Dat kwam niet omdat de gevangenen niet hard zouden werken, ze werden keihard afgebeuld en in het beruchte concentratiekamp Mauthausen vielen tientallen en later honderden doden, maar omdat alles vlug-vlug-vlug moest werden er fabrieken gebouwd met machines die het niet goed deden en was alles vaak voor niets. Het werk was vooral een dodelijke vorm van bezigheidstherapie.

    De studie van Niklaus Waschmann is uiteraard gebaseerd op veel eerder onderzoek naar de concentratiekampen, maar ten aanzien van het lot van de criminele gevangenen en de zogenoemde werkschuwen biedt hij een boel nieuwe informatie.  In 1933 werden vooral veel politieke gevangenen opgesloten, maar eind jaren dertig werden de concentratiekampen volgestopt met andere ongewenste personen, criminelen (vaak de kleine criminelen, zware criminelen belandden onder de guillotine) en werkschuwen. Deze ‘asocialen’ waren ook vijanden van de nationaalsocialistische maatschappij en moesten dus worden weggestopt. Tussen de verschillende groepen gevangen, die waren te herkennen aan de kleur van de driehoek die was genaaid op hun uniform, bestond veel rivaliteit. Dit kwam de SS goed uit, die de verschillende groepen tegen elkaar kon uitspelen.

    Geestelijk gehandicapten en zwakzinnigen kwamen niet in de concentratiekampen terecht. Voor hen ontwikkelden de nazi’s een euthanasieprogramma, dat bij het aanbreken van de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 een vliegende start maakte. De methodes die de nazi’s ontwikkelden om zich van deze ‘onredendabelen’ te ontdoen werden ook later gebruikt voor de Endlösung.

    Tot 1939 werden de concentratiekampen vooral bevolkt door Duitsers, na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog stroomden de kampen vol met buitenlanders. Vooral de Russische krijgsgevangen hadden het zwaar. In het concentratiekamp Auschwitz, dat in 1944 een cruciale rol zou spelen in de Holocaust, werden in 1941 vele Russische soldaten vergast. Ook werden er op gevangenen sadistische medische experimenten uitgevoerd.

    In 1941 begint de Holocaust, de moord op zo’n zes miljoen Joden. Het concentratiekampsysteem speelde aanvankelijk een bescheiden rol in deze genocide. In de zomer en het najaar van 1941 werden de Joden in de Sovjet-Unie massaal gefusilleerd door de Einsatzgruppen in kuilen die ze zelf moesten graven. In december 1941 werden er voor het eerst Joden vergast in Chelmno, waar de SS gebruik maakte van gaswagens. Begin 1942 werden er drie kleine vernietigingskampen gebouwd – Belzec, Treblinka en Sobibór – waar in totaal 1,7 miljoen Poolse Joden werden vergast. Nadat deze drie kampen in de loop van 1943 werden ontmanteld werd Auschwitz dé plek waar de meeste Joden omkwamen, de Anus Mundi, de aars van de wereld.  Auschwitz was een multifunctioneel kamp. Een groot deel van de Joden werd direct na aankomst vergast, een kleiner deel werd voorlopig gespaard en kwam in het concentratiekamp terecht. Gevangenen die na verloop van tijd te ziek en te zwak waren om te werken werden ook vergast.

    Hoogtepunt van Auschwitz als moordfabriek waren de maanden mei, juni, juli en augustus 1944, toen honderdduizenden Hongaarse Joden naar Auschwitz werden getransporteerd. Driekwart werd meteen vermoord. Ook werden er tienduizenden Poolse Joden vergast nadat in augustus 1944 het getto in Łódź werd opgedoekt, het laatste Joodse getto.

    Het concentratiekampsysteem beleefde in 1944 zijn hoogtepunt. Daarna viel het, als gevolg van de oprukkende Russen in het oosten en de geallieerden in het westen, als een kaartenhuis ineen. In het westen verliep de ontruiming van de concentratiekampen ordelijk. Gevangenen werden op tijd en snel getransporteerd naar concentratiekampen in Duitsland met de trein. Tijdens deze transporten vielen er geen slachtoffers. In het oosten was het chaos en ellende. Zwakke gevangenen werden achtergelaten of terechtgesteld en de rest werd gedwongen tot een dodenmars. Aangekomen in Duitsland ging het moorden gewoon door. Rudolf Höss, kampcommandant van het in januari 1945 ontruimde Auschwitz, was ook nauw betrokken bij de massa-executies van gevangen in de Duitse kampen.

    Vlak voor het einde van de oorlog hadden sommige Joodse gevangen het relatief beter dan andere gevangenen. Himmler wilde graag een aparte vrede met de geallieerden sluiten, buiten medeweten van Hitler, en wilde de Joodse gevangenen gebruiken als onderhandelingsmateriaal. Hij hoopte er op deze manier levend van af te komen. Helaas voor Himmler mislukte dit plan. De geallieerden trapten er niet in en Hitler was woedend over het verraad van ‘der treue Heinrich’. Niettemin redde het plan van Himmler vele Joodse levens. Voor vele andere gevangenen kwam de redding echter te laat. Het helse bestaan in de kampen, de moordende dodenmars en de besmettelijke ziektes hadden vele concentratiekampgevangenen het leven gekost. Toen de geallieerden de concentratiekampen eind april, begin mei 1945 bevrijdden troffen ze bergen lijken aan en massa’s levende doden aan. Enkele Amerikaanse soldaten waren hierover zo ontdaan dat ze tientallen SS-bewakers standrechterlijk mitrailleerden, een vergeldingsactie waar ze pas mee stopten toen hun meerdere ingreep. Het recht moest zijn beloop krijgen. Tussen 1945 en 1952 werden veel processen gehouden, waar de nog levende SS-misdadigers tot hoge straffen, vaak de galg, werden veroordeeld.

    Het boek van Niklaus Waschmann is een goed gedocumenteerde, goed geschreven studie over één van de donkerste perioden uit de wereldgeschiedenis. Ik heb het boek met veel interesse gelezen. De Nederlandse vertaling is helaas hier en daar wat slordig. Sommige jaartallen kloppen niet, hier en daar worden mensen door elkaar gehaald (Hitler en Himmler) en de communistische concentratiekampgevangene Hans Beimler, die in 1933 spectaculair wist te ontsnappen uit Dachau en op 1 december 1936 in de Spaanse Burgeroorlog zou sneuvelen als lid van de Internationale Brigades, is op bladzijde 854 van het boek opeens vermoord door de SS’er Hans Steinbrenner. Hopelijk worden deze slordigheden eruit gehaald als er een tweede druk van dit boek komt, want dat ik van mening ben dat dit meeslepende meesterwerk door u gelezen moet worden moge duidelijk zijn.

     

    N.a.v.: Niklaus Waschmann, KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen. Vertaald door Paul Heijman, Nannie Plasman, Jan Willem Reitsma, Pon Ruiter en Frits van der Waa. (De Bezige Bij, Amsterdam, Antwerpen 2015). ISBN 9789023493556. 1163 pagina’s. €79,90. (Gebonden.)

     

    Tags: Auschwitz, Dachau, Derde Rijk, Erich Mühsam, Hans Beimler
    Read More
  • Als ik morgen niet op transport ga…

    0

    http://historiek.net/geschiedeniswinkel/wp-content/uploads/2014/08/Als-ik-morgen-niet-op-transport-ga...-Eva-Moraal.jpg

    Drie boeken over oorlogsslachtoffers in de Lage Landen

     

    Door: Ewout Klei

     

    Bij de Bezige Bij verschenen dit najaar drie boeken waarin de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog centraal staan. Als ik morgen niet op transport ga… Kamp Westerbork in beleving en herinnering van Eva Moraal, Het hele leven is hier een wereld op zichzelf. De geschiedenis van Kamp Vught van Marieke Meeuwenoord en Vervolgd van land tot land. Joodse vluchtelingen in West-Europa 1938-1944 van Insa Meinen en Ahlrich Meyer.

    Het boek over Kamp Westerbork is zonder meer het boeiendst. Het is een gepopulariseerde versie van het proefschrift waarop Eva Moraal in 2013 promoveerde. Haar boek gaat niet over de geschiedenis van Kamp Westerbork an sich, maar over hoe het kamp werd beleefd en herinnerd. Moraal gebruikt hiervoor veel egodocumenten, dagboeken waarin gevangenen hun verhaal optekenden.

    Zoals bekend was Kamp Westerbork het doorvoerkamp waar Joden uit Nederland op transport werden gesteld naar de concentratiekampen Theresienstadt, Bergen-Belsen, Buchenwald en Ravensbrück en de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor. Het leven in Kamp Westerbork viel in zeker opzicht wel mee. De mensen waren afgesloten van de buitenwereld en waren onzeker over wat komen zou – de meeste mensen vermoedden dat op transport naar het oosten een wisse dood zou inhouden – maar ze werden niet fysiek afgebeuld en dergelijke.

    Moraal besteedt in haar boek veel aandacht aan het genderaspect. Ik houd daar normaal helemaal niet van, maar in dit onderzoek is het heel relevant. Mannen en vrouwen kregen in Kamp Westerbork opeens een hele andere rol. Vrouwen moesten ook werken, terwijl mannen nu opeens ook voor de kinderen moesten zorgen. Deze moderne rolverdeling bleek van tijdelijke aard te zijn. Na de bevrijding keerden de overlevenden al snel weer terug naar de traditionele rolpatronen, wat wel zo veilig was.

    Ook ten aanzien van seksualiteit was Kamp Westerbork een hele andere wereld dan Nederland. Omdat veel mensen verschrikkelijk onzeker waren over de toekomst was seks een welkome afleiding. Je was niet bezig met de dood maar het leven. En je hielp ook een ander te troosten. Seks maakt  gelukkig. In de herinnering werd de losse seksuele moraal van Kamp Westerbork echter als iets negatiefs beschouwd, namelijk dat dankzij de terreur van de nazi’s ook de zeden waren gedegenereerd. Mensen logen en bedrogen om maar niet op transport te hoeven, en neukten er bovendien op los. Ook ten aanzien van de seksualiteit was er dus na de bevrijding een terugkeer naar de oude moraal, aldus Moraal.

    Marieke Meeuwenoord heeft geschreven over Kamp Vught. Vanaf de opening van het kamp in januari 1943 tot de ontruiming op 6 september 1944 hebben er zo’n 35.000 mensen gevangen gezeten. In tegenstelling tot het vorig jaar verschenen boek Leven naast het kamp van Boyd van Dijk staan in het boek van Meeuwenoord de slachtoffers centraal. Ze waren opgepakt als Jood of als verzetsstrijder en zaten voor kortere of langere tijd gevangen. Hoe leefden en werkten de gevangenen? Hoe leefden ze samen? Net als het boek van Eva Moraal is het boek van Marieke Meeuwenoord sterk gebaseerd op egodocumenten, zodat er een indringend persoonlijk beeld van de geschiedenis van kamp kan worden geschetst.

     

     

    Het boek Vervolgd van land tot land is uitgegeven door De Bezige Bij Antwerpen. In dit boek staan de Duitse en Oostenrijkse Joden centraal die vanaf 1938 (het jaar van de Anschluss en de Kristallnacht) massaal het Derde Rijk ontvluchtten en in Nederland, België en Frankrijk terecht kwamen. Helaas waren deze vluchtelingen niet veilig toen de Tweede Wereldoorlog eenmaal begonnen was en het Duitse leger de Lage Landen en Frankrijk onder de voet liep. Veel Duitse en Oostenrijkse Joden besloten opnieuw om te vluchten.

    Insa Meinen en Ahlrich Meyer hebben berekend dat 5500 Duitse en Oostenrijkse Joden tussen 1942 en 1944 uit België werden gedeporteerd naar de concentratie- en vernietigingskampen, meer dan 20% van het totale aantal gedeporteerde Joden uit België. Ook een kwart van de 2700 Joden die van België naar Frankrijk vluchtten waren uit Duitsland en Oostenrijk afkomstig. Uiteindelijk zouden van de meer dan 13.500 uit Duitsland een Oostenrijk gevluchte Joden ongeveer de helft omkomen. De overlevingskansen waren in Nederland het laagst, in Frankrijk het hoogst.

    Bij deze kille cijfers blijft het niet. Het boek van Meinen en Meyer staat vol met verhalen over mensen die de oorlog probeerden te overleven. Het boek is een gedenkteken voor de Joodse vluchtelingen uit het Derde Rijk, die ook na hun vlucht niet veilig waren voor de nazi’s. Het is een droevig verhaal.

     

    N.a.v.:

    Eva Moraal, Als ik morgen niet op transport ga… Kamp Westerbork in beleving en herinnering (De Bezige Bij, Amsterdam 2014). ISBN 9789023489023. 464 pagina’s. € 24,90.

    Marieke Meeuwenoord, Het hele leven is hier een wereld op zichzelf. De geschiedenis van Kamp (De Bezige Bij, Amsterdam 2014). ISBN 9789023489122. 430 pagina’s. € 24,90.

    Insa Meinen en Ahlrich Meyer, Vervolgd van land tot land. Joodse vluchtelingen in West-Europa 1938-1944 (De Bezige Bij, Antwerpen 2014). ISBN 9789085425755. 411 pagina’s. € 24,99.

    Tags: Holocaust, Kamp Vught, Kmp Westerbork, vluchtelingen
    Read More
  • Van het westelijk front geen nieuws

    0

     

    Honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit. In 2013 en 2014 zijn er vele boeken over de ‘Grote Oorlog’ geschreven. De Engelse boekenwinkel Waterstone’s, die ook een filiaal heeft aan de Kalverstraat in Amsterdam, heeft de boeken over deze oorlog prominent uitgestald. Behalve boeken over het verloop van de oorlog en de veldslagen worden ook de zogenoemde ‘war poets’ in het zonnetje gezet, dichters die over de verschrikkingen in de loopgraven hebben geschreven. De bekendste war poet, Wilfred Owen, sneuvelde op 4 november 1918, exact een week voor de wapenstilstand.

    Vanwege de overvloed aan literatuur dacht ik dat er vast ook een herdruk zou komen van ‘Van het westelijke front geen nieuws (Im Westen nichts Neues)’ van Erich Maria Remarque, de in 1928 geschreven beroemdste roman over de Eerste Wereldoorlog. Dit bleek te kloppen. Uitgeverij Oorsprong heeft zich in november 2013 aan een heruitgave gewaagd. Dit is trouwens een grote letteruitgave, waardoor het boek 348 pagina’s telt. In december 2013 is er een uitgave van 208 pagina’s verschenen bij uitgeverij Bijleveld, de 1914-2014 herdenkingseditie. Deze editie bevat ook een filmalbum. Bij Bijleveld verscheen op 18 april 1929, en dat is natuurlijk heel aardig om te weten, ook de eerste buitenlandse vertaling van Remarques beroemde anti-oorlogsroman. In 1929 alleen al werden er 54.000 exemplaren van deze Nederlandse vertaling verkocht. De uitgave van 2013 is de 29e druk.

    Van het westelijk front geen nieuws is zo’n verhaal dat je in één dag uitleest. Het gaat over de waanzin van de oorlog, over het leven van leuke mensen dat door de oorlog abrupt wordt afgebroken. Het is geen nationalistisch boek dat de heldendaden van dappere soldaten die vechten voor hun vaderland bezingt, maar het verhaal gaat over gewone jongens die zich meestal stierlijk lopen te vervelen, die hun oude drilsergeant pesten als deze ook naar het front wordt gestuurd, die van het toiletbezoek een retegezellige activiteit maken en die achter Franse mademoiselles aanzitten om op deze manier aan de oorlog te ontsnappen. De dood ligt echter altijd op de loer en neemt al deze jongens mee, iets wat gezien de anti-oorlogsboodschap van het boek eigenlijk geen spoiler is. Indruk maken ook alle cynische bespiegelingen over de oorlog en hoe de soldaten hierover filosoferen. Volgens Paul Baumer, de hoofdpersoon uit het boek, verschillen Duitsers en Fransen eigenlijk helemaal niet zo van elkaar. Het zijn de leiders en de kapitalisten die oorlog willen omdat ze daar beter van zouden worden. Hiermee verwoordt Baumer de visie van Karl Liebknecht, de radicale Duitse socialist die vanwege zijn pacifisme tijdens de oorlog in het gevang werd gezet en begin 1919, na het mislukken van de Spartakistenopstand, samen met Rosa Luxemburg werd vermoord.

    Hoewel de anti-oorlogsbespiegelingen in 1928 in een roman zijn verwerkt door Remarque, komen ze zeer overeen met de bespiegelingen die sommige oorlogsdichters in de loopgraven optekenden.  De zinloosheid van de oorlog en de wil om te leven worden bijvoorbeeld zeer krachtig verwoord door de Duits-joodse soldaat en dichter Alfred Lichtenstein, die al in september 1914 zou sneuvelen. Twee week voor zijn dood dichtte Lichtenstein (in het Nederlands vertaald door Dirk Verhofstadt):
    ‘God behoede me voor ongeluk, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, dat geen krachtige explosieven mij treffen; dat onze vijanden, die klootzakken, mij nooit gevangen nemen, mij nooit neerschieten, dat ik nooit in de vuiligheid mag sneuvelen, voor ons dierbare vaderland. Kijk, ik zou veel langer willen blijven leven, de koeien melken, mijn vriendinnen neuken en die waardeloze Jozef in elkaar slaan; bij nog veel meer gelegenheden dronken worden, tot een zalige dood mij overvalt.’

    Het pacifisme dat in de Eerste Wereldoorlog ontstond had dus niks met boomknuffelen en blote vrouwen in een weiland van doen, maar was een cynische reactie op het zinloze moorden. Remarque droeg zijn verhaal op aan de gewone jongens die sneuvelden in de oorlog. Hij zei hierover in het korte voorwoord van zijn boek:
    ‘Dit boek wil noch een aanklacht noch een bekentenis zijn, het wil alleen een poging wagen, verslag uit te brengen over een generatie die door de oorlog werd vernield, ook wanneer het haar was gelukt aan de granaten te ontkomen.’

    De anti-oorlogsroman van Remarque sloeg in als een bom. Hoewel er in Duitsland tienduizenden exemplaren van het boek werden verkocht gingen er stemmen op om het boek te verbieden. De nazi’s, die vanaf 1929 steeds meer invloed kregen op de Duitse politiek, zagen het boek als een aanval op de natiestaat. In 1930, dus nog tijdens de democratische Weimarrepubliek, werd de Amerikaanse verfilming van Remarques roman, All Quiet on the Western Front, verboden. In mei 1933, na de machtsovername van Hitler, werd Im Westen nichts Neues als ‘volksfeindlich’ werk verboden en in het openbaar verbrand. Remarque werd als landverrader bestempeld en was in 1929 al naar het buitenland geëmigreerd. In 1937 ontnamen de nazi’s hem bovendien zijn Duitse staatsburgerschap toen zijn roman ‘Drei Kameraden’ bij de Amsterdamse uitgeverij Querido verscheen. Maar ook deze strafmaatregel was voor de nazi’s niet genoeg. Elfriede Remarque, Erichs jongste zus, belandde in 1943 na een schijnproces onder de guillotine, niet alleen omdat zij een tegenstander van het naziregime was, maar ook omdat ze de zus was van Erich Remarque. Nazi-rechter Roland Freisler zei: ‘Uw broer is buiten ons handbereik, maar u zult aan ons niet ontsnappen.’ De nazi’s waren bovendien zo sadistisch om Erich een rekening van 90 mark te sturen, dit waren de kosten voor het beulswerk.

    Erich Maria Remarque overleed in 1970. Hoewel hij nog een aantal goed ontvangen romans zou publiceren werd geen één boek zo beroemd als zijn debuutroman Im Westen nichts Neues. Het is, samen met 1984, Faust, De naam van de roos, Lolita (de lijst gaat uiteraard nog veel verder) één van die klassiekers die u eigenlijk nog een keer moet gaan lezen, als u dat nog niet gedaan heeft. Hup naar de boekenwinkel dus.

    N.a.v.: Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark), Van het westelijk front geen nieuws (vertaling van Im Westen nichts Neues). (Herdenkingseditie + filmalbum). (Utrecht, Bijleveld 2013). 29e druk. 208 pagina’s.  ISBN 9789061319986. €19,95.

    Sommige Nederlandse uitgaven van het boek bevatten prachtige illustraties van de Nederlandse kunstenaar Arie Zonneveld (1905-1941). Deze illustraties zijn ook online te bewonderen.

    Tags: Erich Maria Remarque, Im Westen nichts Neues, Wilfred Owen
    Read More
  • Spreken over fout. Hoe kinderen van collaborateurs het zwijgen verbraken, 1975-2000

    0

    Het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies is opgericht vlak na de Tweede Wereldoorlog onder de naam Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). Opvallend is dat in een aantal recente publicaties van het NIOD niet meer de Tweede Wereldoorlog het onderwerp van onderzoek is, maar de verwerking van deze oorlog in de decennia daarna. Vorig jaar verschenen Van landverraders tot goede vaderlanders van historica Helen Grevers, over de opsluiting van collaborateurs in Nederland en België in de periode 1945-1950, en Doorn in het vlees van historica Ismee Tames, over de problematiek rond foute Nederlanders tussen 1950 en 1970. Op 24 april dit jaar verscheen de langverwachte biografie over Lou de Jong, de eerste directeur van het instituut,  geschreven door historicus Boudewijn Smits. Een kleine maand later kwam het boek Spreken over fout uit van psycholoog Bram Enning, over de psychische hulpverlening aan kinderen van ‘foute’ ouders. De Tweede Wereldoorlog heeft immers niet alleen een diepe impact op degenen die deze oorlog bewust meemaakten, maar ook op hun kinderen (en kleinkinderen).

    Vanaf medio jaren zeventig kwam er aandacht voor de kinderen van collaborateurs.  Zij werden ook gezien als slachtoffers van de oorlog. Na de oorlog werden deze kinderen namelijk decennialang buitengesloten en gestigmatiseerd en soms zelfs mishandeld, terwijl ze onschuldig waren. Dat hun ouders ‘fout’ waren was immers niet hun schuld.

    In 1981 werd de Werkgroep Herkenning opgericht. Deze werkgroep, die nog steeds bestaat, geeft hulp aan en staat kinderen, kleinkinderen en familieleden bij van personen die in de jaren 1940-1945 aan de zijde van de bezetter stonden, dan wel de bezetter waren (kinderen van Duitse militairen). De Werkgroep Herkenning krijgt veel aandacht in het boek van Enning. Was er veel behoefte om te praten over psychische problemen die het gevolg waren van maatschappelijke uitsluiting en discriminatie? Hoeveel (actieve) leden telde de werkgroep?  Enning concludeert dat er een kleine club van enkele tientallen mensen actief was voor de Werkgroep Herkenning. Een veel grotere groep was passief betrokken bij de werkgroep, vaak ook voor een korte periode. De behoefte om over psychische problemen te praten verschilde dus echt per persoon. Sommige kinderen van foute ouders hadden in hun jeugd gelukkig nauwelijks te maken gehad met maatschappelijke uitsluiting, terwijl er ook kinderen waren die er de voorkeur aan gaven te blijven zwijgen.

    Naast behoefte aan herkenning speelde bij sommige kinderen van ‘foute’ ouders ook een sterke behoefte aan erkenning. Het denken in termen van ‘goed’ en ‘fout’, waar Lou de Jong de belangrijkste vertolker van was, werd ter discussie gesteld. Historicus Chris van der Heijden, zoon van een ‘foute’ vader, betoogde in zijn (in sommige kringen controversiële boek) Grijs verleden uit 2000 dat de grote massa van de Nederlanders ‘grijs’ was in de oorlog. Een kleine minderheid was ‘goed’ en zat in het verzet, een andere kleine minderheid was ‘fout’ en zat bij de NSB of de SS, de grote meerderheid probeerde gewoon de eindjes aan elkaar te knopen en maakte soms goede en soms foute keuzes. Volgens Van der Heijden waren toevallige omstandigheden veel belangrijker dan politieke en ideologische overtuigingen. Hij beweerde in een interview in het NRC Handelsblad van 3 maart 2001 zelfs: ‘We hadden allemaal bij de gaskamers kunnen staan, zowel aan de ene als aan de andere kant van de deur.’ Volgens Van der Heijden past een moreel oordeel achteraf niet. Het systeem van de nazi’s was dan misschien moreel verwerpelijk, de mensen die daar aan meededen waren ook gewoon maar mensen, die door de omstandigheden verkeerde keuzes konden maken.

    Een stap verder dan Van der Heijden ging Henk Eefting, die in 2008 de Stichting Werkgroep Erkenning Onrecht Bijzondere Rechtspleging oprichtte. Deze stichting wilde ‘foute’ ouders die buitensporig waren gestraft rehabiliteren via de juridische weg en de geschiedenis herschrijven. Zo wilde de stichting een monument op de Goudsberg in Lunteren, waar Anton Mussert in juni 1940 een Hagespraak der Bevrijding hield, een lofrede op de Duitse inval.

    Ook Gerrit Bothof wilde zijn ‘foute’ familie rehabiliteren. Hij startte in 2006 een actie om in het Estse Narwa een gedenksteen te plaatsen voor de Nederlandse SS’ers die daar in 1944 in hun strijd tegen de Russen waren gesneuveld, onder wie Gerrits oom Henk Bothof. Via het Informatiebulletin van de Werkgroep Herkenning organiseerde Bothof een inzamelingsactie. Op de steen kwam de tekst te staan: ‘Ter nagedachtenis aan de gesneuvelde, vermiste en in gevangenschap omgekomen Nederlandse frontsoldaten, verpleegsters en helpers die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa 1941-1945 trouw hun plicht vervulden.’ Bram Enning heeft grote moeite met deze tekst. Duitse Wehrmachtsoldaten waren verplicht om dienst te nemen, de Nederlandse SS’ers waren vrijwilligers. Ze hadden ook een andere keuze kunnen maken. Enning heeft hier een punt. Bothof gaat in zijn strijd voor erkenning erg ver en begeeft zich wellicht in ‘fout’ vaarwater. Zijn initiatief is op het forum van de neonazistische website Stormfront met instemming begroet.

    Ten slotte besteedt Enning in zijn boek ook nog even aandacht aan de controverse rond de 4 mei-herdenking van 2012. Een jongen zou een gedicht voordragen over zijn ‘foute’ opa die bij de SS had gediend. Onder druk van joodse belangenorganisaties, die dreigden hun medewerking aan de dodenherdenking te zullen staken, besloot het Nationaal Comité 4 en 5 mei echter zijn voornemen om deze jongen een podium te geven in te trekken. De strijd voor herkenning en erkenning van (klein)kinderen van ‘foute’ (groot)ouders heeft volgens Enning nu een (voorlopige) grens bereikt.

     

    Spreken over fout is een boeiende studie over een boeiend onderwerp. De Tweede Wereldoorlog is, zo blijkt duidelijk, nog lang niet voorbij.

     

    N.a.v.: Bram Enning, Spreken over fout. Hoe kinderen van collaborateurs het zwijgen verbraken, 1975-2000 (Amsterdam, uitgeverij Balans 2014). ISBN 9789460037016. €19,95.

     

    Tags: 'fout', Bram Enning, Chris van der Heijden, Gerrit Bothof, Henk eefting
    Read More
  • H.J. van Mook: de laatste landvoogd van Nederlands-Indie

    1