Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Draait ‘De Vrijheid van Meningsuiting’ door?

    0

    Draait ‘De Vrijheid van Meningsuiting’ door?

    Boekpresentatie ‘Aan het Volk van Nederland’ in Boekhandel Bos

     

    KAMPEN – De Kamper historicus Ewout Klei presenteert vrijdagavond 13 mei in Boekhandel Bos (Oudestraat 41-43) de heruitgave van ‘Aan het Volk van Nederland’, van de hand van Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Het pamflet werd in 1781 verspreid in heel Nederland, maar bevat desondanks verrassende inzichten over het toen nog nieuwe begrip ‘de vrijheid van meningsuiting’.

     

    De boekpresentatie van ‘Aan het Volk van Nederland’ zal gebeuren in een informele, ‘De Wereld Draait Door’-achtige setting waarin journalist Wim Schluter een aantal gasten aan het woord zal laten over de inhoud van het pamflet. Zo zal Ewout Klei uit de doeken doen waarom hij een heruitgave van het pamflet nodig vond, maar is er ook een column van Jeroen Adema (The Post Online) in de geest van Van der Capellen. Daarnaast schuiven lokale politici uit Kampen en Deventer aan om verder te praten over het onderwerp de vrijheid van meningsuiting en drukpers. De boekpresentatie begint vrijdagavond om 19.00 uur, de toegang is gratis.

    Tags: DWDD, Joan Derk van der Capellen, Wim Schluter
    Read More
  • Uit de oude doos: Socialistisch Pamflet tegen de Partij van de Arbeid

    0

    Deze recensie verscheen vrijdag 4 april 2008 in het Katern, de boekenbijlage van hetNederlands Dagblad.

    Arie van der Zwan, Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA (Amsterdam : Balans 2008). ISBN 9789050189149

    Arie van der Zwan, ex-topmanager, hoogleraar en biograaf, heeft een boek over zijn Partij van de Arbeid geschreven. De titel ‘Van Drees tot Bos’ en de ondertitel ‘Zestig jaar succes en mislukking’ zijn geslaagd, over de tweede ondertitel ‘Geschiedenis van de PvdA’ ben ik wat minder gelukkig. Het boek is namelijk geen geschiedenis van de PvdA, in ieder geval geen geschiedenis in enge zin. Hoofdvraag van het boek is waarom de partij het nu zo slecht doet. Van der Zwan zou hierover een essay kunnen schrijven voor het NRC Handelsblad, Trouw of Socialisme & Democratie, maar hij heeft besloten aan zijn frustraties over de slecht presenterende PvdA een heel boek te wijden. Lezers die, afgaande op de titel, denken aan een wetenschappelijk verantwoord verhaal of een gedenkboek met leuke plaatjes zoals Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 (1986) van Den Uyl-biograaf Anet Bleich, worden op het verkeerde been gezet. Het boek geeft alleen de mening weer van de auteur over de PvdA, een partij waar Van der Zwan een haat-liefde-verhouding mee heeft. Als hij nu een belangrijke PvdA-prominent was – een Wim Kok, Ed van Thijn, een Klaas de Vries, een Felix Rottenberg of een Max van den Berg – dan zou zijn boek misschien enige deining kunnen veroorzaken, maar Van der Zwan is binnen de partij een linksbuiten met dissidente ideeën over de allochtonenproblematiek, kortom iemand die door de PvdA gemakkelijk genegeerd kan worden.

    De gekozen vorm roept verwarring en daarom irritatie op. Ondanks het feit dat het hier om een socialistisch pamflet gaat, presenteert Van der Zwan zijn verhaal als een objectieve weergave van de geschiedenis van de PvdA. Feitelijke gebeurtenissen en juiste analyses zijn echter zeer vermengd met tendentieuze typeringen (“Het toonde evenzeer hoe begerig de PvdA was om toe te treden tot het politieke kartel en daarin zelfs een leidende rol te vervullen”, “In het machtsspel zou de KVP heel wat gewiekster blijken te zijn dan de PvdA”) en zeer gekleurde beschrijvingen (“Zoals de gevestigde orde Troelstra’s oproep in 1918 had aangegrepen om alles wat links was in de ban te doen, zo deed de opvolger van de SDAP datzelfde in mei/juni 1945 met de communisten en eenieder die zich met hen verbond of zelfs maar met hen sympathiseerde”) , die echter niet controleerbaar zijn omdat een notenapparaat in zijn geheel ontbreekt en de literatuurlijst verre van volledig is.

    Kern van Van der Zwans betoog is dat de Partij van de Arbeid, sinds de oprichting in 1946, haar sociaal-democratische geboortepapieren heeft verloochend. De partij mikte namelijk op de kiezers van het midden, schudde begin jaren zestig en opnieuw in de jaren negentig haar “ideologische veren” af en liet zich, behalve in 1972/3, bij de coalitiebesprekingen waarbij men betrokken was inpakken door de verraderlijke christendemocraten.

    Het is daarom niet verwonderlijk dat de Socialistische Partij van Jan Marijnissen de volle sympathie heeft van Van der Zwan, omdat de SP het gat op links opvult dat de PvdA, behalve in de tijd van Den Uyl, heeft laten liggen. De eigenlijke reden van de oprichting van de PvdA, de Doorbraak, de poging om de tegenstelling tussen confessionele en niet-confessionele partijen op te heffen en in Nederland een tweepartijenstelsel te laten doen ontstaan, wordt door Van der Zwan miskent. Dat de PvdA niet slechts de voortzetting van de vooroorlogse socialistische SDAP was maar een fusie van deze partij met de vrijzinnig-democratische VDB en de progressief-christelijke CDU, bagatelliseert hij. Zijns inzien horen de vrijzinnig-democraten eigenlijk niet bij de PvdA. Ook Wouter Bos die uit een christelijke Doorbraakfamilie komt en daarom niet zo’n zin had in de linkse lente van Marijnnissen en Femke Halsema, kan op weinig waardering van de auteur rekenen.

    De Katholieke Volkspartij en later het CDA spelen in het betoog van Van der Zwan de rol van antagonist. Zij blijven, behalve tijdens het kabinet-Den Uyl en het Paarse intermezzo (1994-2002) in het centrum van de macht en geven er in de regel de voorkeur aan om met de liberalen te regeren. De stelling van RKSP-leider W.H. Nolens, dat alleen in “uiterste noodzaak” met de SDAP geregeerd mocht worden, gaat volgens Van der Zwan ook op voor de houding van de christendemocraten ten opzichte van de PvdA. Men gaat alleen met de PvdA in zee als deze partij dusdanig is verzwakt, zoals in 1989 (het kabinet-Lubbers III) en 2006 (Balkende-IV), of wanneer men uit is op een breuk met de PvdA om vervolgens weer met de liberalen te regeren, zoals in 1965/6 (Cals) en 1981/2 (Van Agt-II). Op zich is dit wel een interessante bewering, maar zo’n bewering moet worden onderbouwd en dat doet Van der Zwan in zijn uit de hand gelopen essay niet.

    Interessant is wel Van der Zwans positionering in het debat over de multiculturele samenleving. Hij onderschrijft de kritiek van Bolkenstein en Fortuyn en moet niets hebben van de struisvogelpolitiek die wordt bedreven door de PvdA en het elitaire GroenLinks van Halsema. Ook hieruit blijkt dat Van der Zwan beter past bij de SP.

    Van der Zwans pathetische pamflet eindigt met een aanval op Wouter Bos, die zich volgens helemaal zou laten inpakken door het CDA en door zijn pragmatische sociaal-liberale koers en de focus op hoe goed hij het in de media deed (‘De Wouter tapes’) verantwoordelijk zou zijn voor de neergang van de PvdA, die eigenlijk al was ingezet met de pragmatische Wende van Wim Kok.

    Het PvdA-bashende boek, dat net als de boeiende biografie van Bleich over Joop Den Uyl bij uitgeverij Balans is verschenen, zal ongetwijfeld op het nachtkastje van Jan Marijnissen komen te liggen. Wouter Bos – die zich na het verkiezingsdebacle van november 2006 ontpopt heeft tot een uitstekend minister die in tegenstelling tot vele linkse lieden van zijn partij niet doet aan kabinetje-pesten – hoeft van Van der Zwans slagen in de lucht echter geen minuut wakker te liggen.

    Tags: Anet Bleich, Arie van der Zwan, Ed van Thijn, Joop den Uyl, PvdA
    Read More
  • Uit de oude doos: Grote sprong voorwaarts van Jan Marijnissen

    0

    Dit artikel stond in het Nederland Dagblad van 18 juli 2006

     

     

    Jan Marijnissen zou wel willen regeren met PvdA en CDA. Maar dan moet hijzelf geen minister worden, meent historicus Ewout Klei.

    Jan Marijnissen, roerganger van de Socialistische Partij, heeft voor menig partijlid een te grote sprong voorwaarts gemaakt. Maandagnacht 10 juli 2006 zei hij in het radioprogramma BRN Laat dat zijns inziens een kabinet van CDA, PvdA en SP tot de mogelijkheden behoort. Bovendien wilde hij in dit kabinet misschien minister van Justitie of Sociale Zaken worden. Eerder dit jaar had de SP zich altijd ondubbelzinnig uitgesproken voor een coalitie met GroenLinks en PvdA.

    Dit volksfront – de nachtmerrie voor de lezers van het blad Elsevier dat hier in maart 2006 een special aan wijdde – is volgens de laatste opiniepeilingen echter goed voor slechts 67 zetels. Maurice de Hond voorspelt voor komende herfst geen linkse lente (maar met de grote schommelingen in de opiniepeilingen weet je het maar nooit) en Marijnissen acht een coalitie van de SP met CDA en PvdA waarschijnlijker dan het linke luchtkasteel van Femke Halsema. Zijn afkomst is hier wellicht debat aan: de Tovenaar van Oss begon zijn carrière namelijk als worstenmaker. Maar in hoeverre is zijn vierjarenplan realistisch? Is de SP wel in staat om het land te dirigeren? Is Marijnissen wel geschikt als minister? En wat voor partij is de SP? Ik wil met het laatste beginnen.

    Actiepartij
    De in 1972 opgerichte SP is begonnen als een maoïstische afsplitsing van de Communistische Partij Nederland. Mao Zedong werd echter snel afgezworen en de partij ging zich op Nederland richten. De SP was lange tijd louter een lokale actiepartij die nauw verbonden was met allerlei buitenparlementaire groeperingen, zoals ‘de Bond van Huurders en Woningzoekenden’, ‘het Milieu Aktie Centrum’ en ‘Arbeidersmacht’. De machtsbasis van de partij lag in Oss en Nijmegen.

    In 1977 had de partij zonder succes meegedaan aan de Tweede Kamerverkiezingen. Pas in 1994 werd een tweede poging ondernomen. Ditmaal met succes want er werden twee zetels behaald. De SP had een populistische campagne gevoerd. De leus van de partij was: Stem tegen, stem SP. Symbool werd de tomaat. Volgens de SP-site is de tomaat namelijk ‘Boordevol gezonde vitaminen maar ook een geducht protestwapen tegen slecht politiek toneel’. De SP zou je daarom met enige creativiteit de rode tegenhanger van De Tegenpartij van F. Jacobse en Tedje van Es (Van Kooten en De Bie) kunnen noemen.

    Omdat de SP het goed doet in de Kamer (heldere taal, duidelijke oppositie tegen Paars) wist de partij bij de verkiezingen van 1998 vijf zetels te halen. In 2002 werden dit er negen. De nieuwe verkiezingsleus werd ‘Stem voor’ (een ander kabinetsbeleid). Begin 2004 verloor de SP een zetel toen Ali Lazrak uit de fractie werd gezet maar niet wilde vertrekken uit de Kamer. Er zijn acht kamerleden overgebleven. Behalve Marijnissen genieten Agnes Kant en Harry van Bomnmel ook enige landelijke bekendheid, de laatste wegens zijn actie tegen de Europese grondwet.

    De SP is tegenwoordig met 45715 leden de derde partij van het land, en laat hiermee ook de VVD achter zich. De partij heeft een sterk wij-gevoel en koestert een negentiende-eeuws vijandbeeld. De SP is namelijk de enige partij in Nederland die zich nog strijdbaar durft op te stellen tegen het kapitalisme (tegenwoordig het neoliberalisme geheten), terwijl PvdA en GroenLinks het enorm laten afweten.

    De SP heeft in dit opzicht wel wat van de kleine christelijke partijen die ook negentiende-eeuwse tegenstellingen vooropstellen (namelijk de antithese tussen christelijke en niet-christelijke partijen) en het CDA verwijten niet principieel genoeg te zijn, vooral wat ethische kwesties betreft. De SP is net als de kleine christelijke partijen erg nationaal-denkend: Nederland moet uit de NAVO, de Europese Unie is een gevaarlijk kapitalistisch en bureaucratisch machtscentrum en de gulden moet worden heringevoerd. Dit zijn niet echt politieke punten waarmee een partij zich Regierungfähig maakt.

    Oude eik
    Terug naar Marijnissen. Eerder genoemde Lazrak heeft twee zonden begaan die hem tot een verstotene maakten: hij had kritiek op de financiële afdrachtregeling (kamerleden moet een deel van hun inkomen afstaan aan de partijkas) en op het leiderschap binnen de partij. Marijnissen is de onomstreden leider van partij en wil dat blijven. Samen met Bas van der Vlies is hij de enige politieke leider die is blijven zitten na de Fortuyn-revolte. Verder is Marijnissen niet alleen fractievoorzitter maar ook partijvoorzitter. Andere partijen kennen een machtenscheiding (de ARP voerde dit bijvoorbeeld vijftig jaar geleden in na het vertrek van Schouten in 1956), maar Marijnissen wil hier niets van weten. In een reportage van Netwerk op 30 juni 2006 zegt hij: ,,Als je fractievoorzitter en voorzitter van de partij gaat scheiden, krijg je verdeeldheid binnen een partij en ga je elkaar het leven zuur maken. Wij gaan geen verdeeldheid bij onszelf organiseren. Wij zijn geen masochisten, wij willen gewoon gezamenlijk vooruit.”

    Marijnissen wil daarom niets weten van lijsttrekkerverkiezingen. Bij VVD en D66, die deze verkiezingen wel hebben gehouden, zou het alleen gaan om de poppetjes. Bij de SP om de inhoud. Dat ook de SP niet vies is van populisme vertelde Marijnissen niet. Volgens de SP-leider zijn andere SP-kamerleden blij dat ‘Jan’ het nog een keer weer doet. Hoewel de andere kamerleden in zijn schaduw staan, is Marijnissen niet bang dat er geen mensen gevonden worden die hem ooit eens kunnen opvolgen. In een aardige quasi-bijbelse metafoor vergelijkt hij zichzelf met oude eik die moet worden omgehakt. ,,Dan komt er onbelemmerd zonlicht op de aarde en dan moet je eens zien wat er opeens allemaal gaat groeien.” Maar vooralsnog wordt de oude eik niet omgekapt. ,,Eiken kunnen heel oud worden en het hout wordt alleen maar beter naarmate de leeftijd vordert.”

    Ministerabel
    Is de oude eik geschikt als minister? En is de SP geschikt om te regeren? Marijnissen lijkt mij een zeer sympathieke man en hij is een bekwaam parlementariër, maar ik denk dat hij maar beter geen minister kan worden. Zijn politieke stijl verschilt te zeer met die van Jan Peter Balkenende en Wouter Bos. Als hét gezicht van de SP staat hij voor vriend en vijand als te geprofileerd bekend. Als minister kan hij eventuele pijnlijke beslissingen niet uitleggen aan de achterban. Of hij wil ze niet nemen zodat het een vechtkabinet wordt, en de SP dezelfde rol gaat vervullen als LPF in Balkenende I en D66 in Balkenende II. Ten slotte is de kans groot dat PvdA en CDA samen 76 zetels halen, en dan is de SP helemaal niet nodig.

    Marijnissen heeft niettemin een belangrijke wissel omgetrokken toen hij zei dat de SP kan regeren met het CDA. Regeringsdeelname van de SP in de toekomst (over acht jaar misschien) is niet bij voorbaat onmogelijk. Als typische partij van de oppositie kan de SP veel van haar radicale politieke ideeën natuurlijk niet verwezenlijken. Maar er is wel een bepaalde ontwikkeling aan de gang. De partij is begonnen als een maoïstische splinter en werd al gauw een lokale actiepartij. De partij heeft sinds 1994 indruk gemaakt in het parlement en blijft gestaag doorgroeien. Kant en Van Bommel zijn bekwame parlementariërs (en wat minder geprofileerd dan Marijnissen) en zouden heel goed wel eens minister kunnen worden.

    Wanneer de SP een regeringspartij wordt, zal de partij wel ingrijpend van karakter veranderen. Bij een partij met regeringsverantwoordelijkheid passen buitenparlementaire acties en populistische leuzen niet. Ook zal een radicaler deel zich wellicht niet meer in de partij herkennen en op een andere tegenpartij stemmen. De SP heeft echter het vermogen zich aan te passen aan de veranderende tijdsomstandigheden. Haar successtory heeft de partij hier vooral aan te danken.

    Tags: Jan Marijnissen, SP
    Read More
  • De Nelson Mandela van Tsjecho-Slowakije

    0

    http://i.lidovky.cz/11/124/lnorg/APE402d80_charta77_79_03_5_46645.jpg

    (Václav Havel (links) en Charta 77)

     

    Door: Ewout Klei

     

    Hij was toneelschrijver, kroegtijger, vrouwenjager, dissident, mensenrechtenactivist, gevangene, dissidentenleider, revolutionair, president maar bovenal intellectueel. Václav Havel (1936-2011) was een van de grote leiders van de twintigste eeuw, te vergelijken met Nelson Mandela, Mahatma Gandhi, Winston Churchill, Konrad Adenauer en Lech Wałęsa. Over Havel is eind vorig jaar een prachtige biografie verschenen door Michael Zantovsky, die in het Nederlands is verschenen bij de Bezige Bij Antwerpen.

    Havel kwam uit een rijke Tsjechische familie en werd om die reden gediscrimineerd door het communistische regime, dat een hekel aan bourgeoiskinderen had. Havel ontwikkelde zich echter tot een begenadigd toneelschrijver en essayist die zich in dissidente kringen begaf. Zijn absurdistische verhalen, die duidelijk geïnspireerd waren door Franz Kafka, namen indirect het communistische systeem op de hak.

    Tijdens de Praagse Lente van 1968 bleef Havel op de achtergrond, maar toen daarna de ‘normalisering’  inzette ontpopte hij zich tot één van de belangrijkste woordvoerders van de intellectuele oppositie tegen het communistische regime. Samen met enkele geestverwanten richtte Havel in 1977 de mensenrechtenorganisatie Charta 77 op, die zich voor de rechten van dissidenten inzette.

    Aanleiding van Charta 77 was de arrestatie en veroordeling van de psychedelische rockband de Plastic People of the Universe. De communisten vonden deze langharige drugsgebruikers met hun harde muziek en provocerende teksten maar niets.  Havel kon de muziek ook niet zo waarderen, maar kwam voor hun rechten op. Dat werd niet gewaardeerd door de communisten. Als een van de leiders van Charta 77 belandde Havel in 1977 voor een korte periode in de gevangenis. In 1979 werd hij voor een langere periode opgesloten. Havel kwam pas in 1983 vrij.

    Het ging Havel om ‘een leven in waarheid’. Hij bedoelde daarmee dat je als mens authentiek moest blijven, trouw moest blijven aan jezelf, niet moest buigen voor de corrumperende invloed van een regime dat intimideert, liegt en ook probeert intellectuelen te verleiden met beloningen, mits ze maar loyaal zijn aan de staat. Havel hoefde voor zijn ideaal niet te sterven. Hij was geen martelaar. Maar een paar jaar in de gevangenis, hoe zwaar dat natuurlijk ook was, had hij er wel voor over.

    Vanwege zijn toneelstukken en zijn activiteiten als dissident was Havel onder westerse intellectuelen een beroemdheid geworden. De communisten, bang voor slechte publiciteit, durfden hem dan ook niet al te hard aan te pakken. Maar ook Havel werd beperkt in zijn doen en laten. In 1986 besloot de Stichting Praemium Erasmianum aan Havel de Erasmusprijs toe te kennen, die elk jaar werd uitgereikt in Rotterdam en waar een prijzengeld van 200.000 gulden aan verbonden was. Het bracht Havel in een lastig parket. Hij wilde het geld graag geven aan Charta 77 om vervolgde medechartisten te helpen, maar dat zou het communistische regime natuurlijk nooit accepteren. Uiteindelijk lukte het Havel om het prijzengeld via via aan de Charta Foundation in Stockholm door te sluizen. Een ander probleem was dat het communistische regime Havel waarschijnlijk niet zou toestaan om naar Nederland te reizen. In plaats van Havel reisden twee van zijn vrienden naar Rotterdam. De een nam de prijs in ontvangst, de ander las een toespraak van Havel voor. De Nederlandse regering, die de goede diplomatieke betrekkingen met Tsjecho-Slowakije belangrijker vond dan de vrijheid van meningsuiting, besloot echter om een passage uit de toespraak te censureren. Havel had geschreven ‘de eer die via mij wordt toegekend aan Charta 77, zij het indirect’. Dit werd vervangen door ‘de eer mij wordt betoond’. Bij de aanvaarding van een onderscheiding voor zijn strijd voor de mensenrechten werd Havel door de Nederlandse overheid in zijn recht op vrije meningsuiting geschonden.

    In 1989 viel de Berlijnse Muur. Ook in Tsjecho-Slowakije werden de communisten van het politieke toneel verwijderd. Het regime had niet de kracht meer om tegen de wil van het volk in te gaan, die droomde over vrijheid en winkels waar je alles kon kopen. Havel, die in de jaren zeventig en tachtig een enorm moreel gezag had opgebouwd, werd president. Net als Michail Gorbatsjov werd Havel als een held begroet in Amerika,  hij had immers ook een steentje bijgedragen aan de val van het IJzeren Gordijn. Ook in andere westerse landen was men groot fan van Havel. Binnenslands kreeg Havel het echter moeilijker. Slowakije scheidde zich in 1993 af en Tsjechië kampte met economische problemen die niet door Havel konden worden opgelost.  Toen Havel in 2003 aftrad als president waren veel Tsjechen opgelucht. De politieke houdbaarheid van Havel was allang verstreken.

    Negen maanden voor zijn overlijden op 18 december 2011 bracht Havel een film uit. Havel had altijd al een film willen maken, maar had die kans nooit gehad. Nu stond iedereen voor hem klaar. Het vertrek gaat over een president die de greep op alles dreigt te verliezen. Het verhaal was gebaseerd op Shakespeares King Lear en natuurlijk op Havels presidentschap zelf. Het was maar zeer de vraag of Havel de première op 22 maart 2011 kon bijwonen, want pas op 20 maart werd hij uit het ziekenhuis ontslagen. De film werd door de Tsjechische pers zeer kritisch ontvangen. Een recensent noemde de film ‘één grote rotzooi’, die typisch was voor ‘het hol van de waarheid en liefde, dat ons land overspoelt met zijn hypocriete pseudohumanisme en kleingeestige Tsjechische humor’. Het was niet slechts kritiek op de film, maar ook een persoonlijke aanval op Havel, wiens intellectualisme steeds minder werd begrepen in een land dat steeds ‘normaler’ begon te worden.

    Misschien is dat ook wel de tragiek van Havel. Dromers zijn een baken van hoop in een dictatuur, maar in een kapitalistische democratie gaat het gewoon om centjes verdienen en de verkiezingen winnen. Havel had na de val van het communisme gewoon weer fulltime toneelschrijver moeten worden. Dan had hij kunnen blijven leven in waarheid.

     

    N.a.v.: Michael Zantovsky, Václav Havel. Een leven (De Bezige Bij Antwerpen). 608 pagina’s. ISBN 9789085424420. € 39,99.

    Tags: Charta 77, Plastic People of the Universe, Václav Havel
    Read More
  • Waarom was de Gay Pride zo saai?

    1

    Dit artikel verscheen vorig jaar op Joop.

    De parade is vooral een feestje van seculiere zelfbevrediging geworden

    Afgelopen weekend bezocht ik dus voor het eerst de Gay Pride. Ik had een paar jaar geleden, bij toeval, de Gay Pride van Londen aanschouwd: een gezellige barbecue voor leernichten en travestieten. In vergelijking daarmee was de Amsterdamse Gay Pride een enorm spektakel. De Prinsengracht vol met bootjes die confetti spoten en de halve stad in het roze.

    Toch viel het festijn in 020 mij enigszins tegen. Had het kleine feestje in Londen nog iets spontaans, in Amsterdam was alles verschrikkelijk commercieel en conformistisch. Akzo Nobel, Vodafone, Google, de Nederlandsche Bank en Thalys hadden allemaal hun eigen boot. Die van Thalys was het leukst, met een roze Eiffeltoren in de vorm van een fallus. Ook D66, GroenLinks PvdA en VVD waren van de partij.  Heel fijn natuurlijk dat ze voor homorechten zijn en dat je naar Kamerleden kon zwaaien, maar spectaculair waren deze bootjes niet. Alleen GroenLinksers hadden een beetje hun best gedaan, door zich allemaal als bijtjes te verkleden. Hun motto was dan ook ‘Bee free’. Ik telde maar één heuse leernichtenboot waarop opzwepende muziek werd gedraaid (ik bedoel dus niet het softcorenummer S&M van Rihanna).

    Over de Gay Pride maakte bijna niemand zich meer boos. Alleen de conservatieve opiniemaker Fop Schipper, die onder andere schrijft voor de Volkskrant en De Dagelijkse Standaard, ergerde zich aan de ‘liberale eenheidsworst’ (no pun intended) die aan Nederland zou worden opgedrongen. Hij stelde op Twitter de retorische vraag: “Is het in Nederland eigenlijk al strafbaar om niet mee te doen met die viespeukerij in de Amsterdamse grachten?” Fop kent de Gay Pride blijkbaar alleen maar van televisiebeelden van tien jaar geleden, toen er op sommige homobootjes nog provocerend gecopuleerd werd. De roze Koninginnedag van afgelopen zaterdag was geen reet aan.

    Waarom was de Gay Pride zo saai? Mijn vermoeden is dat de homo-emancipatie in Nederland is voltooid. Vorig jaar werd er nog gedemonstreerd tegen de weigerambtenaar, het laatste obstakel dat de volledige acceptatie van homoseksualiteit in onze maatschappij in de weg stond. Natuurlijk, in bepaalde christelijke, islamitische en asociale kringen heeft men het nog steeds niet op met homo’s, maar deze intolerante groepen vormen zelf ook minderheden in onze samenleving. De overgrote meerderheid in Nederland accepteert homoseksualiteit als iets volstrekt normaals. De meeste orthodoxe christenen durven het, behalve binnenskamers, niet meer hardop te veroordelen. Vandaar ook dat het politieke engagement van de Gay Pride zich dit jaar vooral op het buitenland richtte: het dictatoriale Rusland van Poetin en een land als Oeganda waar homo’s worden bedreigd met geweld en lange gevangenisstraffen. Het is een beetje vergelijkbaar met de aandacht voor Chili en Cuba tijdens de 1 mei-optochten in de jaren zeventig en tachtig, internationale solidariteit bij gebrek aan grote klassentegenstellingen in Nederland.

    Het is natuurlijk ontzettend mooi dat homoseksualiteit in Nederland zo breed geaccepteerd wordt. De politieke en maatschappelijke noodzaak voor een Gay Pride valt daardoor echter weg. De Gay Pride is nu vooral een feestje van seculiere zelfbevrediging geworden, waar grote bedrijven en seculiere politieke partijen laten zien hoe goed ze wel niet voor homo’s zijn. De Gay Pride is een instituut.

    Er valt in Nederland nog een boel te emanciperen en te detaboeïseren, ook op seksueel gebied. Mensen met een fetisj voor voeten zijn raar en soms ook vies (terwijl een obsessie voor borsten en billen ‘normaal’ is), om maar te zwijgen over liefhebbers van BDSM, luiers, oorwarmers etcetera.

    Het is hoog tijd voor een Fetish Pride.

    Tags: Amsterdam, Eenheidsworst, Fop Schipper, Gay Pride, Londen
    Read More
  • Bart Verbrugh, de Martin Bosma van het GPV?

    0

    Tweede Kamer debat, Verbrugh (GPV) interpelleert over defensienota - NL-HaNA 2.24.01.05 0 927-2634 WM239.jpg

    Door: Ewout Klei

     

    Opnieuw gerommel in de PVV. Geert Wilders heeft geprobeerd de publicatie van Martin Bosma’s boek Handlangers van de ANC-apartheid tegen te houden, een boek dat uiteindelijk niet werd gepubliceerd bij Prometheus omdat de uitgeverij er geen heil in zag. Wilders is dolblij, omdat hij niet met het blanke apartheidsregime geassocieerd wil worden.

    Het manuscript van Bosma’s ongepubliceerde boek is handen van de redactie van het NRC-Handelsblad. Bosma betoogt in zijn boek dat Nederland een nieuw Zuid-Afrika dreigt te worden, waar blanken fungeren als ‘proefkonijnen in een multicultureel laboratorium’. Bosma noemt de politiek van het African National Congress (ANC) ‘politiek-correct racisme’ en omschrijft deze partij verder als communistisch, gewelddadig en corrupt. Nederland wacht volgens Bosma hetzelfde lot als Zuid-Afrika, waar de blanken tegenwoordig tweederangs burgers zouden zijn:

    ‘Want de essentie van de progressieve ideologie is (…) dat die ons wil doen verzoenen met onze ondergang (…). Wat links heeft willen betekenen voor Zuid-Afrika wil het ook dolgraag Nederland aandoen. (…) De Afrikaners, dat zijn wij. De Afrikaners van vandaag zijn de Nederlanders van over vijftig of honderd jaar.’

    Martin Bosma is uiteraard niet de enige in Nederland die zich zeer verbonden voelt met de blanke Afrikaners en het blanke apartheidsbewind van weleer. Extreem-rechtse actiegroepen als Voorpost en de Identitair Verzet doen dat ook. Toen ANC-leider Nelson Mandela op 5 december 2013 overleed herdoopten actievoerders van Identitair Verzet de Mandelabrug in Utrecht tot ‘Moordenaarsbrug’.

    Van 1948 tot 1994 kende Zuid-Afrika de apartheid. De zwarten waren tweederangs burgers. Ze mochten niet stemmen en mochten in bepaalde gebieden niet komen. Ook werden ze uit hun huizen gezet en weggestopt in de zogenoemde ‘thuislanden’, de armste gebieden van Zuid-Afrika. In de jaren vijftig bestond er in Nederland veel begrip voor de apartheidspolitiek. De blanke Afrikaners waren immers afstammelingen van de Nederlanders die Zuid-Afrika vanaf de zeventiende eeuw koloniseerden. In de jaren zestig veranderde de stemming in Nederland. Het apartheidsregime werd veroordeeld als racistisch.

    Ook in gereformeerde kringen, waar van oudsher de meeste sympathie voor de Afrikaners bestond, werd men kritisch. Felle criticasters van de apartheid waren Siewert Bruins Slot van het dagblad Trouw en Jan Nico Scholten, Tweede Kamerlid van de Antirevolutionaire Partij (en later het CDA). Alleen de gereformeerden die in de jaren zestig en zeventig trouw bleven aan het erfdeel der vaderen – de rechtervleugel van de ARP en de kleine christelijke partijen – bleven de apartheid door dik en dun steunen.

    De meest overtuigde apartheidsapologeet in de jaren zestig en zeventig was misschien wel Bart Verbrugh, ideoloog van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV). Verbrugh was van 1939 tot 1945 in Indië geweest en vond het zeer vanzelfsprekend dat niet-blanken een ondergeschikte positie in de samenleving hadden. Toen hij terugkeerde naar Nederland trok hij fel van leer tegen de dekolonisatie en wilde hij dat de laatste restjes koloniaal bezit – Nieuw Guinea en Suriname – voor het Koninkrijk der Nederlanden bleven behouden. In de jaren vijftig was Zuid-Afrika nog niet bij Verbrugh in beeld. Hij kreeg pas belangstelling voor het land toen Zuid-Afrika in de jaren zestig internationaal zwaar onder vuur kwam te liggen. De blanke Afrikaners waren naast stamverwanten ook ideologische verwanten: ze wilden net als de vrijgemaakt-gereformeerden van het GPV hun eigenheid beschermen tegen de boze buitenwereld. Waar het GPV zich bedreigd voelde door de ontkerkelijking en de verdere Europese integratie (in 1963 ging het GPV de verkiezingen in onder de leus ‘Den vaderland getrouwe’), daar verzetten de blanke Afrikaners zich tegen het oprukkende zwarte nationalisme en communisme. Daar kwam nog bij dat het blanke Zuid-Afrika een christelijk land was met een christelijke grondwet. Verbrugh wilde in Nederland ook een christelijke grondwet, ten einde de christelijke identiteit van het Nederlandse volk te beschermen tegen het gevaar van secularisatie (de ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, streeft trouwens ook nog steeds naar een christelijke grondwet).

    In 1976 leidde Verbrughs pro-apartheidsstandpunt tot een pijnlijke confrontatie met Ed van Thijn, fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid. Aanleiding van deze confrontatie in de Tweede Kamer was het besluit van het kabinet-Den Uyl om aan Zuid-Afrika geen kernreactoronderdelen te leveren. Volgens Verbrugh was dit besluit genomen met een anti-apartheidsmotief. De Nederlandse regering zou voorstander zijn van een ‘sterk gemengde cultuurstaat’ in Zuid-Afrika, iets waar Verbrugh op tegen was. Vervolgens probeerde hij duidelijk te maken dat het in Zuid-Afrika niet zou gaan om een ‘rassenprobleem’ maar om een ‘cultuurprobleem’. Apartheid draaide volgens Verbrugh om gebiedsscheiding als gevolg van cultuurscheiding en had in principe niets te maken met de verschillen tussen rassen. Dat het pleidooi van Verbrugh puur theoretisch was bleek uit het betoog van de GPV-theoreticus zelf, want hij maakte enkele kritische opmerkingen over zwarte nationalisten. Niettemin vond Verbrugh dat een ieder die zich aan de heersende cultuur wilde aanpassen de kans moest krijgen om daarin te worden opgenomen. Een zwarte zou volgens Verbrugh in theorie deel kunnen worden van de blanke gemeenschap. Verbrugh probeerde zo alle schijn van racisme te vermijden.

    Verbrughs uiteenzetting werd door Van Thijn wel als racistisch betiteld, omdat Verbrugh ondanks zijn vertoog het Zuid-Afrikaanse regeringsbeleid bleef verdedigen: ‘Ik heb nog nooit zo’n racistisch betoog in deze Kamer gehoord. (…) Ik heb mij tijdens het betoog van Verbrugh tot het uiterste moeten beheersen om niet hetzij naar de interruptiemicrofoon te snellen, hetzij de Kamer te verlaten.’ Hierop snelde de fractievoorzitter van het GPV, Pieter Jongeling, zijn fractiegenoot te hulp en zei dat de PvdA-fractievoorzitter niet hard kon maken dat Verbrughs betoog racistisch was. Van Thijn, inmiddels weer wat afgekoeld, antwoordde dat het verhaal van Verbrugh niet geloofwaardig was. In Zuid-Afrika vielen cultuur en ras immers samen. CPN-leider Marcus Bakker wees vervolgens op de racistische huwelijkswetgeving in Zuid-Afrika, waar het blanken en zwarten verboden was om met elkaar te trouwen. Verbrugh antwoordde dat hij hierover niet had gesproken, laat staan dat hij dit goedkeurde.

    De pijnlijke confrontatie tussen Verbrugh en Van Thijn werd een paar weken later becommentarieerd door de Volkskrant. Verbrugh behoorde volgens deze krant tot de ‘goedwillende, doch misleide christenen’. ‘Zij kunnen niet zien wat er ginds werkelijk gebeurt, omdat zij, emotioneel gebonden aan Zuid-Afrika, tot elke prijs met de stam- en geloofsverwante blanken willen blijven praten’.

    Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1977 werd Verbrugh de nieuwe lijsttrekker van het GPV. Jongeling ging met pensioen. Het verkiezingsprogramma van het GPV heette ‘Toekomst van Nederland’. In zijn verkiezingsprogramma keerde het GPV zich niet alleen tegen abortus en pornografie, maar ook tegen de multiculturele samenleving. Gastarbeiders moesten remigreren naar het land van herkomst. In het orgaan Vrede en Vrijheid van de Stichting voor Nationaal Christelijke Politiek, een beweging voor GPV-sympathisanten, trok Verbrugh bovendien expliciet de vergelijking tussen Nederland en Zuid-Afrika:

    ‘We hebben kritiek op onze mede-Nederlanders, die het zo hoog in de bol hebben, dat ze hun neus ophalen voor het zware en vuile werk, dat in ons land moet worden gedaan (ploegenarbeid, schoonmaakdiensten), en ermee akkoord gaan dat dit door Turken, Marokkanen, Spanjaarden en Italianen wordt verricht. We zouden een Nederlands beleid toejuichen, dat erop gericht is deze arbeid weer in de handen van ons eigen volk te brengen, om zo het ontstaan van een heterogene cultuur in ons land te voorkomen (b.v. een moslim-cultuur naast de verzwakte christelijke cultuur). Op dezelfde manier zouden we een Zuidafrikaans beleid toejuichen, dat erop gericht is arbeidskrachten van de “Bantoes” te vervangen door die van de Afrikaanders.’

    In de jaren tachtig was Verbrugh betrokken bij de Oranjewerkers. Deze groep van blanke Zuid-Afrikaners onder leiding van Hendrik Verwoerd junior, de zoon van wijlen president Hendrik Verwoerd, begrepen dat het apartheidsregime op instorten stond. Om de dreigende Apocalyps voor te zijn deden ze een vlucht naar voren: ze wilden een thuisland voor blanke Afrikaners vormen waar zij zelf het werk deden. De Oranjewerkers brachten kortom het monoculturele ideaal van Verbrugh in de praktijk. Hun plan voor een blank thuisland mislukte echter begin jaren negentig: Zuid-Afrika werd een multiculturele staat.

    Eén van de drijvende krachten achter de Oranjewerkers was de conservatieve calvinistische theoloog Carel Boshoff, de schoonzoon van Hendrik Verwoerd senior. Boshoff was in 1990 ook de oprichter van de blanke enclave Orania, een stadje van nog geen 1000 inwoners dat de culturele erfenis van het ‘Afrikanerdom’ wilde beschermen en waar alleen blanken het werk mogen doen. Met dit Orania heeft de PVV dankzij Martin Bosma tegenwoordig politieke contacten. Tussen Verbrugh en Bosma bestaat dus via de Oranjewerkers een link.

    Was Verbrugh een Martin Bosma avant la lettre?  Ja en nee. Verbrugh is overleden in 2003, negen jaar na de afschaffing van de apartheid, en hij heeft in deze jaren nooit afstand genomen van zijn pro-apartheidsstandpunt. Toch erkende Verbrugh in zijn autobiografie Jong zijn en oud worden (Amsterdam, Buijten en Schipperheijn 2002) dat hij zich had verkeken op Mandela: de man die hij decennialang voor een terrorist had gehouden bleek heel goed in staat blank en zwart met elkaar te verzoenen. Verbrugh was dus milder dan Bosma.

    Ten slotte speelt de tijd een belangrijke rol: een reden waarom Verbrugh, maar ook veel andere conservatieve christenen (en ook sommige heidenen) in de jaren zestig en zeventig de apartheid bleven verdedigen was de polarisatie in politiek en maatschappij. De linkse partijen en actiegroepen waren zeer verontwaardigd over Zuid-Afrika, maar zij zwegen vaak over de misdaden die door de communisten werden gepleegd achter het IJzeren Gordijn. Het was veel critici van apartheid niet alleen om rechtvaardigheid en gelijkheid te doen, maar ook om hun grote gelijk ten koste van rechts. Dat sommige rechtse mensen om die reden lang bleven vasthouden aan zaken die je misschien/wellicht niet zou moeten willen verdedigen is begrijpelijk. In het heetst van de discussie, als je ergens middenin zit, kun je vaak niet objectief zijn. Voor Bosma en clubjes als Identitair Verzet gaat deze redenering echter niet op. Zij zitten er niet middenin maar construeren achteraf een verhaal dat een stuk eenzijdiger is dan het verhaal wat in wetenschappelijke geschiedenisboeken wordt verteld.

     

    Toch hoop ik dat Bosma’s boek ergens uitgegeven gaat worden: het boek mag misschien abjecte onzin zijn, maar voor historici kan abjecte onzin soms heel interessant zijn.

     

     

    Ewout Klei is politiek historicus. Hij promoveerde in 2011 op Klein maar krachtig dat maakt ons uniek. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003.

    Tags: Apartheid, Bart Verbrugh, Ed van Thijn, GPV, Identitair Verzet
    Read More
  • De Partij van de Animositeit houdt van de mensheid, niet van mensen

    0

    Door: Ewout Klei

     

    De Partij van de Arbeid is een bijzondere partij. De partij kampt al jaren met een crisis. De PvdA moest dikwijls zware electorale klappen incasseren maar kwam telkens weer terug. Hoe komt het dat de PvdA constant in een crisis lijkt te verkeren? En waarom werd en wordt er in PvdA zo veel geruzied? Thijs Niemantsverdriet, parlementair verslaggever bij NRC Handelsblad, schreef over de recente PvdA-geschiedenis een boek waarin hij op deze vragen ingaat.

    De vechtpartij is natuurlijk niet het eerste boek dat over de PvdA is verschenen. Over de PvdA zijn boekenkasten vol geschreven. In mijn eigen boekenkast staan Een partij in de tijd. Veertig jaar Partij van de Arbeid 1946-1986 van Anet Bleich, haar biografie over Joop den Uyl en Arie van der Zwans pamflet Van Drees tot Bos. Zestig jaar succes en mislukking. Geschiedenis van de PvdA.  Niemantsverdriet laat zijn verhaal in 1986 beginnen, het jaar dat Joop den Uyl het leiderschap van de partij overdraagt op Wim Kok. De vechtpartij sluit wat chronologie betreft dus perfect aan op beide boeken van Bleich. Er is enige overlap met het verhaal van Van der Zwan, die behandelt daarin een veel langere periode en eindigt in 2008, maar Van Drees tot Bos is een zeer subjectief getoonzet verhaal van een ontevreden partijlid dat de PvdA van koers wil doen laten veranderen. Niemantsverdriet is wat dat betreft een stuk objectiever. Je bespeurt bij hem wel enige sympathie voor de PvdA, maar dat neemt niet weg dat hij van een afstandje de boel rustig kan analyseren en patronen ontwaart die belangrijk zijn om grip te krijgen op een kleine dertig jaar PvdA-geschiedenis.

    Het grote nadeel van De vechtpartij is dat dit boek voornamelijk gebaseerd is op materiaal dat we al kennen: boeken over de PvdA en PvdA-bewindslieden, PvdA-rapporten, de PvdA-jaaroverzichten op de website van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen en vooral heel veel artikelen en interviews uit kranten en opiniebladen. Voor zijn onderzoek heeft Niemantsverdriet maar één archief geraadpleegd, het persoonlijk archief van Arend Hilhorst die tijdens het eerste paarse kabinet de persoonlijk assistent van Kok was. Omdat Niemantsverdriet een journalistiek boek heeft geschreven en geen monografie is het natuurlijk logisch dat hij de bestuursnotulen, partijprogramma’s en dergelijke niet heeft doorgenomen.  Zo’n onderzoek vergt heel veel tijd en Niemantsverdriet wilde gewoon een leuk toegankelijk boek schrijven. Dat is hem trouwens gelukt: het is een mooi verhaal geworden dat leest als een trein. En af en toe staan er ook dingen in die je nog niet weet. Maar spectaculaire onthullingen tref je niet in het boek aan. En omdat het boek vanwege de journalistieke opzet aan de oppervlakte blijft mis je als lezer soms ook wat duiding: dat het PvdA-electoraat tegenwoordig veel minder trouw is dan vroeger heeft toch ook alles te maken met de ontzuiling en de voortgaande individualisering? Is het niet zo dat VVD en D66 wat dat betreft veel beter bij deze tijd passen? En hoe zit het eigenlijk met erfenis van Nieuw Links? Is de PvdA geen vechtpartij vanwege de oververtegenwoordiging van hoogopgeleide Babyboomers die in de roerige jaren zestig en zeventig lid werden van de partij? Hoe groot is hun stempel op de partijcultuur? En hoe zit het precies met het PvdA-electoraat? Is de achterban de afgelopen 25 jaar qua leeftijdsopbouw, opleidingsniveau en inkomen (erg) veranderd? Het zijn interessante vragen die in een wetenschappelijk opgezette studie aan de orde zouden moeten komen.

    De Vechtpartij houdt het verhaal over de PvdA simpel. Centraal in het boek staan de PvdA-leiders na Den Uyl: Wim Kok, Ad Melkert, Wouter Bos, Job Cohen en Diederik Samsom. Van deze vijf zou je alleen Wim Kok een geslaagde politicus kunnen noemen: hij wist de partij door de roerige WAO-crisis te loodsen en onder zijn leiding werd de PvdA bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 en 1998 de grootste. Natuurlijk was Kok niet volmaakt maar zijn rustige, nogal vaderlijke manier van leiderschap wekte gezag en vertrouwen. Degenen die na Kok kwamen raakten hun gezag binnen een korte of iets langere periode kwijt.

    Ad Melkert was echte technocraat. Hij was zeer bedreven in politieke spelletjes maar kon zijn boodschap maar niet overbrengen bij de kiezer. Melkert was niet warm maar zuur. Toen hij op televisie werd blootgesteld aan de populistische professor Pim Fortuyn was de deconfiture compleet. De afgang van Melkert was natuurlijk ook te danken aan bijzondere omstandigheden – de grote angst voor de fundamentalistische islam en de stormachtige opkomt van Pim Fortuyn – maar zijn regenteske houding maakte alles alleen maar erger.

    De PvdA halveerde in 2002 maar vond zich daarna opnieuw uit. Wouter Bos, die de indruk wekte wel te willen luisteren naar de wil van het volk, zorgde voor de spectaculairste opwekking uit de dood sinds Lazarus en maakte de nederlaag van 2002 in 2003 weer ongedaan. Tussen 2003 en begin 2006 was Bos de populairste politicus van het land en iedereen dacht hij na de volgende verkiezingen premier zou worden. Bos liet de overwinning echter door zijn vingers glippen. De verkiezingen van 2006 waren een groot fiasco voor de PvdA. Bos wilde morrelen aan de AOW, een deel van de PvdA-achterban vond dat niet fijn en dit was voor het CDA een uitgelezen kans om een keiharde campagne te voeren. ‘Met Bos met je de klos’ was het (overigens op de klank af niet helemaal perfecte) rijmpje dat de christendemocraten hadden bedacht om de PvdA-leider als onbetrouwbaar weg te zetten.  De PvdA had 42 zetels in de Tweede Kamer en stond begin 2006 in de peilingen op 60 zetels. Dankzij de harde CDA-campagne en de zigzagkoers van Bos werden het er op 22 november 2006 slechts 33. Deze nederlaag was volgens Niemantsverdriet erger dan die van 2002. Niet alleen had de PvdA deze keer de nederlaag helemaal aan zichzelf te danken maar ook was de SP met 25 zetels definitief doorgebroken. De PvdA liep het risico straks niet meer de grootste partij te zijn op links.

    De PvdA stapte met het CDA en de ChristenUnie in een kabinet. Dit kabinet was niet bepaald een succes. In 2008 was Bos even helemaal in zijn element toen de economische crisis uitbrak en hij de banken moest redden, maar verder was hij doodongelukkig en verliep de samenwerking met de christendemocraten uiterst moeizaam. Toen het kabinet-Balkenende IV begin 2010 viel kondigde Bos dan ook aan uit de politiek te stappen. Hij was helemaal opgebrand.

    Bos werd opgevolgd door Job Cohen, de bedeesde burgervader van Amsterdam. Hij zou de PvdA straks een klinkende verkiezingsoverwinning gaan bezorgen, zo was de overtuiging van de partijtop. Het liep toch een beetje anders. Cohen, en dat laat Niemantsverdriet heel goed zien, was totaal niet geschikt voor de hijgerige Haagse politiek. Hij kende zijn dossiers niet goed, kon niet debatteren en gaf geen leiding aan de partij. De virtuele winst van de partij in de peilingen verdampte en op 9 juni 2010 haalde de PvdA 30 zetels, drie minder nog dan in 2006. De VVD was de grootste geworden. Cohen verloor daarna ook de formatie zodat de gedoodverfde premier noodgedwongen een rol moest spelen die hij niet wilde: die van oppositieleider. Job Cohen bleef stuntelen maar niemand durfde tegen hem te zeggen dat hij de Messias niet was. Ze bleven, tegen beter weten in, in JC geloven of veinsden dat. Pas na anderhalf jaar, na enkele vervelende confrontaties in de Tweede Kamer en met zijn eigen fractiegenoten, besloot Cohen het bijltje erbij neer te leggen.

    De laatste PvdA-leider die Niemantsverdriet bespreekt is Diederik Samsom. De hyperintelligente en hyperactieve Samsom, die voor zijn arbeid voor de partij campagneleider was bij Greenpeace, wist de PvdA weer elan te geven. Dit leidde in 2012 tot een grote verkiezingszege. De PvdA kwam op 38 zetels uit. Dat waren er acht meer dan in 2010, maar misschien wel twintig meer dan de PvdA begin 2012 in de peilingen had. De PvdA won omdat Samsom zijn dossiers wel goed kende, hij met ‘het eerlijke verhaal’ kwam en een betere debater was dan VVD-leider Mark Rutte en SP-leider Emile Roemer. De SP, die volgens de peilingen van begin 2012 de grootste partij van Nederland leek te worden, won helemaal niks en bleef haar 15 zetels houden. De PvdA was weer de onbetwiste leider op links.

    De deconfiture kwam echter snel. Hoewel Samsom vriend en vijand verraste met een snelle formatie lukte het hem niet om het beleid van het VVD-PvdA-kabinet uit te leggen. In plaats van compromissen te sluiten hadden VVD en PvdA dingen uitgeruild. De PvdA-achterban was hoogst verontwaardigd dat het kabinet besloten had om illegaliteit strafbaar te stellen, een stokpaardje van de VVD. De Iraanse Nederlander Sander Terphuis werd de stem van de boze PvdA-achterban. Zijn petitie kreeg de handtekeningen van veel PvdA-prominenten, waaronder Cohen, Jan Pronk en Jeltje van Nieuwenhoven. Samsom wilde het kabinetsbesluit aan de achterban uitleggen, maar door het er steeds maar over te hebben maakte hij het erger en erger. Als leider zorgde Samsom bovendien voor veel irritaties bij zijn collega-Kamerleden. Toen Samsom nog gewoon Kamerlid was stelde hij zich vaak eigenzinnig en onafhankelijk op, maar zo’n opstelling accepteerde hij niet van zijn collegae toen hij zelf fractievoorzitter was geworden. De neuzen moesten dezelfde kant op. Dit was voor het jonge veelbelovende Kamerlid Myrthe Hilkens begin 2013 een reden om op te stappen. Hoewel Hilkens tegen de PvdA-traditie in niet (in een interview in Vrij Nederland of in een stuk in de Volkskrant) met modder begon te gooien naar haar baas, wist iedereen toen dat het leiderschap van Samsom een flinke deuk had opgelopen. De glans was er bij Samsom definitief af.

    Vanwege al het geruzie en gekonkel noemt Niemantsverdriet de PvdA de vechtpartij. Natuurlijk wordt er ook in andere partijen geruzied, maar bij de PvdA lijken deze ruzies extra hard. En wat belangrijker is: ze zijn (bijna) altijd openbaar. Geen enkele partij heeft zoveel kritische rapporten over zichzelf geschreven als de PvdA. En boze PvdA’ers vallen elkaar (bijna) altijd af via de media. Het zelfkritische vermogen van de PvdA heeft als voordeel dat de partij ambitieuze idealisten aantrekt die geen blad voor hun mond nemen en soms ook heel inspirerend kunnen zijn: denk aan Felix Rottenberg, Ahmed Marcouch en Myrthe Hilkens,  en aan Wouter Bos, Diederik Samsom en Frans Timmermans in hun jongere jaren. Het nadeel is dat deze mannen en vrouwen met ambitie elkaar vaak in de weg lopen en via machiavellistische spelletjes politiek uit de weg willen ruimen. De Partij van Animositeit houdt van de mensheid, niet van mensen.

     

    N.a.v. Thijs Niemantsverdriet, De vechtpartij. Euforie en chagrijn binnen een van de grootste politieke partijen van Nederland (Amsterdam, Atlas Contact 2014). ISBN 9789020412109. 288 pagina’s. €19,99.

    Tags: Ad Melkert, Anet Bleich, Diederik Samsom, Job Cohen, Myrthe Hilkens
    Read More
  • Sunshine across Israel

    0

    Door: Ewout Klei

     

    Mooie dames in bikini, spelende kinderen, een jongeman in een grappig sinaasappelkostuum, dansende nonnen, vrolijke oudjes, een pasgetrouwd stel, skiërs in de sneeuw en last but not least een zwart gospelkoortje. Je ziet ze allemaal in de videoclip Sunshine across Israel, een vrolijk promofilmpje dat als doel heeft om meer toeristen naar Israël te krijgen.

     

     

    Vrij naar de negentiende-eeuwse premier Benjamin Disraeli: ‘Je hebt leugens, je hebt grove leugens en je hebt Israël.’ Het Israëlische promofilmpje mag misschien ontzettend lief en leuk zijn, het is een zeer selectieve blik op een land dat een illegaal nederzettingenbeleid op de Westbank voert, met grof geweld tegen Palestijnse demonstranten optreedt en internationale resoluties aan zijn laars lapt.

    Het promofilmpje verwijst – impliciet – wel naar de bezettingspolitiek. De man in sinaasappelkostuum heeft een sticker van Jaffa, terwijl dit bedrijf ervan sinaasappelen verbouwt in de bezette gebieden. Het wintersportgebied dat we zien is het Mount Hermon ski resort. Dit oord ligt formeel niet in Israël maar op de Golanhoogte, die in 1967 op Syrië is veroverd en sindsdien door het Israëlische leger wordt bezet.

    Verder is opvallend dat we in het filmpje wel christenen zien, maar geen orthodoxe Joden. Blijkbaar passen die, net als de Palestijnen, ook niet bij het moderne, ‘tolerante’ Israël dat toeristen wil lokken. De zon schijnt over Israël, maar duistere zaken zijn bewust onderbelicht.

    De propagandatactiek van Israël is trouwens een hele oude. Vorst Potemkin, een minister en minnaar van de Russische tsarina Catharina de Grote, liet tijdens het staatsbezoek van keizer Joseph van Oostenrijk zelfs complete nepdorpen bouwen, de zogenoemde Potemkindorpen. Toen de Oostenrijkse keizer deze dorpen bezocht werd  hij toegejuicht door weldoorvoede boeren die heel gelukkig leken. Dat dit acteurs waren wist de keizer natuurlijk niet.

    Totalitaire staten als de Sovjet-Unie, China en Noord-Korea zouden ook  gebruik maken van deze propagandatruc toen westerse sympathisanten, de zogenoemde fellow-travelers, op bezoek kwamen. Deze reizigers  lieten zich – al dan niet bewust – in het ootje nemen en bezochten nepsteden, nepfabrieken en ontmoetten alleen maar mensen die vol lof waren over de communistische heilsstaat.

    In de Zuid-Chinese stad Kunming, waar ik in 2003 was, heeft men een heus ‘minderhedendorp’ gebouwd waar alle etnische minderheden van de provincie Yunnan ‘gezellig’  bij elkaar wonen in een pretpark. Dat China de Tibetanen en Oeigoeren onderdrukt moet je hierdoor een beetje vergeten. Dat de Chinezen van dit minderhedendorp een soort Efteling hebben gemaakt is trouwens niet onderdrukkend bedoeld. Ze verkrachten gewoon hun cultuur en maken van kunst kitsch. Je kunt tegenwoordig ook met een achtbaan naar de Chinese Muur.

    Het zou mooi zijn als Israël, in plaats van vrolijke maar misleidende propagandafilmpjes te maken, eens wat gaat doen om het land echt wat vrolijker te maken. Stop de bezetting. Geef Palestijnen gelijke rechten. En stop ook met dat excessieve geweld. Israël presenteert zich graag als een volwaardige democratie, een baken van licht in het Midden-Oosten. Het land wordt pas echt verlicht als de Palestijnen er ook mogen zijn.

     

    Tags: Israël, Jaffa, Potemkindorpen
    Read More
  • Het gelijk van de acht ‘pamflettisten’ in het NRC Handelsblad

    0

    http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/0/0c/Europa_auf_dem_Stier.jpg

     

    Door: Ewout Klei

     

    De acht ‘pamflettisten’ – Sywert van Lienden, Pascal Borsjé, Marcel Canoy, Aalt Willem Heringa, Lex Hoogduin, Hans van Meerten, Wilco Veldhorst en Peter Verhaar – hebben met hun oproep aan het NRC Handelsblad inhoudelijk gezien gewoon gelijk. Populistische meningen beheersen het publieke debat, ook op opiniepagina’s, te veel vandaag de dag.

    Tegenwoordig lijkt het er bij maatschappelijke discussies niet meer om te gaan wie de beste argumenten heeft maar wie er het beste theater maakt. Complottheorieën, drogredeneringen, felle persoonlijke aanvallen, het hanteren van een rigide goed-fout-schema, een misplaatst beroep op de stem van het volk en last but not least het zwelgen in een zelfgekozen martelaarschap  zijn retorische strategieën waarvan populisten zich graag bedienen. Nuchterheid is ver te zoeken, feiten en logica worden verbannen naar de studeerkamer.

    Als iemand die graag ook een beetje meepraat over politieke en maatschappelijke zaken voel ik mij dikwijls ongemakkelijk over de toon van het debat, het simplisme waarmee bepaalde ‘onwelgevallige’ meningen worden weggezet en het grote geloof wat veel mensen blijkbaar hechten aan alarmistische verhalen. Alles moet in zo pathetisch mogelijke termen worden beschreven. De Europese Unie wordt (door rechts, maar soms ook door links) de EUSSR genoemd, de islam zou streven naar een Eurabië en alle blanke Nederlanders met een piemel zijn vieze vuile racisten en seksisten. Als je twijfels plaatst bij deze onwrikbare overtuigingen hoor je meteen bij de tegenpartij, ben je een ‘Eurofiel’, een ‘Gutmensch’ of een ‘White Supremacist’.

    Ondanks de ontzuiling en secularisatie lijkt het erop dat alle Nederlanders, ook de ‘allochtone’, nog steeds lid zijn van de kerk. De linkse kerk heeft zoals bekend haar heilige huisjes (gelijke behandeling, de multiculturele samenleving, feminisme), verboden (discriminatie, racisme, seksisme), dominees (Freek de Jonge) en heiligen (Joop den Uyl, Femke Halsema). De rechtse kerk doet echter ook aan dogma’s (de vrijheid van meningsuiting, Nederland) en martelarenverering (Pim Fortuyn, Theo van Gogh). Maar terwijl in de tijd van de verzuiling ook onafhankelijke intellectuelen als Menno ter Braak luid van zich lieten horen, daar is het in het Nederland anno nu oorverdovend stil. Af en toe hoor je hun stem. Maar je moet wel goed luisteren. Niet iedereen beschikt helaas over het talent van Ter Braak (of van George Orwell of Christopher Hitchens, om twee gelijkstemde geesten in de Angelsaksische wereld te noemen) om ook goed hoorbaar genuanceerd en scherp te zijn.

    De oproep van de acht pamflettisten aan het NRC Handelsblad meer toe te zien op kwaliteit, ook op de opiniepagina, zal echter ongetwijfeld averechts werken. Hoewel het geen oproep tot censuur is – nergens staat dat de mening van Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema voortaan geweerd moet worden – wordt de oproep wel als een roep om censuur uitgelegd. In deze tijden waar alles zwart of wit is wordt kritiek al gauw als kritiek van de ‘vijand’ geïnterpreteerd en gaat het debat vervolgens niet meer over argumenten. Meteen is de vrijheid van meningsuiting in gevaar. Natuurlijk is die vrijheid wel eens in gevaar en het is goed dat hierop wordt toegezien, maar net als ‘racisme’ en ‘seksisme’ is het begrip ‘vrijheid van meningsuiting’ tegenwoordig vooral een stok waarmee je de andere partij kunt slaan. Zo jammer.

    Daarnaast, ook niet onbelangrijk, heeft een krant natuurlijk wel het recht om een bepaald redactioneel beleid te voeren. Het Reformatorisch Dagblad plaatst eerder dan de Volkskrant of het NRC Handelsblad een opinie van een katholieke SGP’er die voorstelt dat het christendom en de islam samen ten strijde moeten trekken tegen het secularisme. Een krant heeft een bepaalde identiteit en mag dat beleid ook in de keuze voor bepaalde opiniestukken tot uitdrukking laten brengen. In die zin is de opinie van de acht helemaal zo gek nog niet. Het NRC Handelsblad stond altijd voor kwaliteit. Artikelen vol verdachtmakingen en drogredeneringen zouden vijftien jaar geleden (de tijd voor Fortuyn, ik weet het) zeker niet geplaatst zijn door deze krant. Dat het NRC Handelsblad populistische artikelen nu wel plaatst mag, dit hoort bij de vrijheid van meningsuiting en ook de vrijheid van een krant om een commerciëler redactioneel beleid te voeren, maar het zou jammer zijn wanneer als gevolg van zulk beleid genuanceerde opinies over Europa (en andere onderwerpen) ondersneeuwen. Ik ben te lui om saaie rapporten te lezen en wil graag gescherpt worden in mijn visie op Europa.

    Ten slotte is opinie natuurlijk ook maar een mening en daar hoort mijns inziens ook een beetje theater bij (anders is het ook zo saai), maar het zou mooi zijn als de rede weer gaat heersen. Zeker bij zo’n belangrijk onderwerp als Europa is dat wel nodig. Bij dezen daarom mijn adhesie aan de acht. Het publieke debat verdient namelijk zo veel beter.

     

    Tags: Aalt Willem Heringa, Bastiaan Rijpkema, Hans van Meerten, Lex Hoogduin, Marcel Canoy
    Read More
  • Grondsop en verwarring: Rob Hartmans opnieuw over intellectuelen en hun illusies

    1

    Door: Ewout Klei

     

    Een intellectueel is iemand die aan het publieke debat meedoet met kennis van zaken, en in dit debat een onafhankelijke houding inneemt. Mensen die slechts vertolker zijn van de mening van hun partij of groep zijn geen intellectueel. Zij zijn ideologen en propagandisten.

    Met de intellectuelen in Nederland is het slecht gesteld. Er zijn nog maar weinig mensen met een onafhankelijke mening. Wellicht dat de polarisatie en moralisering van het publieke debat debet hieraan is. In Nederland staan er telkens weer twee groepen onverzoenlijk tegenover elkaar die iedereen beoordelen op grond van hun eigen goed-fout-schema. Het onzalige Zwarte Piet-debat illustreert  de deplorabele toestand van de Nederlandse discussiecultuur vermoedelijk het beste: ben je voor Zwarte Piet dan ben je een racist en dus een minderwaardig mens, ben je tegen Zwarte Piet dan capituleer je voor de multiculturele samenleving en ben je een landverrader en dus ook een minderwaardig mens. Een middenweg is er niet.

    Een echte intellectueel is Rob Hartmans. Hartmans, historicus en stukjesschrijver voor het Historisch Nieuwsblad en de Groene Amsterdammer, is wars van propaganda en ideologische scherpslijperij. In 2010 verscheen zijn boek Lang leve de linkse kerk, dat ondanks de ietwat provocerende titel (uiteraard bedacht door de uitgever) een oase van rust, bedachtzaamheid en nuance was. Hartmans had kritiek op de conservatieve stormloop tegen de linkse kerk en het populisme, maar was tegelijk ook heel kritisch over het goed-foutdenken in de jaren zeventig toen een beetje ‘intellectueel’ heel kritisch was over Chili en Zuid-Afrika maar de ogen sloot voor de mensenrechtenschendingen in Cuba en de Sovjet-Unie.

    Nog interessanter dan het boek over de linkse kerk is Hartmans’ in 2010 verschenen meesterwerk Vaarwel dan! Essays over intellectuelen en hun illusies. Daarin passeren een heleboel bekende en minder bekende intellectuelen de revue, die allemaal kritisch onder de loep worden genomen. Hartmans ziet intellectuelen niet zonder meer als links en besteedt ook aandacht aan dwarse denkers van rechts, zoals de Britse politicus Edmund Burke en de Nederlandse theoloog Klaas Schilder. Het boek is een feest der eruditie waar zelfs Thijs Kleinpaste u tegen zegt, maar blijft niettemin leesbaar voor de niet-belezen leek.

    Grondsop en verwarring. Essays over intellectuelen en hun illusies 2 is, zoals ook blijkt uit de ondertitel, het vervolg op Vaarwel dan!  Het is een boeiend boek waarin een boel ‘nieuwe’ intellectuelen hun opwachting maken, onder andere Friedrich Nietzsche, Voltaire, Thomas Hobbes, Samuel Johnson, Friedrich Hayek, Alexandre Kojève, Jürgen Habermas, André Gide, Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. Ook komen intellectuelen uit de polder, ‘The Dutch Mountains’, aan bod: Johan Huizinga, Willem Banning, Bart Tromp, Jacques de Kadt, J.H. Scheps en last but not least de ‘organische intellectueel’ Thierry Baudet. Aan Frits Bolkestein, die het boek De intellectuele verleiding schreef, wordt ook een essay gewijd, maar de voormalige VVD-politicus met zijn slordige fouten en gemakkelijke gemeenplaatsen is volgens Hartmans slechts ‘een denker uit de kringloopwinkel’.

    Hoewel het stuk voor stuk boeiende essays zijn, prettig te lezen, erudiet en vaak ook vernieuwend, kreeg ik al lezende toch een onbevredigend gevoel. Het grote plaatje ontbreekt in het boek. Waarom kiest Hartmans voor deze denkers en niet voor andere? Hartmans weet hier wel een praktisch antwoord op – alle essays zijn uitwerkingen van artikelen en boekbesprekingen die hij eerder heeft geschreven, daarom heeft het boek iets willekeurigs – maar dat is niet voldoende. Ik ben juist benieuwd naar de vraag wie de belangrijkste intellectuelen van Nederland en de wereld zijn, wat de belangrijkste intellectuele debatten waren, welke rol ideologie speelt voor intellectuelen etc. etc. Op sommige vragen wordt indirect wel antwoord gegeven (La Querelle des Anciens et des Modernes, de discussie over de vraag of mensen in de zeventiende eeuw de Klassieke Oudheid cultureel zouden kunnen overtreffen is bijvoorbeeld zo’n belangrijk intellectueel debat), maar dit zit allemaal in de essays verborgen. Hartmans heeft geen systematisch boek geschreven. Zulke boeken zullen ongetwijfeld vast wel bestaan, maar daar had Hartmans in zijn inleiding naar kunnen verwijzen. Het boek heeft helaas ook geen conclusie, waardoor alle essays een beetje in de lucht blijven hangen. Ik wil als lezer meer.

    De kritiek neemt niettemin niet weg dat Grondsop en verwarring de moeite waard is. Lees het echter alleen nadat u Vaarwel dan! en Lang leve de linkse kerk uit hebt en ga tevens op zoek naar een standaardboek over intellectuelen. (En stuur mij daarover ook een berichtje, ik wil zo’n boek namelijk graag hebben.)

     

    N.a.v. Rob Hartmans, Grondsop en verwarring. Essays over intellectuelen en hun illusies 2 (Uitgeverij Aspekt Soesterberg 2013). ISBN  9789461533661. 398 pagina’s. €19,95 euro.

    Idem, Lang leve de linkse kerk. En Andere Essays Over Politieke Hersenschimmen, Misverstanden En Illusies (Uitgeverij Aspekt Soesterberg 2010).  ISBN 9789059119390.

    Idem, Vaarwel dan! Essays over intellectuelen en hun illusies (Uitgeverij Aspekt Soesterberg 2000). ISBN 9789075323696.

     

    Ewout Klei is intellectueel in opleiding (Iio)

     

    Tags: Alexandre Kojève, André Gide, Bart Tromp, Friedrich Hayek, Friedrich Nietzsche
    Read More