Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Draait ‘De Vrijheid van Meningsuiting’ door?

    0

    Draait ‘De Vrijheid van Meningsuiting’ door?

    Boekpresentatie ‘Aan het Volk van Nederland’ in Boekhandel Bos

     

    KAMPEN – De Kamper historicus Ewout Klei presenteert vrijdagavond 13 mei in Boekhandel Bos (Oudestraat 41-43) de heruitgave van ‘Aan het Volk van Nederland’, van de hand van Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Het pamflet werd in 1781 verspreid in heel Nederland, maar bevat desondanks verrassende inzichten over het toen nog nieuwe begrip ‘de vrijheid van meningsuiting’.

     

    De boekpresentatie van ‘Aan het Volk van Nederland’ zal gebeuren in een informele, ‘De Wereld Draait Door’-achtige setting waarin journalist Wim Schluter een aantal gasten aan het woord zal laten over de inhoud van het pamflet. Zo zal Ewout Klei uit de doeken doen waarom hij een heruitgave van het pamflet nodig vond, maar is er ook een column van Jeroen Adema (The Post Online) in de geest van Van der Capellen. Daarnaast schuiven lokale politici uit Kampen en Deventer aan om verder te praten over het onderwerp de vrijheid van meningsuiting en drukpers. De boekpresentatie begint vrijdagavond om 19.00 uur, de toegang is gratis.

    Tags: DWDD, Joan Derk van der Capellen, Wim Schluter
    Read More
  • Sollicitatiebrief aan Geert Wilders

    0

    b4c48afab1_1421055099_Wilders-en-Le-Pen-zijn-een-onafscheidelijk-duo__shre

     

    Geert Wilders
    Ergens in Venlo
    Onbekende Postcode
    Nederland mijn Vaderland

    Betreft: kandidaat TK-leden

     

    Nederland, 7 december 2015

     

    Geachte heer Wilders, beste Geert,

     

    Op twitter las ik dat u kandidaat-leden voor de Tweede Kamerfractie van de PVV zoekt. Ik heb nog nooit gelogen over mijn CV of in een brievenbus gepist. Ook heb ik nog nooit een barman in elkaar geslagen of een kopstoot gegeven en ben ik nooit met drank op achter het stuur gekropen. Verder heb ik een Turkse politicus nog nooit van mijn leven een stuk uitgekotst halalvlees van een varken genoemd, seks gehad met minderjarige meisjes of drugs verkocht aan minderjarige jongens. Bovendien heb ik op sociale media nimmer opgeroepen tot het in brand steken van moskeeën of gejuicht toen er vluchtelingen waren verdronken in de Middellandse Zee. Tevens beheer ik geen websites als kutgeil.com, zaadsnol.com en zwartesletjes.com (die laatste website is trouwens wel interessant voor het stimuleren van integratie), heb ik geen stockfoto’s gebruikt van vrouwen die niet voor dating beschikbaar waren en ben ik hiervoor niet beboet door de Hongaarse mededingingsautoriteit. Last but not least heb ik nooit geweld gebruikt tegen mijn ex vrouw.

    Kortom, ik zou voor u de ideale PVV-parlementariër zijn. Toch ga ik het niet doen. Ik haat de islam niet, uw nationalisme komt op mij heel pathetisch over, maar bovenal vind ik u een naargeestige lul. Ik wens u niettemin veel succes met het vinden van geschikte, of moet ik eigenlijk zeggen, volkomen ongeschikte kandidaten.

     

    Hoogachtend,

     

    Ewout Klei

     

    Tags: Geert Wilders, PVV
    Read More
  • De weg naar de macht. Nu te koop

    0

    Omslag

    Elco Brinkman, Ineke van Gent, Frank de Grave, Jort Kelder, Aad Kosto, prinses Mabel, Ed Nijpels, Hein Roethof, Mark Rutte, Haya van Someren, Hans Wiegel – wie zat er níét in de JOVD?

    Zij, en duizenden anderen, begonnen hun carrière bij de Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie. In De weg naar de macht beschrijft Ewout Klei de geschiedenis van deze liberale politieke jongerenorganisatie, die zich altijd graag profileerde als de horzel in de pels van de VVD. Al ruim 65 jaar lang maken jongeren kennis met het liberalisme via deze onafhankelijke club. Klei laat zien hoe de JOVD zich de afgelopen 65 jaar heeft ontwikkeld tegen de achtergrond van een veranderend Nederland. Welke standpunten nam zij in? Wat voor cultuur heerste er? En hoe reageerden de jonge liberalen op de oprichting van D’66, het paarse kabinet, de politieke correctheid van de jaren negentig en op Fortuyn, Verdonk en Wilders? Deze helder geschreven kroniek biedt een frisse en verrassende kijk op de invloedrijkste politieke jongerenorganisatie van Nederland. Het unieke verhaal van een broedplaats voor politiek talent, met kostelijke anekdotes, sprekend fotomateriaal en speciale bijdragen van Hans Wiegel en Jort Kelder.

     

    Website Nieuw Amsterdam.

    Interview met Ewout Klei door Chris Aalberts.

    Boekpresentatie op 10 december in Den Haag.

     

    Artikel in Algemeen Dagblad.

    AD 28 november 2015

    Tags: Hans Wiegel, Jort Kelder, JOVD, Mark Rutte, VVD
    Read More
  • Uit de oude doos: Socialistisch Pamflet tegen de Partij van de Arbeid

    0

    Deze recensie verscheen vrijdag 4 april 2008 in het Katern, de boekenbijlage van hetNederlands Dagblad.

    Arie van der Zwan, Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA (Amsterdam : Balans 2008). ISBN 9789050189149

    Arie van der Zwan, ex-topmanager, hoogleraar en biograaf, heeft een boek over zijn Partij van de Arbeid geschreven. De titel ‘Van Drees tot Bos’ en de ondertitel ‘Zestig jaar succes en mislukking’ zijn geslaagd, over de tweede ondertitel ‘Geschiedenis van de PvdA’ ben ik wat minder gelukkig. Het boek is namelijk geen geschiedenis van de PvdA, in ieder geval geen geschiedenis in enge zin. Hoofdvraag van het boek is waarom de partij het nu zo slecht doet. Van der Zwan zou hierover een essay kunnen schrijven voor het NRC Handelsblad, Trouw of Socialisme & Democratie, maar hij heeft besloten aan zijn frustraties over de slecht presenterende PvdA een heel boek te wijden. Lezers die, afgaande op de titel, denken aan een wetenschappelijk verantwoord verhaal of een gedenkboek met leuke plaatjes zoals Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 (1986) van Den Uyl-biograaf Anet Bleich, worden op het verkeerde been gezet. Het boek geeft alleen de mening weer van de auteur over de PvdA, een partij waar Van der Zwan een haat-liefde-verhouding mee heeft. Als hij nu een belangrijke PvdA-prominent was – een Wim Kok, Ed van Thijn, een Klaas de Vries, een Felix Rottenberg of een Max van den Berg – dan zou zijn boek misschien enige deining kunnen veroorzaken, maar Van der Zwan is binnen de partij een linksbuiten met dissidente ideeën over de allochtonenproblematiek, kortom iemand die door de PvdA gemakkelijk genegeerd kan worden.

    De gekozen vorm roept verwarring en daarom irritatie op. Ondanks het feit dat het hier om een socialistisch pamflet gaat, presenteert Van der Zwan zijn verhaal als een objectieve weergave van de geschiedenis van de PvdA. Feitelijke gebeurtenissen en juiste analyses zijn echter zeer vermengd met tendentieuze typeringen (“Het toonde evenzeer hoe begerig de PvdA was om toe te treden tot het politieke kartel en daarin zelfs een leidende rol te vervullen”, “In het machtsspel zou de KVP heel wat gewiekster blijken te zijn dan de PvdA”) en zeer gekleurde beschrijvingen (“Zoals de gevestigde orde Troelstra’s oproep in 1918 had aangegrepen om alles wat links was in de ban te doen, zo deed de opvolger van de SDAP datzelfde in mei/juni 1945 met de communisten en eenieder die zich met hen verbond of zelfs maar met hen sympathiseerde”) , die echter niet controleerbaar zijn omdat een notenapparaat in zijn geheel ontbreekt en de literatuurlijst verre van volledig is.

    Kern van Van der Zwans betoog is dat de Partij van de Arbeid, sinds de oprichting in 1946, haar sociaal-democratische geboortepapieren heeft verloochend. De partij mikte namelijk op de kiezers van het midden, schudde begin jaren zestig en opnieuw in de jaren negentig haar “ideologische veren” af en liet zich, behalve in 1972/3, bij de coalitiebesprekingen waarbij men betrokken was inpakken door de verraderlijke christendemocraten.

    Het is daarom niet verwonderlijk dat de Socialistische Partij van Jan Marijnissen de volle sympathie heeft van Van der Zwan, omdat de SP het gat op links opvult dat de PvdA, behalve in de tijd van Den Uyl, heeft laten liggen. De eigenlijke reden van de oprichting van de PvdA, de Doorbraak, de poging om de tegenstelling tussen confessionele en niet-confessionele partijen op te heffen en in Nederland een tweepartijenstelsel te laten doen ontstaan, wordt door Van der Zwan miskent. Dat de PvdA niet slechts de voortzetting van de vooroorlogse socialistische SDAP was maar een fusie van deze partij met de vrijzinnig-democratische VDB en de progressief-christelijke CDU, bagatelliseert hij. Zijns inzien horen de vrijzinnig-democraten eigenlijk niet bij de PvdA. Ook Wouter Bos die uit een christelijke Doorbraakfamilie komt en daarom niet zo’n zin had in de linkse lente van Marijnnissen en Femke Halsema, kan op weinig waardering van de auteur rekenen.

    De Katholieke Volkspartij en later het CDA spelen in het betoog van Van der Zwan de rol van antagonist. Zij blijven, behalve tijdens het kabinet-Den Uyl en het Paarse intermezzo (1994-2002) in het centrum van de macht en geven er in de regel de voorkeur aan om met de liberalen te regeren. De stelling van RKSP-leider W.H. Nolens, dat alleen in “uiterste noodzaak” met de SDAP geregeerd mocht worden, gaat volgens Van der Zwan ook op voor de houding van de christendemocraten ten opzichte van de PvdA. Men gaat alleen met de PvdA in zee als deze partij dusdanig is verzwakt, zoals in 1989 (het kabinet-Lubbers III) en 2006 (Balkende-IV), of wanneer men uit is op een breuk met de PvdA om vervolgens weer met de liberalen te regeren, zoals in 1965/6 (Cals) en 1981/2 (Van Agt-II). Op zich is dit wel een interessante bewering, maar zo’n bewering moet worden onderbouwd en dat doet Van der Zwan in zijn uit de hand gelopen essay niet.

    Interessant is wel Van der Zwans positionering in het debat over de multiculturele samenleving. Hij onderschrijft de kritiek van Bolkenstein en Fortuyn en moet niets hebben van de struisvogelpolitiek die wordt bedreven door de PvdA en het elitaire GroenLinks van Halsema. Ook hieruit blijkt dat Van der Zwan beter past bij de SP.

    Van der Zwans pathetische pamflet eindigt met een aanval op Wouter Bos, die zich volgens helemaal zou laten inpakken door het CDA en door zijn pragmatische sociaal-liberale koers en de focus op hoe goed hij het in de media deed (‘De Wouter tapes’) verantwoordelijk zou zijn voor de neergang van de PvdA, die eigenlijk al was ingezet met de pragmatische Wende van Wim Kok.

    Het PvdA-bashende boek, dat net als de boeiende biografie van Bleich over Joop Den Uyl bij uitgeverij Balans is verschenen, zal ongetwijfeld op het nachtkastje van Jan Marijnissen komen te liggen. Wouter Bos – die zich na het verkiezingsdebacle van november 2006 ontpopt heeft tot een uitstekend minister die in tegenstelling tot vele linkse lieden van zijn partij niet doet aan kabinetje-pesten – hoeft van Van der Zwans slagen in de lucht echter geen minuut wakker te liggen.

    Tags: Anet Bleich, Arie van der Zwan, Ed van Thijn, Joop den Uyl, PvdA
    Read More
  • Teaser De weg naar de macht. Een kroniek van de JOVD 1949 – 2015.

    0

    Even een kleine update over het JOVD-boek. De vermoedelijke titel zal luiden ‘De weg naar de macht. Een kroniek van de JOVD 1949 – 2015.’ Het manuscript ligt nu bij de uitgever, dat is wederom mijn huisuitgever Uitgeverij Nieuw Amsterdam in Amsterdam. Naast 1000 exemplaren voor de JOVD zullen er een x-aantal exemplaren voor de boekhandels worden gedrukt. U kunt het boek dus ook gewoon in de winkel kopen. Het boek krijgt foto’s en twee voorwoorden van twee prominente oud-JOVD’ers, maar die twee maak ik pas bekend als de omslag klaar is. Vermoedelijk wordt het boek eind dit jaar gepresenteerd, in november of begin december. Dat hangt een beetje van het rad van fortuin af. U mag hier aan draai aan geven, maar ik weet niet of dat helpt. Ten slotte voeg ik nog een paar leuke plaatjes aan deze post toe, om u alvast een beetje te teasen.

     

    1954LustrumcongresCabaretAmsterdam

    HaagseJOVD1984

    Fris en fruitig

    20150530_174023

    Tags: JOVD
    Read More
  • Uit de oude doos: Grote sprong voorwaarts van Jan Marijnissen

    0

    Dit artikel stond in het Nederland Dagblad van 18 juli 2006

     

     

    Jan Marijnissen zou wel willen regeren met PvdA en CDA. Maar dan moet hijzelf geen minister worden, meent historicus Ewout Klei.

    Jan Marijnissen, roerganger van de Socialistische Partij, heeft voor menig partijlid een te grote sprong voorwaarts gemaakt. Maandagnacht 10 juli 2006 zei hij in het radioprogramma BRN Laat dat zijns inziens een kabinet van CDA, PvdA en SP tot de mogelijkheden behoort. Bovendien wilde hij in dit kabinet misschien minister van Justitie of Sociale Zaken worden. Eerder dit jaar had de SP zich altijd ondubbelzinnig uitgesproken voor een coalitie met GroenLinks en PvdA.

    Dit volksfront – de nachtmerrie voor de lezers van het blad Elsevier dat hier in maart 2006 een special aan wijdde – is volgens de laatste opiniepeilingen echter goed voor slechts 67 zetels. Maurice de Hond voorspelt voor komende herfst geen linkse lente (maar met de grote schommelingen in de opiniepeilingen weet je het maar nooit) en Marijnissen acht een coalitie van de SP met CDA en PvdA waarschijnlijker dan het linke luchtkasteel van Femke Halsema. Zijn afkomst is hier wellicht debat aan: de Tovenaar van Oss begon zijn carrière namelijk als worstenmaker. Maar in hoeverre is zijn vierjarenplan realistisch? Is de SP wel in staat om het land te dirigeren? Is Marijnissen wel geschikt als minister? En wat voor partij is de SP? Ik wil met het laatste beginnen.

    Actiepartij
    De in 1972 opgerichte SP is begonnen als een maoïstische afsplitsing van de Communistische Partij Nederland. Mao Zedong werd echter snel afgezworen en de partij ging zich op Nederland richten. De SP was lange tijd louter een lokale actiepartij die nauw verbonden was met allerlei buitenparlementaire groeperingen, zoals ‘de Bond van Huurders en Woningzoekenden’, ‘het Milieu Aktie Centrum’ en ‘Arbeidersmacht’. De machtsbasis van de partij lag in Oss en Nijmegen.

    In 1977 had de partij zonder succes meegedaan aan de Tweede Kamerverkiezingen. Pas in 1994 werd een tweede poging ondernomen. Ditmaal met succes want er werden twee zetels behaald. De SP had een populistische campagne gevoerd. De leus van de partij was: Stem tegen, stem SP. Symbool werd de tomaat. Volgens de SP-site is de tomaat namelijk ‘Boordevol gezonde vitaminen maar ook een geducht protestwapen tegen slecht politiek toneel’. De SP zou je daarom met enige creativiteit de rode tegenhanger van De Tegenpartij van F. Jacobse en Tedje van Es (Van Kooten en De Bie) kunnen noemen.

    Omdat de SP het goed doet in de Kamer (heldere taal, duidelijke oppositie tegen Paars) wist de partij bij de verkiezingen van 1998 vijf zetels te halen. In 2002 werden dit er negen. De nieuwe verkiezingsleus werd ‘Stem voor’ (een ander kabinetsbeleid). Begin 2004 verloor de SP een zetel toen Ali Lazrak uit de fractie werd gezet maar niet wilde vertrekken uit de Kamer. Er zijn acht kamerleden overgebleven. Behalve Marijnissen genieten Agnes Kant en Harry van Bomnmel ook enige landelijke bekendheid, de laatste wegens zijn actie tegen de Europese grondwet.

    De SP is tegenwoordig met 45715 leden de derde partij van het land, en laat hiermee ook de VVD achter zich. De partij heeft een sterk wij-gevoel en koestert een negentiende-eeuws vijandbeeld. De SP is namelijk de enige partij in Nederland die zich nog strijdbaar durft op te stellen tegen het kapitalisme (tegenwoordig het neoliberalisme geheten), terwijl PvdA en GroenLinks het enorm laten afweten.

    De SP heeft in dit opzicht wel wat van de kleine christelijke partijen die ook negentiende-eeuwse tegenstellingen vooropstellen (namelijk de antithese tussen christelijke en niet-christelijke partijen) en het CDA verwijten niet principieel genoeg te zijn, vooral wat ethische kwesties betreft. De SP is net als de kleine christelijke partijen erg nationaal-denkend: Nederland moet uit de NAVO, de Europese Unie is een gevaarlijk kapitalistisch en bureaucratisch machtscentrum en de gulden moet worden heringevoerd. Dit zijn niet echt politieke punten waarmee een partij zich Regierungfähig maakt.

    Oude eik
    Terug naar Marijnissen. Eerder genoemde Lazrak heeft twee zonden begaan die hem tot een verstotene maakten: hij had kritiek op de financiële afdrachtregeling (kamerleden moet een deel van hun inkomen afstaan aan de partijkas) en op het leiderschap binnen de partij. Marijnissen is de onomstreden leider van partij en wil dat blijven. Samen met Bas van der Vlies is hij de enige politieke leider die is blijven zitten na de Fortuyn-revolte. Verder is Marijnissen niet alleen fractievoorzitter maar ook partijvoorzitter. Andere partijen kennen een machtenscheiding (de ARP voerde dit bijvoorbeeld vijftig jaar geleden in na het vertrek van Schouten in 1956), maar Marijnissen wil hier niets van weten. In een reportage van Netwerk op 30 juni 2006 zegt hij: ,,Als je fractievoorzitter en voorzitter van de partij gaat scheiden, krijg je verdeeldheid binnen een partij en ga je elkaar het leven zuur maken. Wij gaan geen verdeeldheid bij onszelf organiseren. Wij zijn geen masochisten, wij willen gewoon gezamenlijk vooruit.”

    Marijnissen wil daarom niets weten van lijsttrekkerverkiezingen. Bij VVD en D66, die deze verkiezingen wel hebben gehouden, zou het alleen gaan om de poppetjes. Bij de SP om de inhoud. Dat ook de SP niet vies is van populisme vertelde Marijnissen niet. Volgens de SP-leider zijn andere SP-kamerleden blij dat ‘Jan’ het nog een keer weer doet. Hoewel de andere kamerleden in zijn schaduw staan, is Marijnissen niet bang dat er geen mensen gevonden worden die hem ooit eens kunnen opvolgen. In een aardige quasi-bijbelse metafoor vergelijkt hij zichzelf met oude eik die moet worden omgehakt. ,,Dan komt er onbelemmerd zonlicht op de aarde en dan moet je eens zien wat er opeens allemaal gaat groeien.” Maar vooralsnog wordt de oude eik niet omgekapt. ,,Eiken kunnen heel oud worden en het hout wordt alleen maar beter naarmate de leeftijd vordert.”

    Ministerabel
    Is de oude eik geschikt als minister? En is de SP geschikt om te regeren? Marijnissen lijkt mij een zeer sympathieke man en hij is een bekwaam parlementariër, maar ik denk dat hij maar beter geen minister kan worden. Zijn politieke stijl verschilt te zeer met die van Jan Peter Balkenende en Wouter Bos. Als hét gezicht van de SP staat hij voor vriend en vijand als te geprofileerd bekend. Als minister kan hij eventuele pijnlijke beslissingen niet uitleggen aan de achterban. Of hij wil ze niet nemen zodat het een vechtkabinet wordt, en de SP dezelfde rol gaat vervullen als LPF in Balkenende I en D66 in Balkenende II. Ten slotte is de kans groot dat PvdA en CDA samen 76 zetels halen, en dan is de SP helemaal niet nodig.

    Marijnissen heeft niettemin een belangrijke wissel omgetrokken toen hij zei dat de SP kan regeren met het CDA. Regeringsdeelname van de SP in de toekomst (over acht jaar misschien) is niet bij voorbaat onmogelijk. Als typische partij van de oppositie kan de SP veel van haar radicale politieke ideeën natuurlijk niet verwezenlijken. Maar er is wel een bepaalde ontwikkeling aan de gang. De partij is begonnen als een maoïstische splinter en werd al gauw een lokale actiepartij. De partij heeft sinds 1994 indruk gemaakt in het parlement en blijft gestaag doorgroeien. Kant en Van Bommel zijn bekwame parlementariërs (en wat minder geprofileerd dan Marijnissen) en zouden heel goed wel eens minister kunnen worden.

    Wanneer de SP een regeringspartij wordt, zal de partij wel ingrijpend van karakter veranderen. Bij een partij met regeringsverantwoordelijkheid passen buitenparlementaire acties en populistische leuzen niet. Ook zal een radicaler deel zich wellicht niet meer in de partij herkennen en op een andere tegenpartij stemmen. De SP heeft echter het vermogen zich aan te passen aan de veranderende tijdsomstandigheden. Haar successtory heeft de partij hier vooral aan te danken.

    Tags: Jan Marijnissen, SP
    Read More
  • Het betoverde land achter de kleerkast

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/7/4/5/7/666877547.jpg

    Dit essay staat ook in het boek Van God los. Het einde van de christelijke politiek? dat nog steeds in de winkels te koop is. In vijftien essays bespreken Remco van Mulligen en ik de toekomst van de christelijke politiek in Nederland.

     

    Door: Ewout Klei

     

    De Engelse schrijver C.S. Lewis publiceerde veel boeken over het christelijk geloof, maar hij is in de Angelsaksische wereld toch vooral bekend geworden met zijn kinderboekenserie over Narnia, het betoverde land achter de kleerkast. In Narnia draait alles om de leeuw Aslan, die symbool staat voor Jezus. Zoals Jezus de wereld redde door te sterven aan het kruis, zo redde Aslan Narnia door te sterven op de stenen tafel. En zoals Jezus na de opstanding des vleses de satan en zijn demonen versloeg, zo versloeg Aslan de White Witch en haar legers.

    Vanwege de zware christelijke symboliek, is de kinderfantasy van Lewis ook populair bij volwassenen. Sommige enthousiaste Lewis-fans, zoals de conservatieve publicist Bart Jan Spruyt, wanen zich ook nadat ze het boek hebben neergelegd soms heel even in Narnia:

     

    “Onlangs had ik een debat, een nogal ongemakkelijk debat, met een vrouwelijke representante van het secularisme, en in de auto naar huis zag ik haar gezicht steeds voor me. Ik kende dat gezicht, maar waarvan ook al weer? Een wit gezicht, strak, ijzig. Weken later wist ik het ineens. Jadis, de koningin van Narnia, de White Witch, witte tovenares, uit de verhalen van C. S. Lewis! Het land achter de kleerkast waarover zij regeert, heeft zij zo betoverd dat het er altijd winter blijft, doods, koud, onvruchtbaar. Het wordt er nooit meer kerstfeest. Haar macht wordt verbroken wanneer het een jongen lukt om met zijn zwaard de toverstaf van de tovenares kapot te slaan, en door de levenwekkende adem van de uit de dood herrezen leeuw Aslan. Het doodse wit maakt plaats voor een regenboog aan kleuren. Doodse stilte wordt vervuld van lachen en zingen.

    Om het doodse wit van het secularisme te verdrijven, en te voorkomen dat alle lachen en zingen in een koude, doodse stilte verandert, moet het toverstokje van de seculieren opnieuw met het zwaard worden verbroken. En dat zwaard kan niet anders dan het zwaard van de Geest zijn, Die zoals bekend niet werkt door kracht of geweld.”

     

    In de ogen van Spruyt is de White Witch, die bij Lewis symbool staat voor de Satan, D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld. Zij is een pleitbezorger van het secularisme. Ook in Nederland wint het secularisme volgens Spruyt terrein. Immers, een seculiere meerderheid in de Tweede Kamer wilde het onverdoofd ritueel slachten van dieren door joden en islamieten verbieden. Als de seculieren hun zin krijgen, zo voorspelt Spruyt, verandert Nederland in een doods winterlandschap, waar er voor zichtbaar geloof geen plaats meer is.

    Spruyt is in het Nederlandse politieke landschap niet de enige die het secularisme als bedreiging ziet. Volgens Henk van Rhee van de christelijke hulporganisatie Stichting tot Heil des Volks ligt het orthodoxe christendom permanent onder vuur. Om die reden lanceerde hij het idee van een proefprocessenfonds om de christelijke vrijheid te beschermen. Dit natuurlijk naar analogie van het in 2002 gestarte proefproces van het feministische Clara Wichmann Fonds tegen de SGP, vanwege het vrouwenstandpunt van die partij. Van Rhee stelt dat we geloofsonvrijheid te lang met het communisme en de islam hebben geassocieerd. Volgens hem zorgt ook het secularisme voor verdrukking en dit kan leiden tot vervolging van christenen. Kritische geluiden over het secularisme wijzen vooral in die richting.

    Verandert Nederland dankzij de seculieren in Narnia, in een winterland?

     

    ‘Seculiere meerderheidscultuur’

    De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy stelt dat Nederland een ‘seculiere meerderheidscultuur’ kent, waarin minderheden worden gemarginaliseerd. Zijn begrip ‘seculiere meerderheidscultuur’ duikt tegenwoordig vaak op in analyses over de huidige Nederlandse samenleving. Het is een nadere inkleuring van het begrip ‘meerderheidscultuur’, dat Paul Scheffer bezigde in zijn beroemde boek Het land van aankomst. Scheffer ziet ‘meerderheidscultuur’ als iets positiefs. Migranten moeten zich, als zij goed in de samenleving willen functioneren, voegen naar deze dominante cultuur. Kennedy daarentegen ziet het als iets negatiefs. De ‘seculiere meerderheidscultuur’ is volgens hem dwingend en intolerant.

    In een interview, dat in juni 2005 in het dagblad Trouw verscheen, vertelt Kennedy dat het begrip tolerantie in de jaren zestig een grote transformatie heeft ondergaan. In de tijd van de verzuiling betekende tolerantie dat je een zeker begrip kon opbrengen voor de opvattingen van de ander, ook al was je het er hartgrondig mee oneens, en dat je anderen daarom niet opzettelijk moest kwetsen. Tolerantie was noodzakelijk, want anders konden de verschillende groepen mensen niet met elkaar samenleven. Vanaf de jaren zestig werd tolerantie echter iets wat anderen moesten hebben, en wat van anderen kon worden geëist. Als gevolg van snelle secularisatie, ontkerkelijking en ontzuiling ontstond er volgens Kennedy in Nederland een seculiere meerderheidscultuur, die afwijzend stond tegenover religieuze minderheden. Aanvankelijk waren orthodoxe christenen de kop van jut, in het nieuwe millennium werden dit de islamitische nieuwkomers waar ook Scheffer in zijn boek over schrijft. De seculiere meerderheid eist tolerantie van deze minderheden en plaatst ze steeds weer in de beklaagdenbank. De opmerking van Rita Verdonk, in het kabinet Balkenende II Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, dat moslims moeten leren kritiek te incasseren, is volgens Kennedy veelzeggend. Beledigen mag, en degenen die daar moeilijk over doen, worden als intolerant bestempeld. Kennedy hekelt de seculiere opstelling. Deze is slecht voor de minderheid en bij de seculiere meerderheid ontbreekt vaak het vermogen tot zelfreflectie.

    Hoofdredacteur Erica Meijers van het GroenLinks-magazine De Helling schreef in 2011 vlammend betoog over ‘de nieuwe onverdraagzaamheid bij links’. In haar geruchtmakende essay  bekritiseert ze de religiekritische koers van GroenLinks. Niet alleen Geert Wilders maakt een karikatuur van de islam, maar dat gebeurt volgens haar steeds vaker ook in linkse kringen. In het politieke discours van links wordt ‘seculier’ vereenzelvigd met ‘beschaving’, ‘verlichting’ en ‘vrijzinnigheid’, terwijl ‘orthodoxie’ in het algemeen, en orthodoxe vormen van de islam in het bijzonder, al snel in verband gebracht worden met ‘barbarij’, ‘achterlijkheid’ en ‘fundamentalisme’. Mensen denken volgens haar tegenwoordig veel te snel in frames, beelden, die de maatschappelijke werkelijkheid in een knellend keurslijf dwingen. Op dit moment winnen de karikaturen van religie aan kracht, wat de politiek legitimeert om er harder tegen op te treden.

    Orthodoxie is volgens Meijers niet hetzelfde als fundamentalisme. Orthodoxie is breed, staat in een eerbiedwaardige traditie met eeuwenoude papieren, terwijl fundamentalisme smal is en iets van een veel recentere datum. In navolging van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer stelt Meijers dat religie een januskop heeft: een lelijk en een mooi gezicht. Tegenwoordig wil men echter alleen het lelijke gezicht zien. Pas als de seculiere partijen zich losmaken van hun karikatuurbeelden, kunnen ze gelovigen weer recht in de ogen kijken en de ander nemen zoals hij echt is, en niet als een woeste barbaar.

    Die karikatuurbeelden waartegen Meijers ten strijde trekt kennen een langere geschiedenis. Al in de jaren tachtig werden  bijvoorbeeld de orthodoxe christenen in het politiek-maatschappelijke debat als fundamentalistisch uitgemaakt. Dit overkwam de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. In het inmiddels ontzuilde Nederland werden de nog verzuilde partijtjes niet alleen als reservaten van de verzuiling beschouwd, maar ook als broeinesten van religieuze onverdraagzaamheid. Het machtige en gematigde CDA was weliswaar niet geliefd bij de (progressieve) pers, maar werd niet als fundamentalistisch bestempeld.

    In 1981 kwamen progressief en seculier Nederland in het geweer, toen er even sprake van was dat CDA en VVD een minderheidskabinet wilden vormen dat zou leunen op de gedoogsteun van de kleine christelijke partijen. In de Volkskrant trok columnist Jan Joost Lindner fel van leer tegen deze ‘Staphorster variant’, die als wisselgeld voor haar gedoogsteun alle vrijzinnige vernieuwingen zou tegenhouden. Het Overijsselse boerendorp Staphorst, waar tot in de jaren zestig overspelige stelletjes in een mestkar werden rondgereden, stond bij Lindner symbool voor de barbaarsheid van het christendom. Ook het Humanistisch Verbond wilde onder geen beding dat SGP, GPV en RPF invloed op het kabinetsbeleid zouden uitoefenen, en waarschuwde in een open brief CDA en VVD voor deze ‘theocratische partijtjes ter rechterzijde’.

    Medio jaren tachtig laaide dezelfde discussie weer op, toen PvdA-leider Joop den Uyl de drie kleine christelijke partijen ‘a-democratisch’ noemde. In een toespraak die hij hield op een feestelijke bijeenkomst over negentig jaar sociaaldemocratie, stelde Den Uyl dat de manier waarop er in SGP, GPV en RPF over democratie werd gedacht, ‘een latente bedreiging (…) van wezenlijke vrijheden’ vormde. GPV-leider Gert Schutte bestreed tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 1984 de aanval van Den Uyl, en verzekerde iedereen dat het GPV zich aan de democratische spelregels hield. In de loop van dit Kamerdebat werd duidelijker wat Den Uyl precies met ‘a-democratisch’ bedoelde, namelijk dat de kleine christelijke partijen met beroep op de Bijbel zich verzetten tegen het gelijkheidsidee, dat ten grondslag zou liggen aan de Nederlandse democratie, en anderen discrimineerden. De Bijbel was volgens Den Uyl bovendien een ‘niet-verifieerbare’ bron, en door zich op de Bijbel te beroepen onttrokken de kleine christelijke partijen zich aan de normale politieke discussie. Den Uyl eiste tolerantie van minderheden en verdedigde het standpunt van de Duitse filosoof Jürgen Habermas, namelijk dat in het publieke domein alleen zinvol kan worden gediscussieerd als men argumenten gebruikt die voor alle partijen acceptabel zijn. RPF-leider Meindert Leerling zei daarom heel erg de indruk te hebben dat Den Uyl van SGP, RPF en GPV politieke paria’s wilde maken, die net als Hans Janmaat van de Centrumpartij moesten worden gemeden en bestreden. Leerling hoopte dat er voor het christelijke geluid in het parlement nog wel ruimte zou blijven.

    Lindner, het Humanistisch Verbond en Den Uyl maakten een karikatuur van de kleine orthodox-christelijke partijen door ze te bestempelen als aartsconservatief en intolerant en te stellen dat ze in potentie een gevaar vormden voor de Nederlandse democratie. Dat SGP, GPV en RPF in het parlement samen slechts zes zetels hadden en nog geen deuk in een pakje boter konden slaan, wist men natuurlijk ook wel. Het spookbeeld Staphorst was echter nodig om de eigen identiteit extra te onderstrepen, het was een oefening in seculiere zelfbevestiging.

    Tegenwoordig is de term Staphorst een beetje in onbruik geraakt. Toen de SGP in 2011 gedoogsteun verleende aan het wankele kabinet-Rutte I sprak men niet over Staphorst maar over de Poldertaliban (zie ook hoofdstuk 7 ‘De emancipatie van de SGP’). Religieuze onverdraagzaamheid en barbaarsheid worden nu allereerst in verband gebracht met de islam, ook als de minderheid die zich intolerant opstelt christelijk is.

     

    Hashtag haatbaard

    Sinds 2001 heeft het islamdebat Nederland in zijn greep, het debat over de vraag of de islam een bedreiging vormt voor de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Dit debat gaat niet zozeer over moslims en de islam in het algemeen, maar vooral over fundamentalistische moslims en de vraag of de islam een politieke ideologie is.

    In Nederland wonen bijna één miljoen moslims. Zij zijn verdeeld in uiteenlopende etnische groepen, waarvan de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen de grootste zijn. Het etnische onderscheid is het belangrijkst, maar daarnaast spelen ook dogmatische verschillen een rol. De meeste moslims in Nederland behoren tot de soennitische islam, maar er zijn ook andere richtingen te herkennen. De eerste moskee in ons land is bijvoorbeeld gesticht door de ahmadiyya, een stroming die door de meeste andere moslims als ketters wordt beschouwd. Daarnaast is zo’n twintig procent van de Turkse moslims aleviet, een vrijzinnige stroming binnen de sjiitische islam. Binnen de fundamentalistische islam, die sjiitisch of soennitisch kan zijn, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen fundamentalisten die gebruikmaken van geweld en zij die dat niet doen. Haitham al-Haddad is een fundamentalistische soennitische moslim die een theocratische islamitische staat nastreeft, maar hij maakt geen gebruik van geweld. Ook roept hij moslims niet op om terroristische aanslagen of andere gewelddaden te plegen. Al-Haddad kun je daarom ook niet gelijkstellen met de terroristische organisatie Al-Qaida.

    In het islamdebat is het trouwens niet alleen Geert Wilders die beelden oproept van boze mannen met baarden, ook progressief Nederland doet hier lustig aan mee. Als Pauw & Witteman een debat willen met een ‘echte’ moslim, vragen ze nooit een degelijke CDA- of PvdA-politicus. In plaats daarvan nodigen ze theatraal tegendraadse fundamentalisten uit als Mohammed Enait, de advocaat die niet wilde opstaan voor de rechter omdat hij het Nederlandse recht niet respecteerde. Of Izz ad- Din Ruhulessin, de Nijmeegse student Arabisch en politicologie die in de Volkskrant Iran verdedigde toen men daar een overspelige vrouw wilde stenigen.

    Ook het Amsterdamse debatcentrum De Balie heeft een fascinatie voor deze ‘oorspronkelijke’ moslims. Het debat dat op vrijdagavond 17 februari 2012 in Amsterdam werd gevoerd tussen de fundamentalistische geestelijke Haitam al-Haddad, journalist Kustaw Bessems en GroenLinks-Kamerlid en vrijzinnige moslim Tofik Dib en de commotie eromheen,  hadden wel iets weg van een circusact van honderd jaar geleden.

    Al-Haddad was uitgenodigd door een islamitische studentenvereniging om aan de Vrije Universiteit van Amsterdam te komen spreken. Omdat Al-Haddad bekend stond als een antisemiet die onderdrukking van vrouwen propageerde, hadden enkele partijen in het parlement grote bezwaren tegen zijn komst. In reactie op deze commotie besloot de VU-leiding dat het niet zou doorgaan, in ieder geval niet in het gebouw van de universiteit. Debatcentrum De Balie wierp zich vervolgens op als centrum van het vrije woord, en besloot de beste man wel een podium te geven. Vanwege de rel was de zaal snel uitverkocht. Een aantal websites besloot  het debat een livestream uit te zenden, en politici, journalisten en verder iedereen met een mening twitterden al enkele uren voor aanvang in ongezouten bewoordingen over Al-Haddad. GroenLinks-coryfee Femke Halsema noemde hem een ‘malloot’, wat die avond één van de vriendelijkste kwalificaties was. Heel vaak verscheen in tweets  de hashtag ‘haatbaard’ (#haatbaard). Niet alleen openlijke en heimelijke sympathisanten van Geert Wilders, maar ook grachtengordelbewoners als opiniemaakster Maja Mischke en PvdA-politicus Kaj Leers bezigden deze term.

    Ondanks alle mooie woorden over het vrije woord was het Baliedebat eigenlijk geen ‘echt’ debat. In zo’n ideaal debat probeert men de ander te overtuigen, en doet men ook zijn best de ander te begrijpen. Al-Haddad leek echter vooral te zijn gekomen om zijn eigen mening te verkondigen. Soms deed hij ronduit curieuze uitspraken, bijvoorbeeld dat westerse moslimvrouwen die overspel hadden gepleegd, graag naar een islamitisch land zouden willen afreizen om daar gestenigd te worden. Door zijn extreme uitspraken maakte hij het zijn opponenten makkelijk om zichzelf te bevestigen in hun seculiere superioriteitsgevoelens. Al-Haddad werd hierdoor het levende symbool van achterlijkheid, onverdraagzaamheid en haat: der ewige Muslim. Men zocht naar de meest extreme formuleringen om afstand te nemen van de imam: hij moest als een bebaarde barbaar worden gedehumaniseerd.

    Dat het debat in De Balie uitverkocht was heeft vermoedelijk ook te maken met een zekere behoefte aan sensatie. Honderd jaar geleden bezochten mensen het circus vanwege de dwergen en de vrouw met de baard. De ‘verlichte’ Nederlanders waren in 2012 niet veel anders, ze bezochten De Balie om naar een ‘echte’ moslim te kijken, een #haatbaard.

     

    Ruimte voor het individu

    Van christenen en moslims bestaan veel karikaturen en karikaturen doen aan de werkelijkheid geen recht.  Er valt dus best iets voor de analyses van Kennedy en Meijers ten aanzien van het seculiere denken en religie te zeggen. Toch is er ook wel wat op af te dingen, want Kennedy en Meijers zijn beide eenzijdig, ze vertellen slechts een deel van het verhaal. Ze hebben alleen het mooie gezicht van religie willen zien, en hebben het lelijke gezicht van deze januskop afgepoetst. Daarnaast maken zij van het seculiere denken ook een karikatuur, een die wel erg zwart is ingekleurd, met als gevolg een te weinig verlicht plaatje. Zo vindt August Hans den Boef, auteur van boeken als God als hype en Nederland seculier!, dat Meijers orthodoxie veel te positief taxeert. Orthodoxie is niet breed, maar een verstening van de traditie. Kwalijker vindt hij echter de groepsdwang onder orthodoxe gelovigen. Orthodoxie is immers geen vrije keus, je wordt er vanaf je kindertijd al mee geïndoctrineerd. Ten slotte willen orthodoxe gelovigen hun ‘reservaten’ uitbreiden. Als hun wereld botst met de seculiere wereld, moet de laatste volgens de orthodoxen natuurlijk wijken. Zo moet er een uitzonderingspositie zijn voor trouwambtenaren van de burgerlijke stand die weigeren homo’s te huwen – de weigerambtenaren –  en voor artsen die weigeren euthanasie uit te voeren  – de weigerartsen. Maar eigenlijk willen orthodoxe gelovigen het homohuwelijk en de euthanasiewetgeving gewoon terugdraaien. Orthodoxen zijn niet uit op een modus vivendi maar willen de rechten van andersdenkenden beperken. Ze dienen volgens Den Boef daarom te worden bestreden. Of deze twee voorbeelden wel gelukkig zijn gekozen door Den Boef, daar kunnen vraagtekens bij worden gezet. Juist op het gebied van het homohuwelijk en de euthanasie is de traditionele christelijke moraal namelijk behoorlijk teruggedrongen in Nederland. Het homohuwelijk en de euthanasie zijn immers gelegaliseerd.

    Boris van der Ham, oud-parlementariër van D66 en huidig voorzitter van het Humanistisch Verbond, is qua toonzetting een stuk milder dan Den Boef. Hij richt zijn pijlen op het idee van de seculiere meerderheidscultuur, die volgens hem niet bestaat. Natuurlijk, de verzuiling is grotendeels voorbij, maar dat betekent volgens  hem niet dat het nu allemaal koekoek één zang is. Mensen zijn in de eerste plaats individuen, alle individuen zijn verschillend en denken verschillend. De overheid moet minderheden beschermen, maar niet als groepen. Zo’n benadering negeert namelijk de diversiteit bínnen orthodoxe groepen. Een groeiende minderheid binnen deze groepen heeft bijvoorbeeld geen moeite met het aangaan van homoseksuele relaties, maar voor dit geluid is vooralsnog geen ruimte.  Van der Ham wil de diversiteit binnen orthodoxe gemeenschappen óók recht doen. Het recht om af te wijken, is volgens hem daarom allereerst een individueel recht. Het perspectief ‘seculiere meerderheid’ versus ‘religieuze minderheden’ houdt met het individu onvoldoende rekening.

    Orthodoxie betekent ‘zuiver in de leer’. Orthodoxe groepen wijzen daarom visies die niet met hun eigen overeenkomen principieel af.  Zij dulden geen diversiteit in hun eigen groep. Van het GPV konden in de praktijk alleen mensen lid worden, die behoorden tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ‘enige ware kerk’ (zie hoofdstuk 8 ‘De twee gezichten van de ChristenUnie’). De ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, denkt tegenwoordig wat ruimer. Niettemin sluit de partij de facto homoseksuelen uit voor bestuurlijke en vertegenwoordigende functies (hoewel er vast wel enkele uitzonderingen zijn die deze regel bevestigen).

    Den Uyl had in 1984 niet helemaal ongelijk. In tegenstelling tot de SGP waren GPV en RPF geen theocratische partijen, maar voluit democratisch waren ze ook niet. Volgens RPF-leider Meindert Leerling had de PvdA-voorman het eigenlijk best wel goed gezien. De democratie kende grenzen, voor de kleine christelijke partijen bestond er een hogere norm dan ‘de helft plus één’. Leerling wees op de boeken van oud-Kamerlid A.J. Verbrugh, de voorganger van GPV-leider Schutte, die in zijn trilogie Universeel en Antirevolutionair de democratie als staatsvorm afwees.

    Als Den Uyl in het al eerder genoemde debat met Schutte naar de boeken van Verbrugh had verwezen, had hij dit wellicht gewonnen. Het ideaal van de kleine christelijke partijen was niet een pluralistische samenleving waarin alle minderheden tot hun recht kwamen, maar een protestants land dat orthodoxe protestanten bevoordeelde.

    Na 2000 is de ChristenUnie van het ideaal van Nederland als protestantse natie afgestapt. Niettemin blijft men aanhikken tegen de democratische regel, dat de meerderheid beslist. In 2008, toen de ChristenUnie in de regering zat, wilde de partij tijdens de discussie over embryoselectie haar minderheidsvisie (een totaalverbod op embryoselectie) het liefst aan de rest van Nederland opleggen. Voorstanders van embryoselectie dwingen tegenstanders immers niet om ook aan selectie te doen, terwijl de ChristenUnie voorstanders wel selectie wil verbieden. De onbuigzame opstelling van de ChristenUnie ontketende een storm van protest, en columnisten Elsbeth Etty en Maarten ’t Hart lieten zich in het NRC-Handelsblad negatief uit over het christelijk geloof. In reactie hierop kropen ChristenUnie-politici meteen in een slachtofferrol. Kamerlid Arie Slob meende dat christenen (lees: ChristenUnie en SGP) in het publieke debat werden gediscrimineerd, en senator Roel Kuiper klaagde meteen steen en been over de ‘knock-out-democratie’, die minderheden uit de politieke arena wilde slaan. Dat de discussie was opgelaaid omdat de ChristenUnie de vrijheid van andersdenkenden wilde beperken, waren beide heren allang weer vergeten.

    Enkele jaren later, in oktober 2011, organiseerde het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie een afscheidscongres voor André Rouvoet. De begin dat jaar afgetreden partijleider zei in zijn redevoering dat hij de formele regel dat de democratische meerderheid beslist respecteerde, maar tegelijkertijd benadrukte hij dat een échte democratie zo veel mogelijk rekening houdt met minderheden. Rouvoet beriep zich op Kennedy’s analyse dat de seculiere meerderheid minderheden marginaliseert en gebruikte dat als een frame, om het over de andere kant van de zaak vooral maar niet te hebben. Hij schetste religieuze minderheden als slachtoffer van de seculiere meerderheid, maar over de diversiteit in orthodoxe gemeenschappen zweeg hij uiteraard.

    Hoe zit het dan met orthodoxe moslims? Ten aanzien van Al-Haddad hadden de seculiere critici terechte kritiek op zijn standpunten. Natuurlijk, de mening van Al-Haddad is extreem radicaal en vermoedelijk zullen slechts weinig moslims in Nederland het met hem eens zijn. Maar Al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië, waar geen vrijheid van godsdienst is.  Al-Haddad is bovendien gepokt en gemazeld in het Saoedische denken. Hij eist in Europa het recht op om als moslim naar islamitische wetten te mogen leven, maar uiteraard gunt hij andersdenkenden deze rechten niet. Een fatsoenlijk debat viel er met hem niet te voeren: op kritische vragen gaf de imam geen antwoord, of hij verwees naar een ‘niet-verifieerbare’ bron, de Koran. Fundamentalisten maken geen interpretatieslag naar het heden en geloven dat de antwoorden van toen antwoord geven op alle vragen. Ruimte voor twijfel, ruimte voor diversiteit, ruimte voor het individu: die ruimte bestaat gewoon niet.

    Dat de Profeet Mohammed een dichter en dromer was die prachtige verhalen kon vertellen en een zwak voor mooie vrouwen had, dat gaat er bij de fundamentalisten onder zijn volgelingen niet in. Zij willen en kunnen alleen nog maar het strenge gezicht van de Profeet zien, dat overigens niet afgebeeld mag worden. Het is aan de ene kant beschamend als men Al-Haddad voor malloot of haatbaard uitmaakt –  en hem op deze manier dehumaniseert – maar waar Al-Haddad en zijn geestverwanten mee bezig zijn, is een dehumanisering van de islam. Hun doel is dit geloof van alle menselijke trekjes te zuiveren, te beginnen met de Profeet zelf. Tofik Dibi riep tijdens het Baliedebat niet voor niets uit: “Uw islam is niet mijn islam”.

    Gelovigen, ook fundamentalistische gelovigen, zijn allemaal anders. Aan de andere kant, conservatieve geloofsstromingen hebben veel intolerante trekjes en verhouden zich vaak slecht tot democratie en individuele vrijheid, waaronder ook de individuele godsdienstvrijheid. Kennedy en vooral Meijers zouden er goed aan doen deze kant wat meer te belichten.

     

    Uit de kast

    Nederland is nog niet veranderd in een Narnia-in-de-winterland: voor gelovigen is in onze samenleving nog steeds plaats, ze kunnen naar de kerk of de moskee, en krijgen ook geen seculiere staatsopvoeding. Ook mogen gelovigen, dankzij de vrijheid van meningsuiting, zeggen wat ze denken. Nederland is geen seculiere dictatuur.

    Aan de andere kant: maakt godsdienstvrijheid mensen vrij of leidt dit tot onderdrukking? Zijn christelijke homo’s die zeggen dat ze bewust voor een celibatair leven kiezen wel echt vrij, of doen ze dit uit angst voor uitstoting uit de gemeenschap waarin ze zijn opgegroeid, en de verwachting van een eeuwige straf na dit leven? Op deze vraag kun je eigenlijk geen bevredigend antwoord geven. De politiek moet daarom een zekere terughoudendheid in acht nemen. We moeten geen staatsopvoeding willen, ook al is deze seculier. Echter, een overheid die organisaties subsidieert die vrouwen en/of homo’s discrimineren, is ook niet neutraal, en maakt deze discriminatie zelfs mede mogelijk. De overheid dient op te komen voor minderheden en ook met minderheidsopvattingen die binnen een minderheid kunnen leven, maar moet voorzichtig zijn in haar optreden. Per geval moet goed bekeken worden wat de juiste keuze is. Soms weegt de vrijheid van de religieuze groep het zwaarst, soms de vrijheid van het individu.

    Belangrijker dan wat de overheid al dan niet moet doen, is de manier waarop het maatschappelijk debat wordt gevoerd. Op dit moment wordt er te veel naar elkaar gewezen:   seculieren beschouwen religieuzen te snel als barbaren, terwijl religieuzen zichzelf te snel in de slachtofferrol plaatsen –  vaak ook om maar niet te hoeven na te denken over de vraag of er misschien toch iets waar is van de kritiek van de ander. Dit komt door het drijven op twee gescheiden eilandjes en angst voor beïnvloeding van het eigen gekoesterde gedachtegoed. Voor een vruchtbaar debat is in de eerste plaats seculiere zelfbeheersing nodig. Christenen en moslims moeten niet meer als achterlijke barbaren worden gekarikaturiseerd, maar als mensen met een andere mening worden benaderd. Kritiek op die mening moet echter wel mogelijk blijven. Ook met religiekritiek is niets mis, zolang de aanhangers van religies maar als mensen worden blijven benaderd. Daarnaast zou het goed voor de discussie zijn, om niet alleen radicalen en extremisten aan het woord te laten, maar ook ‘normale’ religieuzen. Vooral voor de islamdiscussie zou dit heel heilzaam zijn en deze discussie bevrijden uit de verstikkende wurggreep van de polarisatie.

    In Narnia, het betoverde land achter de kleerkast, zijn de regels makkelijk. Of je volgt de White Witch, of je volgt Aslan. Een tussenweg is er niet. We moeten weg uit deze wereld. Gelovigen en seculieren moeten uit de kast komen, wakker worden uit hun utopische droom, en leren om in de echte wereld toch een beetje met elkaar samen te leven.

    Tags: Aslan, Bart Jan Spruyt, Erica Meijers, James Kennedy, Joop den Uyl
    Read More
  • Persbericht lezing Joan Derk van der Capellen en de Nederlandse democratie

    0

    http://www.mijngelderland.nl/beeld/Canons/Lochem/19_A_Aan_het_volk_van_Nederland.jpg

    De Overijsselse baron Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) was een omstreden politicus. Hij keerde zich tegen de politiek van stadhouder Willem V; bracht geheime politieke stukken in de openbaarheid; sympathiseerde als eerste met de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd tegen Engeland; mobiliseerde boze boeren en burgers en was ten slotte de anonieme auteur van het roemruchte pamflet Aan het Volk van Nederland, dat in de nacht van 25 op 26 september 1781 over heel Nederland werd verspreid en het startschot was van de patriottenbeweging. Het wekt dan ook geen verbazing dat Pim Fortuyn deze tegendraadse baron zijn “illustere voorganger en voorbeeld” noemde.

    Wie was Van der Capellen en waarom was hij voor de patriottenbeweging zo belangrijk? Wat was zijn politieke filosofie? Hoe verhield deze filosofie zich tot de Amerikaanse Grondwet van 1789 en de Bataafse Grondwet van 1798? En in hoeverre kunnen we Van der Capellen beschouwen als een wegbereider van de Nederlandse democratie?

    Bovenstaande vragen staan centraal in de lezing die politiek historicus dr. Ewout Klei (1981) op dinsdag 17 februari zal houden in Hattem. Deze avond wordt georganiseerd door de Commissie Daendels in samenwerking met de vereniging Heemkunde Hattem, de Kunstkring Hattem en de Vereniging van Vrienden van het Voerman Museum Hattem met medewerking van de leden van het Sint Annagilde Hattem.

     

    Locatie: Grote- of Andreaskerk, Hattem

    Prijsinformatie:  gratis

    Start datum/tijd: dinsdag 17 februari 2015 20:15 uur

     

     

    Tags: Aan het Volk van Nederland, Joan Derk van der Capellen tot den Pol, patriotten, Pim Fortuyn
    Read More
  • De Nelson Mandela van Tsjecho-Slowakije

    0

    http://i.lidovky.cz/11/124/lnorg/APE402d80_charta77_79_03_5_46645.jpg

    (Václav Havel (links) en Charta 77)

     

    Door: Ewout Klei

     

    Hij was toneelschrijver, kroegtijger, vrouwenjager, dissident, mensenrechtenactivist, gevangene, dissidentenleider, revolutionair, president maar bovenal intellectueel. Václav Havel (1936-2011) was een van de grote leiders van de twintigste eeuw, te vergelijken met Nelson Mandela, Mahatma Gandhi, Winston Churchill, Konrad Adenauer en Lech Wałęsa. Over Havel is eind vorig jaar een prachtige biografie verschenen door Michael Zantovsky, die in het Nederlands is verschenen bij de Bezige Bij Antwerpen.

    Havel kwam uit een rijke Tsjechische familie en werd om die reden gediscrimineerd door het communistische regime, dat een hekel aan bourgeoiskinderen had. Havel ontwikkelde zich echter tot een begenadigd toneelschrijver en essayist die zich in dissidente kringen begaf. Zijn absurdistische verhalen, die duidelijk geïnspireerd waren door Franz Kafka, namen indirect het communistische systeem op de hak.

    Tijdens de Praagse Lente van 1968 bleef Havel op de achtergrond, maar toen daarna de ‘normalisering’  inzette ontpopte hij zich tot één van de belangrijkste woordvoerders van de intellectuele oppositie tegen het communistische regime. Samen met enkele geestverwanten richtte Havel in 1977 de mensenrechtenorganisatie Charta 77 op, die zich voor de rechten van dissidenten inzette.

    Aanleiding van Charta 77 was de arrestatie en veroordeling van de psychedelische rockband de Plastic People of the Universe. De communisten vonden deze langharige drugsgebruikers met hun harde muziek en provocerende teksten maar niets.  Havel kon de muziek ook niet zo waarderen, maar kwam voor hun rechten op. Dat werd niet gewaardeerd door de communisten. Als een van de leiders van Charta 77 belandde Havel in 1977 voor een korte periode in de gevangenis. In 1979 werd hij voor een langere periode opgesloten. Havel kwam pas in 1983 vrij.

    Het ging Havel om ‘een leven in waarheid’. Hij bedoelde daarmee dat je als mens authentiek moest blijven, trouw moest blijven aan jezelf, niet moest buigen voor de corrumperende invloed van een regime dat intimideert, liegt en ook probeert intellectuelen te verleiden met beloningen, mits ze maar loyaal zijn aan de staat. Havel hoefde voor zijn ideaal niet te sterven. Hij was geen martelaar. Maar een paar jaar in de gevangenis, hoe zwaar dat natuurlijk ook was, had hij er wel voor over.

    Vanwege zijn toneelstukken en zijn activiteiten als dissident was Havel onder westerse intellectuelen een beroemdheid geworden. De communisten, bang voor slechte publiciteit, durfden hem dan ook niet al te hard aan te pakken. Maar ook Havel werd beperkt in zijn doen en laten. In 1986 besloot de Stichting Praemium Erasmianum aan Havel de Erasmusprijs toe te kennen, die elk jaar werd uitgereikt in Rotterdam en waar een prijzengeld van 200.000 gulden aan verbonden was. Het bracht Havel in een lastig parket. Hij wilde het geld graag geven aan Charta 77 om vervolgde medechartisten te helpen, maar dat zou het communistische regime natuurlijk nooit accepteren. Uiteindelijk lukte het Havel om het prijzengeld via via aan de Charta Foundation in Stockholm door te sluizen. Een ander probleem was dat het communistische regime Havel waarschijnlijk niet zou toestaan om naar Nederland te reizen. In plaats van Havel reisden twee van zijn vrienden naar Rotterdam. De een nam de prijs in ontvangst, de ander las een toespraak van Havel voor. De Nederlandse regering, die de goede diplomatieke betrekkingen met Tsjecho-Slowakije belangrijker vond dan de vrijheid van meningsuiting, besloot echter om een passage uit de toespraak te censureren. Havel had geschreven ‘de eer die via mij wordt toegekend aan Charta 77, zij het indirect’. Dit werd vervangen door ‘de eer mij wordt betoond’. Bij de aanvaarding van een onderscheiding voor zijn strijd voor de mensenrechten werd Havel door de Nederlandse overheid in zijn recht op vrije meningsuiting geschonden.

    In 1989 viel de Berlijnse Muur. Ook in Tsjecho-Slowakije werden de communisten van het politieke toneel verwijderd. Het regime had niet de kracht meer om tegen de wil van het volk in te gaan, die droomde over vrijheid en winkels waar je alles kon kopen. Havel, die in de jaren zeventig en tachtig een enorm moreel gezag had opgebouwd, werd president. Net als Michail Gorbatsjov werd Havel als een held begroet in Amerika,  hij had immers ook een steentje bijgedragen aan de val van het IJzeren Gordijn. Ook in andere westerse landen was men groot fan van Havel. Binnenslands kreeg Havel het echter moeilijker. Slowakije scheidde zich in 1993 af en Tsjechië kampte met economische problemen die niet door Havel konden worden opgelost.  Toen Havel in 2003 aftrad als president waren veel Tsjechen opgelucht. De politieke houdbaarheid van Havel was allang verstreken.

    Negen maanden voor zijn overlijden op 18 december 2011 bracht Havel een film uit. Havel had altijd al een film willen maken, maar had die kans nooit gehad. Nu stond iedereen voor hem klaar. Het vertrek gaat over een president die de greep op alles dreigt te verliezen. Het verhaal was gebaseerd op Shakespeares King Lear en natuurlijk op Havels presidentschap zelf. Het was maar zeer de vraag of Havel de première op 22 maart 2011 kon bijwonen, want pas op 20 maart werd hij uit het ziekenhuis ontslagen. De film werd door de Tsjechische pers zeer kritisch ontvangen. Een recensent noemde de film ‘één grote rotzooi’, die typisch was voor ‘het hol van de waarheid en liefde, dat ons land overspoelt met zijn hypocriete pseudohumanisme en kleingeestige Tsjechische humor’. Het was niet slechts kritiek op de film, maar ook een persoonlijke aanval op Havel, wiens intellectualisme steeds minder werd begrepen in een land dat steeds ‘normaler’ begon te worden.

    Misschien is dat ook wel de tragiek van Havel. Dromers zijn een baken van hoop in een dictatuur, maar in een kapitalistische democratie gaat het gewoon om centjes verdienen en de verkiezingen winnen. Havel had na de val van het communisme gewoon weer fulltime toneelschrijver moeten worden. Dan had hij kunnen blijven leven in waarheid.

     

    N.a.v.: Michael Zantovsky, Václav Havel. Een leven (De Bezige Bij Antwerpen). 608 pagina’s. ISBN 9789085424420. € 39,99.

    Tags: Charta 77, Plastic People of the Universe, Václav Havel
    Read More
  • Meindert Leerling: KANTTEKENINGEN BIJ BOEK VAN GOD LOS

    0

    KANTTEKENINGEN BIJ BOEK ‘VAN GOD LOS’

    http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/9/9e/Fractievoorzitter_Leerling_%28RPF%29_-_NL-HaNA_Anefo_932-3201_WM465.jpg/640px-Fractievoorzitter_Leerling_%28RPF%29_-_NL-HaNA_Anefo_932-3201_WM465.jpg

    Beste Ewout en Remco,

     

    Met veel belangstelling, genoegen en vaak ook instemming heb ik jullie boek ‘Van God Los’ gelezen. Met name de weergave van historische feiten zijn voor zover ik daar een oordeel over mag hebben over het algemeen correct. Mijn complimenten. Het boek leest ook vlot en is een goede weergave van ontwikkelingen in de laatste 50 jaar. Nuttig dat dit op schrift staat. Belangrijk vind ik ook dat jullie de genoemde personen en hun organisatie in hun waarde laten. Dat laat onverlet dat ik hier en daar wat opmerkingen heb en wil jullie die vanuit ‘een positieve grondhouding’  toesturen.

     

    Hopelijk stellen jullie een en ander op prijs.

    Hartelijke groet

    Meindert

     

     

    Pag. 32:

    –          Het is onjuist te stellen dat de radicale afwijzing van homoseksualiteit in de ChristenUnie tot het verleden behoort. Die afwijzing heeft namelijk nooit bestaan. Zij die zich als LID hebben aangemeld worden nimmer bevraagd over kerkelijke herkomst of seksuele voorkeuren. Arie Slob was overigens met zijn antwoorden op het randje of er net over heen. De partij heeft in 2008 besloten en dat besluit is nooit herroepen, dat zij die de partij in besturen of politiek gremia VERTEGENWOORDIGEN zich wat de relatievorm betreft moeten houden aan wat in het verkiezingsprogramma staat. Daarin is bepaald dat alleen een wettig huwelijk tussen een man en een vrouw als enige legitieme relatievorm wordt erkend. Met andere woorden: zij die er een andere relatie op nahouden (bij voorbeeld ongehuwd samenwonen) kunnen de partij niet vertegenwoordigen. De partij heeft geen moreel oordeel uitgesproken over het praktiseren van een homoseksuele relatie, maar de bepaling uit 2008 is helder.

    –          Ook voorgangers van Van der Staaij zoals Van der Vlies en Van Rossum heb ik nooit op ‘preken’ kunnen betrappen.

    Pag. 34:

    –          Het is wel erg sterk uitgedrukt dat de ChristenUnie ‘steeds meer verscheurd wordt door de tegenstelling orthodox-christelijke identiteit en behoefte in de hedendaagse politiek een inbreng te hebben’. Ik geef toe dat er een spanningsveld kan zijn, maar de ChristenUnie en de voorgangers GPV en RPF zijn al sinds jaar en dag actief in het besturen van gemeenteraden, dan wel provinciale staten.

    Pag. 35:

    –          Onderaan de pagina wordt gesproken over drie christelijke partijen. Dat is onjuist. Het CDA is geen christelijke partij in de klassieke zin van het woord en menigeen erkent dat al sinds de oprichting van de partij. Het CDA houdt echter de schijn op om zodoende orthodoxe christenen die niet verder kijken dan hun politieke neus lang is aan zich te blijven binden.

    –          Terecht wordt vastgesteld dat christenen in seculiere partijen ‘geen poot aan de grond krijgen’. Zelfs in het CDA krijgen ze geen kans om bv in de Tweede Kamer Bijbelse principes als norm uit te dragen.

    Pag. 41:

    –          Den Uyl had destijds een punt. Voor de kleine christelijke partijen is de helft plus 1 niet de absolute norm om te beoordelen  of iets goed of fout is. Zijn verwijt dat SGP, GPV en RPF daarmee ondemocratisch waren was echter  volstrekt onjuist. Dat hebben we hem proberen duidelijk te maken en ook in zijn eigen partij schaamden diverse Kamerleden zich voor zijn uitlatingen.

    Pag.45:

    –          Als ik alleen voor de RPF mag spreken: ons streven was een Nieuw Nederland naar Bijbelse normen. Te bereiken via democratische weg. Wie de meerderheid heeft, kan ook beleid bepalen. Dan doen socialisten en liberalen ook. Dat behoeft beslist niet te betekenen dat andersdenkenden in hun rechten worden beperkt. Het is maar wat je onder rechten verstaat. Ieder mens heeft zich te houden aan de wet. Ook de wet die jou in principe niet zint. Dat is overigens heel wat anders dan gewetensdwang. Dat is beslist not done.

    Pag. 46:

    –          Het staat nog maar te bezien dat de ChristenUnie na 2000 (na de fusie?) van het ideaal van Nederland als protestantse natie is afgestapt. Het GPV had zo’n ideaal. De RPF was ruimer door te stellen een Nieuw Nederland naar Bijbels normen. Volgens de Bijbel is elk mens geroepen die normen na te leven (Prediker 12:13). De ChristenUnie belijdt nog altijd dat de overheid dienares van God is en daarmee wordt de God van de Bijbel bedoeld. Overheid en samenleving moeten derhalve doen wat die God van elk mens vraagt.

    Pag. 56:

    –          De passage over mijn TV-optreden vind ik een dissonant. Kritiek mag natuurlijk, maar het moet terecht zijn. Ik kan me in wat is geschreven beslist niet herkennen en weet niet of de schrijver op grond van eigen waarneming een en ander heeft opgetekend of dat hij dit van derden heeft. Nooit heeft mij van welke kant dan ook het verwijt bereikt dat ik als een ‘drammerige preker overkwam’.  Ik zou daar graag een voorbeeld van hebben. Wel is het goed te beseffen dat zowel in de begintijd van de EO en later ook van de RPF de TV werd gebruikt om de eigen achterban te bereiken en duidelijk te maken waarvoor je stond en wat je aan opvattingen had. Dat ik ‘geen harten wist te veroveren’ staat maar zeer te bezien. De RPF bleef ondanks interne problemen toch in de Kamer en zowel het ledental als het stemmental namen na de in 1985 afgesloten crisis weer toe. In 1989 scheelde het maar een haar of we hadden weer op twee zetels gestaan.

    Pag. 96:

    –          Het is opvallend dat de naam van Henk van Rossum in het hoofdstuk over de emancipatie bij de SGP niet wordt genoemd. Hij was de eerste niet-predikant die fractievoorzitter werd van de SGP en hij doorbrak in 1982 het TV-taboe enigszins. Hij kwam niet voor de camera, maar gaf wel een commentaar op de Troonrede en liet daar een foto van hem bij plaatsen.

    –          Het citaat over ‘het schatje met een hoog knuffelgehalte’ is ten onrechte aan Ria Beckers-de Bruijn toegeschreven. Het was staatssecretaris Elske ter Veld die deze woorden in de mond nam.

    Pag. 99:

    –          De uitspraken van de SGP over de verhouding tot Israël zijn mede ingegeven door wat de RPF van stonde aan in het Verkiezingsprogramma had staan. Ik denk met name aan de positie van Jeruzalem. De RPF betitelde de stad vanaf het eerste begin als ‘de ondeelbare hoofdstad van de staat Israël’. De SGP volgde daarin later. Het GPV liet zich in deze niet uit.

    –          Een klein jaar geleden heb ik in het RD meer samenwerking tussen ChristenUnie en SGP bepleit. Waarom wel samen in Europa en in diverse raden en staten en niet in Den Haag?

    Pag. 106:

    –          De waarneming van het verschil in stijl tussen Schutte en Leerling is juist. Ik ben blij dat ook de schrijvers, zoals ik ook al vaker hoorde van collega-Kamerleden, hebben vastgesteld dat ik overheid en volk opriep terug te keren naar de christelijke moraal. De RPF had immers als leuze: een Nieuw Nederland naar Bijbelse normen. Er zal hier en daar wel hoon hebben opgeklonken, maar daar heb ik zelf weinig van bespeurd. Sterker, ik zou namen kunnen noemen van collega’s uit de fractie van bij voorbeeld VVD en D66 die mij aanspoorden daarmee door te gaan. Ze lieten weten blij te zijn dat het geluid van de RPF in de Tweede Kamer klonk, omdat ze er in principieel opzicht geheel mee eens waren, maar dit in hun eigen fracties niet meer konden zeggen…..

    Pag. 107:

    –          De naam ChristenUnie zaaide inderdaad verwarring. Was en ben er niet gelukkig mee. Het verwees niet naar een ideologie, maar naar een bepaalde groep mensen. Dat gevaar dreigt nu ook in de discussie over de grondslagformule.

    Pag. 108:

    –          Gang van zaken rond Unieverklaring en Uniefundering zijn correct weergegeven en gelukkig heeft men in 2000 gekozen voor de huidige aanpak al staat die in onze dagen weer ter discussie. Denk aan rede Veling die naar mijn mening overigens weinig weerklank vindt in de ChristenUnie.

    Pag. 109:

    –          Of het juist is te stellen dat de fusie bedoeld was om meer macht te krijgen, betwijfel ik zeer. Daarnaast was Eimert van Middelkoop zeker niet de enige die in deze bedenkingen had. Christenen moeten niet streven naar macht, maar moeten Bijbels genormeerde politiek  bedrijven. Als men wordt gevraagd mee te doen in colleges of regering kan men onder duidelijk te stellen voorwaarden aanschuiven.

    –          De constatering dat Veling niet geschikt was voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer was inderdaad van tevoren bekend en het is dramatisch voor hem dat het op een mislukking is uitgelopen. Dat lag niet in de eerste plaats aan hem, maar aan de partij die alles deed (met name van GPV-zijde) om het lijsttrekkerschap van Leen van Dijke te voorkomen.

    Pag. 112:

    –          Om Eimert van Middelkoop te betitelen als een slechte minister gaat me beslist te ver. Heb heel andere geluiden gehoord. Dat hij fouten heeft gemaakt mag waar zijn, maar tegen de brute krachten van Verhagen zijn maar weinigen opgewassen. Niettemin had met name Rouvoet in die tijd wel wat feller van zich mogen afbijten om zijn minister in bescherming te nemen.

    Pag. 113:

    –          De kritiek op Tineke Huizinga is ook ongenuanceerd. Ze werd inderdaad op een ongelukkige post neergezet. Maar om haar kwalijk te nemen, dat ze in De Wereld Draait Door  niet meteen kon zeggen welke affiniteit ze met V&W had, vind ik wat onheus. Helaas wordt in deze regels niet vermeld dat ze als minister van Milieu juist heel goed heeft gefunctioneerd.

    –          Onderaan deze pagina wordt mijn naam nog een keer opgevoerd. Het gaat om de periode dat de zogeheten Staphorster Variant in zwang was. De RPF heeft toen nooit gehengeld naar regeringsdeelname, maar meerdere malen werd mij gevraagd of we als RPF daartoe bereid waren. Daar heb ik bevestigend op geantwoord, maar zoals ik hierboven al stelde moesten daar wel voorwaarden aan worden gesteld. En dat heeft Rouvoet bij de regeringsdeelname van de ChristenUnie eveneens gedaan. Ook op het punt van de ethische kwesties.

     

    Pag. 114:

    –          De conclusie onderaan deze pagina over de regeringsdeelname van de ChristenUnie is juist. Ik had aanvankelijk grote reserves. Een kleine fractie die tussen de grootheden CDA en PvdA zou worden vermalen en alleen wat zeteltal  in de Kamer interessant was. Rouvoet heeft me persoonlijk in kennis gesteld van de inhoud van het regeerakkoord en dat klonk beslist slecht. Ik heb toen laten weten niet verder op de rem te gaan staan, maar wel gezegd dat papier geduldig is. Met name wat de regeling rond de wachtdagen bij abortus en het vermelden van alternatieve mogelijkheden had er veel kordater moeten worden opgetreden. Men had in 3 maanden een rapport moeten eisen, wetend dat de regeerperiode soms korter is dan je denkt en hoopt. De Gezinsnota van Rouvoet heb ik als een grote teleurstelling ervaren. Dit was geen RPF-stuk. Ook de Emancipatienota van Plasterk was beneden de RPF-maat. De twee ChristenUnie-bewindslieden hadden in het kabinet meer op hun strepen moeten staan. Ze waren inderdaad nodig om het kabinet in stand te houden. Dat is een prijs waard.

    Pag. 116:

    –          Dat de jongere orthodoxe protestanten meer in de lijn van Veling (geen grondslag meer) denken kwam zaterdag 22 november tijdens de discussie over het hertalen van de grondslag beslist niet tot uitdrukking. In tegendeel.

    –          De term ‘steeds meer katholieken’ moet echt met een korreltje zout worden genomen. Zelf ben en blijf ik tegenstander van het in de ChristenUnie toelaten van katholieke christenen omdat zij een andere mens- en maatschappij hebben en zich ook willen laten leiden door Pauselijke uitspraken.

    Pag. 117:

    –          Bij de vergaderingen  van de RPF Federatieraad werden zeker niet allen psalmen gezongen. Ook Gezangen. Opwekkingsliederen waren in die periode minder bekend, c.q. in zwang.

    Pag. 118:

    –          Dat behoudende leden van de ChristenUnie zich langzamerhand meer en meer aangetrokken voelen tot de SGP is een feit. Bestuur en politieke leiders lijken dat nog onvoldoende te onderkennen.

    –          De term ‘getuigenispolitiek’ vind ik erg ongelukkig. Wekt altijd  een verkeerde indruk. De RPF wilde getuigende politiek bedrijven en dat is ook de roeping van de ChristenUnie in deze tijd. Niet in de eerste plaats streven naar de macht, maar getuige van Christus zijn die Koning der koningen is en dus ook in de publieke samenleving moet worden gediend. Getuigende politiek is politiek die vanuit de Bijbelse normen en w aarden op alle politieke terreinen de stem laat horen. Dat heb ik in mij RPF-tijd proberen te doen en dat dienen de vertegenwoordigers van de ChristenUnie blijvend te doen.

    –          Wie de nieuwe ‘ideologische zwaargewichten’ – let vooral op dat laatste woord – is me niet duidelijk. Ik ken ze niet.

    Pag. 119:

    –          De ChristenUnie moet niet ongelijke willen, maar getrouw zijn aan haar opdracht. Zie boven.

    Pag. 134:

    –          Dat katholieken overwegend pro-Europees denken heeft mede te maken met het stille verlangen van herstel van het Romeinse rijk met Rome als hoofdstad. Berlesconi heeft dat een aantal jaren geleden nog eens ruiterlijk toegegeven.

    Pag. 127:

    –          Ben blij dat onderaan deze pagina nu eens zwart-op-wet staat dat de Bijbel in het CDA geen absoluut gezag heeft, maar ‘slechts één van de inspiratiebronnen’.  Dat zouden veel orthodoxe christenen nu eens ingepeperd moeten krijgen. Het CDA is geen christelijke partij. Wordt ook op pag. 128 vastgesteld.

    Pag. 129:

    –          Succes CDA heeft voor een overgroot deel alles te maken met de lijsttrekker, c.q. politieke leider. Lubbers was erg populair. Zijn opvolgers beslist veel minder.

    Pag. 140:

    –          Niet alle Geref. Vrijgemaakten stemden vroeger  ‘vanzelfsprekend’ GPV. Heel wat Vrijgemaakten bleven de ARP en later het CDA trouw. Anderen sloten zich in de jaren 70 aan bij de RPF.

    Pag. 150:

    –          De houding van christenen tegenover homo’s  heeft in het verleden zeker te wensen overgelaten. Ik heb  dat  bij de behandeling van de Algemene Wet Gelijke Behandeling ook ruiterlijk toegegeven. Kreeg er zelfs een compliment voor van het COC bij monde van Henk Krol. Het wordt terecht onderaan pag. 153 geconstateerd.  In 1973 was ik Eindredacteur Informatieve Programma’s TV bij de EO en ik heb toen felle kritiek laten horen op de toen buiten mijn verantwoordelijkheid om uitgezonden programma’s over de problematiek van de homofilie. De homofiele geaardheid. Met name bij de omroep (NOS) heb ik met diverse homo’s prima samengewerkt. Punt is alleen dat christenen op grond van de Bijbel de vrijheid moeten hebben en ook mogen en moeten zeggen dat een homoseksuele relatie met iemand  van hetzelfde geslacht in strijd is met de Bijbel. Dat heeft de ChristenUnie zoals al eerder opgemerkt  in 2008 ook vastgelegd. Helaas hebben Rouvoet (pag. 156) en later Slob (pag. 159) dat in TV-uitzendingen niet helder gecommuniceerd. We leven echter in de tijd die vergelijkbaar is met bijna 2 eeuwen geleden toen Groen van Prinsterer verzuchtte: “Vrij zijt ge, maar wee u wanneer ge uw vrijheid niet gebruikt naar mijn wenken en voorschriften.” Het ging na de revolutionaire jaren om de liberale geest die toen woei.

    Pag. 173:

    –          Over het fenomeen ‘Mensenrechten’ zou ik nog wel eens een fundamentele discussie in de ChristenUnie willen voeren. Wat mij betreft dienen die Mensenrechten de Bijbelse toets van de kritiek doorstaan. Niet de mensrechten, maar de Bijbelse normen zijn voor christenen alles bepalend.  De vrijheid is dus niet absoluut (pag. 186) zoals tegenwoordig vaak wordt beweerd. De mensenrechten krijgen dan de allure van een religie.

    Pag. 180:

    –          De suggestie die onderaan pagina 180 wordt gewekt alsof o.a. de RPF in het verleden voorstander was van discriminatie werp ik verre van me. De fractie van de RPF heeft bij de behandeling van de Grondwetswijziging van 1983 in tweede lezing (de eerste lezing werd gehouden voordat de RPF in de Kamer vertegenwoordigd was) wel de nodige kanttekeningen gemaakt bij artikel 1, maar dat ging over de in eerste termijn aangenomen wijziging “op welke grond dan ook”.  Dat vonden wij veel te vrijblijvend en hebben toen o.a. op de positie van de homoseksuele leraren in het christelijk onderwijs gewezen. Uitsluiten op grond van principes is geen discriminatie, want zij die een homoseksuele relatie hebben kunnen op tal van scholen wel terecht. Zie nogmaals uitspraak Groen.

    Pag. 184:

    –          Op pagina 184 en ook 185 worden terecht goede woorden gesproken over Europarlementariër Peter van Dalen.

    Pag. 187:

    –          Ik was het destijds volledig eens met Kees van der Staaij. In beginjaren 70 maakte ik voor de EO enkele documentaire over de problematiek van de abortus-provocatus. Toen konden wetenschappers al aantonen dat verkrachtingen niet altijd tot een zwangerschap leidden. Sterker: het gebeurde doorgaans niet. En dat blijkt ook uit de cijfers van het ministerie van Volksgezondheid. Slechts 7% leidt tot zwangerschap. Dat is toch percentagegewijs gerekend bijna verwaarloosbaar. Zaak waar het om ging is, dat vrouwen die riepen verkracht te zijn bijna automatisch recht hadden op abortus. Of dat een smoes was, werd (en wordt naar ik vrees) niet onderzocht. Daar moet terecht wat aan worden gedaan en het is onbegrijpelijk dat er zo fel op deze zaak is gereageerd. Goed dat in deze de cijfers nog eens op tafel kwamen.

    Pag. 190:

    –          Het was destijds de VVD-voorzitter Haya van Someren-Downer die tegenstemde en dat niet om partijpolitieke motieven deed, maar  omdat ze persoonlijk legalisering van abortus-provocatus afwees.

    Pag. 191:

    –          De RPF wordt genoemd bij partijen die bezwaar maakten tegen het abortus-voorstel van CDA en VVD. Op zich juist, maar de RPF was toen nog niet in de Kamer vertegenwoordigd en past dus niet in het genoemde rijtje.

    Pag. 192:

    –          De uitspraak van Ineke Haas-Berg was natuurlijk wel erg opmerkelijk. GPV en SGP hebben in dat abortusdebat gewoon hun visie gegeven, maar dat was al tegen het zere been. Over democratie en tolerantie gesproken! (Zie nogmaals uitspraak van Groen).

    –          De uitspraak van Deetman was kenmerkend voor het CDA. De helft plus 1 beslist. Geen hogere normen waaraan je je opvatting moet toetsen.

    Pag. 193:

    –          In die periode kende de vaste Kamercommissie Volksgezondheid een jaarlijkse toetsing van de Wet afbreking zwangerschap. Die kans grepen de kleine christelijke partijen aan om nogmaals hun standpunt weer te geven en ook voorbeelden van ontsporingen te geven. Mede op dringend verzoek van het CDA is die periodieke toetsing afgeschaft. Men wilde niet steeds met het verleden worden geconfronteerd.

    Pag. 194:

    –          De opmerking van Kohnstamm sloeg nergens op. Je mocht over deze kwestie gewoon niet meer discussiëren. Gepasseerd station. Zie nogmaals de opmerking van Groen.

     

    Pag. 196:

    –          De laatste alinea vind ik neerbuigend richting o.a. Van der Staaij en toont hoe weinig begrip er bestaat voor het wezen van Bijbelgetrouwe politiek. Het gaat daarbij namelijk in de eerste plaats om te getuigen van de waarheid en van de Bijbels normen die voor alle mensen gelden. Of men het gelooft of niet. Of men luistert of niet. Seculiere meerderheid is niet bepalend voor de boodschap van de Bijbelgetrouwe partijen.

    Pag. 205:

    –          Het was uiterst teleurstellend dat koningin Beatrix de Wet Afbreking Zwangerschap ‘bij de gratie Gods’ heeft ondertekend. Ze had het voorbeeld van koning Boudewijn in België moeten volgen als een helder getuigenis.

    Pag. 206:

    –          Erkennen dat Nederland een seculier land is, behoeft niet te betekenen dat je je als christen in de politiek daarbij neerlegt. Het blijft een kwestie van getuigen omdat we mogen weten dat de Bijbelse normen voor mens en samenleving veruit het beste zijn voor iedereen.

    Pag. 208:

    –          Slotalinea spreekt mij in het geheel niet aan.

     

     

    Hartelijke groet

    Meindert Leerling

    December 2014

    Tags: CDA, ChristenUnie, Meindert Leerling, Remco van Mulligen, RPF
    Read More