Blog

Lorem ipsum dolor set atsonic

  • Teaser De weg naar de macht. Een kroniek van de JOVD 1949 – 2015.

    0

    Even een kleine update over het JOVD-boek. De vermoedelijke titel zal luiden ‘De weg naar de macht. Een kroniek van de JOVD 1949 – 2015.’ Het manuscript ligt nu bij de uitgever, dat is wederom mijn huisuitgever Uitgeverij Nieuw Amsterdam in Amsterdam. Naast 1000 exemplaren voor de JOVD zullen er een x-aantal exemplaren voor de boekhandels worden gedrukt. U kunt het boek dus ook gewoon in de winkel kopen. Het boek krijgt foto’s en twee voorwoorden van twee prominente oud-JOVD’ers, maar die twee maak ik pas bekend als de omslag klaar is. Vermoedelijk wordt het boek eind dit jaar gepresenteerd, in november of begin december. Dat hangt een beetje van het rad van fortuin af. U mag hier aan draai aan geven, maar ik weet niet of dat helpt. Ten slotte voeg ik nog een paar leuke plaatjes aan deze post toe, om u alvast een beetje te teasen.

     

    1954LustrumcongresCabaretAmsterdam

    HaagseJOVD1984

    Fris en fruitig

    20150530_174023

    Tags: JOVD
    Read More
  • Het betoverde land achter de kleerkast

    0

    http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/7/4/5/7/666877547.jpg

    Dit essay staat ook in het boek Van God los. Het einde van de christelijke politiek? dat nog steeds in de winkels te koop is. In vijftien essays bespreken Remco van Mulligen en ik de toekomst van de christelijke politiek in Nederland.

     

    Door: Ewout Klei

     

    De Engelse schrijver C.S. Lewis publiceerde veel boeken over het christelijk geloof, maar hij is in de Angelsaksische wereld toch vooral bekend geworden met zijn kinderboekenserie over Narnia, het betoverde land achter de kleerkast. In Narnia draait alles om de leeuw Aslan, die symbool staat voor Jezus. Zoals Jezus de wereld redde door te sterven aan het kruis, zo redde Aslan Narnia door te sterven op de stenen tafel. En zoals Jezus na de opstanding des vleses de satan en zijn demonen versloeg, zo versloeg Aslan de White Witch en haar legers.

    Vanwege de zware christelijke symboliek, is de kinderfantasy van Lewis ook populair bij volwassenen. Sommige enthousiaste Lewis-fans, zoals de conservatieve publicist Bart Jan Spruyt, wanen zich ook nadat ze het boek hebben neergelegd soms heel even in Narnia:

     

    “Onlangs had ik een debat, een nogal ongemakkelijk debat, met een vrouwelijke representante van het secularisme, en in de auto naar huis zag ik haar gezicht steeds voor me. Ik kende dat gezicht, maar waarvan ook al weer? Een wit gezicht, strak, ijzig. Weken later wist ik het ineens. Jadis, de koningin van Narnia, de White Witch, witte tovenares, uit de verhalen van C. S. Lewis! Het land achter de kleerkast waarover zij regeert, heeft zij zo betoverd dat het er altijd winter blijft, doods, koud, onvruchtbaar. Het wordt er nooit meer kerstfeest. Haar macht wordt verbroken wanneer het een jongen lukt om met zijn zwaard de toverstaf van de tovenares kapot te slaan, en door de levenwekkende adem van de uit de dood herrezen leeuw Aslan. Het doodse wit maakt plaats voor een regenboog aan kleuren. Doodse stilte wordt vervuld van lachen en zingen.

    Om het doodse wit van het secularisme te verdrijven, en te voorkomen dat alle lachen en zingen in een koude, doodse stilte verandert, moet het toverstokje van de seculieren opnieuw met het zwaard worden verbroken. En dat zwaard kan niet anders dan het zwaard van de Geest zijn, Die zoals bekend niet werkt door kracht of geweld.”

     

    In de ogen van Spruyt is de White Witch, die bij Lewis symbool staat voor de Satan, D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld. Zij is een pleitbezorger van het secularisme. Ook in Nederland wint het secularisme volgens Spruyt terrein. Immers, een seculiere meerderheid in de Tweede Kamer wilde het onverdoofd ritueel slachten van dieren door joden en islamieten verbieden. Als de seculieren hun zin krijgen, zo voorspelt Spruyt, verandert Nederland in een doods winterlandschap, waar er voor zichtbaar geloof geen plaats meer is.

    Spruyt is in het Nederlandse politieke landschap niet de enige die het secularisme als bedreiging ziet. Volgens Henk van Rhee van de christelijke hulporganisatie Stichting tot Heil des Volks ligt het orthodoxe christendom permanent onder vuur. Om die reden lanceerde hij het idee van een proefprocessenfonds om de christelijke vrijheid te beschermen. Dit natuurlijk naar analogie van het in 2002 gestarte proefproces van het feministische Clara Wichmann Fonds tegen de SGP, vanwege het vrouwenstandpunt van die partij. Van Rhee stelt dat we geloofsonvrijheid te lang met het communisme en de islam hebben geassocieerd. Volgens hem zorgt ook het secularisme voor verdrukking en dit kan leiden tot vervolging van christenen. Kritische geluiden over het secularisme wijzen vooral in die richting.

    Verandert Nederland dankzij de seculieren in Narnia, in een winterland?

     

    ‘Seculiere meerderheidscultuur’

    De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy stelt dat Nederland een ‘seculiere meerderheidscultuur’ kent, waarin minderheden worden gemarginaliseerd. Zijn begrip ‘seculiere meerderheidscultuur’ duikt tegenwoordig vaak op in analyses over de huidige Nederlandse samenleving. Het is een nadere inkleuring van het begrip ‘meerderheidscultuur’, dat Paul Scheffer bezigde in zijn beroemde boek Het land van aankomst. Scheffer ziet ‘meerderheidscultuur’ als iets positiefs. Migranten moeten zich, als zij goed in de samenleving willen functioneren, voegen naar deze dominante cultuur. Kennedy daarentegen ziet het als iets negatiefs. De ‘seculiere meerderheidscultuur’ is volgens hem dwingend en intolerant.

    In een interview, dat in juni 2005 in het dagblad Trouw verscheen, vertelt Kennedy dat het begrip tolerantie in de jaren zestig een grote transformatie heeft ondergaan. In de tijd van de verzuiling betekende tolerantie dat je een zeker begrip kon opbrengen voor de opvattingen van de ander, ook al was je het er hartgrondig mee oneens, en dat je anderen daarom niet opzettelijk moest kwetsen. Tolerantie was noodzakelijk, want anders konden de verschillende groepen mensen niet met elkaar samenleven. Vanaf de jaren zestig werd tolerantie echter iets wat anderen moesten hebben, en wat van anderen kon worden geëist. Als gevolg van snelle secularisatie, ontkerkelijking en ontzuiling ontstond er volgens Kennedy in Nederland een seculiere meerderheidscultuur, die afwijzend stond tegenover religieuze minderheden. Aanvankelijk waren orthodoxe christenen de kop van jut, in het nieuwe millennium werden dit de islamitische nieuwkomers waar ook Scheffer in zijn boek over schrijft. De seculiere meerderheid eist tolerantie van deze minderheden en plaatst ze steeds weer in de beklaagdenbank. De opmerking van Rita Verdonk, in het kabinet Balkenende II Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, dat moslims moeten leren kritiek te incasseren, is volgens Kennedy veelzeggend. Beledigen mag, en degenen die daar moeilijk over doen, worden als intolerant bestempeld. Kennedy hekelt de seculiere opstelling. Deze is slecht voor de minderheid en bij de seculiere meerderheid ontbreekt vaak het vermogen tot zelfreflectie.

    Hoofdredacteur Erica Meijers van het GroenLinks-magazine De Helling schreef in 2011 vlammend betoog over ‘de nieuwe onverdraagzaamheid bij links’. In haar geruchtmakende essay  bekritiseert ze de religiekritische koers van GroenLinks. Niet alleen Geert Wilders maakt een karikatuur van de islam, maar dat gebeurt volgens haar steeds vaker ook in linkse kringen. In het politieke discours van links wordt ‘seculier’ vereenzelvigd met ‘beschaving’, ‘verlichting’ en ‘vrijzinnigheid’, terwijl ‘orthodoxie’ in het algemeen, en orthodoxe vormen van de islam in het bijzonder, al snel in verband gebracht worden met ‘barbarij’, ‘achterlijkheid’ en ‘fundamentalisme’. Mensen denken volgens haar tegenwoordig veel te snel in frames, beelden, die de maatschappelijke werkelijkheid in een knellend keurslijf dwingen. Op dit moment winnen de karikaturen van religie aan kracht, wat de politiek legitimeert om er harder tegen op te treden.

    Orthodoxie is volgens Meijers niet hetzelfde als fundamentalisme. Orthodoxie is breed, staat in een eerbiedwaardige traditie met eeuwenoude papieren, terwijl fundamentalisme smal is en iets van een veel recentere datum. In navolging van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer stelt Meijers dat religie een januskop heeft: een lelijk en een mooi gezicht. Tegenwoordig wil men echter alleen het lelijke gezicht zien. Pas als de seculiere partijen zich losmaken van hun karikatuurbeelden, kunnen ze gelovigen weer recht in de ogen kijken en de ander nemen zoals hij echt is, en niet als een woeste barbaar.

    Die karikatuurbeelden waartegen Meijers ten strijde trekt kennen een langere geschiedenis. Al in de jaren tachtig werden  bijvoorbeeld de orthodoxe christenen in het politiek-maatschappelijke debat als fundamentalistisch uitgemaakt. Dit overkwam de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. In het inmiddels ontzuilde Nederland werden de nog verzuilde partijtjes niet alleen als reservaten van de verzuiling beschouwd, maar ook als broeinesten van religieuze onverdraagzaamheid. Het machtige en gematigde CDA was weliswaar niet geliefd bij de (progressieve) pers, maar werd niet als fundamentalistisch bestempeld.

    In 1981 kwamen progressief en seculier Nederland in het geweer, toen er even sprake van was dat CDA en VVD een minderheidskabinet wilden vormen dat zou leunen op de gedoogsteun van de kleine christelijke partijen. In de Volkskrant trok columnist Jan Joost Lindner fel van leer tegen deze ‘Staphorster variant’, die als wisselgeld voor haar gedoogsteun alle vrijzinnige vernieuwingen zou tegenhouden. Het Overijsselse boerendorp Staphorst, waar tot in de jaren zestig overspelige stelletjes in een mestkar werden rondgereden, stond bij Lindner symbool voor de barbaarsheid van het christendom. Ook het Humanistisch Verbond wilde onder geen beding dat SGP, GPV en RPF invloed op het kabinetsbeleid zouden uitoefenen, en waarschuwde in een open brief CDA en VVD voor deze ‘theocratische partijtjes ter rechterzijde’.

    Medio jaren tachtig laaide dezelfde discussie weer op, toen PvdA-leider Joop den Uyl de drie kleine christelijke partijen ‘a-democratisch’ noemde. In een toespraak die hij hield op een feestelijke bijeenkomst over negentig jaar sociaaldemocratie, stelde Den Uyl dat de manier waarop er in SGP, GPV en RPF over democratie werd gedacht, ‘een latente bedreiging (…) van wezenlijke vrijheden’ vormde. GPV-leider Gert Schutte bestreed tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 1984 de aanval van Den Uyl, en verzekerde iedereen dat het GPV zich aan de democratische spelregels hield. In de loop van dit Kamerdebat werd duidelijker wat Den Uyl precies met ‘a-democratisch’ bedoelde, namelijk dat de kleine christelijke partijen met beroep op de Bijbel zich verzetten tegen het gelijkheidsidee, dat ten grondslag zou liggen aan de Nederlandse democratie, en anderen discrimineerden. De Bijbel was volgens Den Uyl bovendien een ‘niet-verifieerbare’ bron, en door zich op de Bijbel te beroepen onttrokken de kleine christelijke partijen zich aan de normale politieke discussie. Den Uyl eiste tolerantie van minderheden en verdedigde het standpunt van de Duitse filosoof Jürgen Habermas, namelijk dat in het publieke domein alleen zinvol kan worden gediscussieerd als men argumenten gebruikt die voor alle partijen acceptabel zijn. RPF-leider Meindert Leerling zei daarom heel erg de indruk te hebben dat Den Uyl van SGP, RPF en GPV politieke paria’s wilde maken, die net als Hans Janmaat van de Centrumpartij moesten worden gemeden en bestreden. Leerling hoopte dat er voor het christelijke geluid in het parlement nog wel ruimte zou blijven.

    Lindner, het Humanistisch Verbond en Den Uyl maakten een karikatuur van de kleine orthodox-christelijke partijen door ze te bestempelen als aartsconservatief en intolerant en te stellen dat ze in potentie een gevaar vormden voor de Nederlandse democratie. Dat SGP, GPV en RPF in het parlement samen slechts zes zetels hadden en nog geen deuk in een pakje boter konden slaan, wist men natuurlijk ook wel. Het spookbeeld Staphorst was echter nodig om de eigen identiteit extra te onderstrepen, het was een oefening in seculiere zelfbevestiging.

    Tegenwoordig is de term Staphorst een beetje in onbruik geraakt. Toen de SGP in 2011 gedoogsteun verleende aan het wankele kabinet-Rutte I sprak men niet over Staphorst maar over de Poldertaliban (zie ook hoofdstuk 7 ‘De emancipatie van de SGP’). Religieuze onverdraagzaamheid en barbaarsheid worden nu allereerst in verband gebracht met de islam, ook als de minderheid die zich intolerant opstelt christelijk is.

     

    Hashtag haatbaard

    Sinds 2001 heeft het islamdebat Nederland in zijn greep, het debat over de vraag of de islam een bedreiging vormt voor de Nederlandse democratie en rechtsstaat. Dit debat gaat niet zozeer over moslims en de islam in het algemeen, maar vooral over fundamentalistische moslims en de vraag of de islam een politieke ideologie is.

    In Nederland wonen bijna één miljoen moslims. Zij zijn verdeeld in uiteenlopende etnische groepen, waarvan de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen de grootste zijn. Het etnische onderscheid is het belangrijkst, maar daarnaast spelen ook dogmatische verschillen een rol. De meeste moslims in Nederland behoren tot de soennitische islam, maar er zijn ook andere richtingen te herkennen. De eerste moskee in ons land is bijvoorbeeld gesticht door de ahmadiyya, een stroming die door de meeste andere moslims als ketters wordt beschouwd. Daarnaast is zo’n twintig procent van de Turkse moslims aleviet, een vrijzinnige stroming binnen de sjiitische islam. Binnen de fundamentalistische islam, die sjiitisch of soennitisch kan zijn, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen fundamentalisten die gebruikmaken van geweld en zij die dat niet doen. Haitham al-Haddad is een fundamentalistische soennitische moslim die een theocratische islamitische staat nastreeft, maar hij maakt geen gebruik van geweld. Ook roept hij moslims niet op om terroristische aanslagen of andere gewelddaden te plegen. Al-Haddad kun je daarom ook niet gelijkstellen met de terroristische organisatie Al-Qaida.

    In het islamdebat is het trouwens niet alleen Geert Wilders die beelden oproept van boze mannen met baarden, ook progressief Nederland doet hier lustig aan mee. Als Pauw & Witteman een debat willen met een ‘echte’ moslim, vragen ze nooit een degelijke CDA- of PvdA-politicus. In plaats daarvan nodigen ze theatraal tegendraadse fundamentalisten uit als Mohammed Enait, de advocaat die niet wilde opstaan voor de rechter omdat hij het Nederlandse recht niet respecteerde. Of Izz ad- Din Ruhulessin, de Nijmeegse student Arabisch en politicologie die in de Volkskrant Iran verdedigde toen men daar een overspelige vrouw wilde stenigen.

    Ook het Amsterdamse debatcentrum De Balie heeft een fascinatie voor deze ‘oorspronkelijke’ moslims. Het debat dat op vrijdagavond 17 februari 2012 in Amsterdam werd gevoerd tussen de fundamentalistische geestelijke Haitam al-Haddad, journalist Kustaw Bessems en GroenLinks-Kamerlid en vrijzinnige moslim Tofik Dib en de commotie eromheen,  hadden wel iets weg van een circusact van honderd jaar geleden.

    Al-Haddad was uitgenodigd door een islamitische studentenvereniging om aan de Vrije Universiteit van Amsterdam te komen spreken. Omdat Al-Haddad bekend stond als een antisemiet die onderdrukking van vrouwen propageerde, hadden enkele partijen in het parlement grote bezwaren tegen zijn komst. In reactie op deze commotie besloot de VU-leiding dat het niet zou doorgaan, in ieder geval niet in het gebouw van de universiteit. Debatcentrum De Balie wierp zich vervolgens op als centrum van het vrije woord, en besloot de beste man wel een podium te geven. Vanwege de rel was de zaal snel uitverkocht. Een aantal websites besloot  het debat een livestream uit te zenden, en politici, journalisten en verder iedereen met een mening twitterden al enkele uren voor aanvang in ongezouten bewoordingen over Al-Haddad. GroenLinks-coryfee Femke Halsema noemde hem een ‘malloot’, wat die avond één van de vriendelijkste kwalificaties was. Heel vaak verscheen in tweets  de hashtag ‘haatbaard’ (#haatbaard). Niet alleen openlijke en heimelijke sympathisanten van Geert Wilders, maar ook grachtengordelbewoners als opiniemaakster Maja Mischke en PvdA-politicus Kaj Leers bezigden deze term.

    Ondanks alle mooie woorden over het vrije woord was het Baliedebat eigenlijk geen ‘echt’ debat. In zo’n ideaal debat probeert men de ander te overtuigen, en doet men ook zijn best de ander te begrijpen. Al-Haddad leek echter vooral te zijn gekomen om zijn eigen mening te verkondigen. Soms deed hij ronduit curieuze uitspraken, bijvoorbeeld dat westerse moslimvrouwen die overspel hadden gepleegd, graag naar een islamitisch land zouden willen afreizen om daar gestenigd te worden. Door zijn extreme uitspraken maakte hij het zijn opponenten makkelijk om zichzelf te bevestigen in hun seculiere superioriteitsgevoelens. Al-Haddad werd hierdoor het levende symbool van achterlijkheid, onverdraagzaamheid en haat: der ewige Muslim. Men zocht naar de meest extreme formuleringen om afstand te nemen van de imam: hij moest als een bebaarde barbaar worden gedehumaniseerd.

    Dat het debat in De Balie uitverkocht was heeft vermoedelijk ook te maken met een zekere behoefte aan sensatie. Honderd jaar geleden bezochten mensen het circus vanwege de dwergen en de vrouw met de baard. De ‘verlichte’ Nederlanders waren in 2012 niet veel anders, ze bezochten De Balie om naar een ‘echte’ moslim te kijken, een #haatbaard.

     

    Ruimte voor het individu

    Van christenen en moslims bestaan veel karikaturen en karikaturen doen aan de werkelijkheid geen recht.  Er valt dus best iets voor de analyses van Kennedy en Meijers ten aanzien van het seculiere denken en religie te zeggen. Toch is er ook wel wat op af te dingen, want Kennedy en Meijers zijn beide eenzijdig, ze vertellen slechts een deel van het verhaal. Ze hebben alleen het mooie gezicht van religie willen zien, en hebben het lelijke gezicht van deze januskop afgepoetst. Daarnaast maken zij van het seculiere denken ook een karikatuur, een die wel erg zwart is ingekleurd, met als gevolg een te weinig verlicht plaatje. Zo vindt August Hans den Boef, auteur van boeken als God als hype en Nederland seculier!, dat Meijers orthodoxie veel te positief taxeert. Orthodoxie is niet breed, maar een verstening van de traditie. Kwalijker vindt hij echter de groepsdwang onder orthodoxe gelovigen. Orthodoxie is immers geen vrije keus, je wordt er vanaf je kindertijd al mee geïndoctrineerd. Ten slotte willen orthodoxe gelovigen hun ‘reservaten’ uitbreiden. Als hun wereld botst met de seculiere wereld, moet de laatste volgens de orthodoxen natuurlijk wijken. Zo moet er een uitzonderingspositie zijn voor trouwambtenaren van de burgerlijke stand die weigeren homo’s te huwen – de weigerambtenaren –  en voor artsen die weigeren euthanasie uit te voeren  – de weigerartsen. Maar eigenlijk willen orthodoxe gelovigen het homohuwelijk en de euthanasiewetgeving gewoon terugdraaien. Orthodoxen zijn niet uit op een modus vivendi maar willen de rechten van andersdenkenden beperken. Ze dienen volgens Den Boef daarom te worden bestreden. Of deze twee voorbeelden wel gelukkig zijn gekozen door Den Boef, daar kunnen vraagtekens bij worden gezet. Juist op het gebied van het homohuwelijk en de euthanasie is de traditionele christelijke moraal namelijk behoorlijk teruggedrongen in Nederland. Het homohuwelijk en de euthanasie zijn immers gelegaliseerd.

    Boris van der Ham, oud-parlementariër van D66 en huidig voorzitter van het Humanistisch Verbond, is qua toonzetting een stuk milder dan Den Boef. Hij richt zijn pijlen op het idee van de seculiere meerderheidscultuur, die volgens hem niet bestaat. Natuurlijk, de verzuiling is grotendeels voorbij, maar dat betekent volgens  hem niet dat het nu allemaal koekoek één zang is. Mensen zijn in de eerste plaats individuen, alle individuen zijn verschillend en denken verschillend. De overheid moet minderheden beschermen, maar niet als groepen. Zo’n benadering negeert namelijk de diversiteit bínnen orthodoxe groepen. Een groeiende minderheid binnen deze groepen heeft bijvoorbeeld geen moeite met het aangaan van homoseksuele relaties, maar voor dit geluid is vooralsnog geen ruimte.  Van der Ham wil de diversiteit binnen orthodoxe gemeenschappen óók recht doen. Het recht om af te wijken, is volgens hem daarom allereerst een individueel recht. Het perspectief ‘seculiere meerderheid’ versus ‘religieuze minderheden’ houdt met het individu onvoldoende rekening.

    Orthodoxie betekent ‘zuiver in de leer’. Orthodoxe groepen wijzen daarom visies die niet met hun eigen overeenkomen principieel af.  Zij dulden geen diversiteit in hun eigen groep. Van het GPV konden in de praktijk alleen mensen lid worden, die behoorden tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ‘enige ware kerk’ (zie hoofdstuk 8 ‘De twee gezichten van de ChristenUnie’). De ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, denkt tegenwoordig wat ruimer. Niettemin sluit de partij de facto homoseksuelen uit voor bestuurlijke en vertegenwoordigende functies (hoewel er vast wel enkele uitzonderingen zijn die deze regel bevestigen).

    Den Uyl had in 1984 niet helemaal ongelijk. In tegenstelling tot de SGP waren GPV en RPF geen theocratische partijen, maar voluit democratisch waren ze ook niet. Volgens RPF-leider Meindert Leerling had de PvdA-voorman het eigenlijk best wel goed gezien. De democratie kende grenzen, voor de kleine christelijke partijen bestond er een hogere norm dan ‘de helft plus één’. Leerling wees op de boeken van oud-Kamerlid A.J. Verbrugh, de voorganger van GPV-leider Schutte, die in zijn trilogie Universeel en Antirevolutionair de democratie als staatsvorm afwees.

    Als Den Uyl in het al eerder genoemde debat met Schutte naar de boeken van Verbrugh had verwezen, had hij dit wellicht gewonnen. Het ideaal van de kleine christelijke partijen was niet een pluralistische samenleving waarin alle minderheden tot hun recht kwamen, maar een protestants land dat orthodoxe protestanten bevoordeelde.

    Na 2000 is de ChristenUnie van het ideaal van Nederland als protestantse natie afgestapt. Niettemin blijft men aanhikken tegen de democratische regel, dat de meerderheid beslist. In 2008, toen de ChristenUnie in de regering zat, wilde de partij tijdens de discussie over embryoselectie haar minderheidsvisie (een totaalverbod op embryoselectie) het liefst aan de rest van Nederland opleggen. Voorstanders van embryoselectie dwingen tegenstanders immers niet om ook aan selectie te doen, terwijl de ChristenUnie voorstanders wel selectie wil verbieden. De onbuigzame opstelling van de ChristenUnie ontketende een storm van protest, en columnisten Elsbeth Etty en Maarten ’t Hart lieten zich in het NRC-Handelsblad negatief uit over het christelijk geloof. In reactie hierop kropen ChristenUnie-politici meteen in een slachtofferrol. Kamerlid Arie Slob meende dat christenen (lees: ChristenUnie en SGP) in het publieke debat werden gediscrimineerd, en senator Roel Kuiper klaagde meteen steen en been over de ‘knock-out-democratie’, die minderheden uit de politieke arena wilde slaan. Dat de discussie was opgelaaid omdat de ChristenUnie de vrijheid van andersdenkenden wilde beperken, waren beide heren allang weer vergeten.

    Enkele jaren later, in oktober 2011, organiseerde het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie een afscheidscongres voor André Rouvoet. De begin dat jaar afgetreden partijleider zei in zijn redevoering dat hij de formele regel dat de democratische meerderheid beslist respecteerde, maar tegelijkertijd benadrukte hij dat een échte democratie zo veel mogelijk rekening houdt met minderheden. Rouvoet beriep zich op Kennedy’s analyse dat de seculiere meerderheid minderheden marginaliseert en gebruikte dat als een frame, om het over de andere kant van de zaak vooral maar niet te hebben. Hij schetste religieuze minderheden als slachtoffer van de seculiere meerderheid, maar over de diversiteit in orthodoxe gemeenschappen zweeg hij uiteraard.

    Hoe zit het dan met orthodoxe moslims? Ten aanzien van Al-Haddad hadden de seculiere critici terechte kritiek op zijn standpunten. Natuurlijk, de mening van Al-Haddad is extreem radicaal en vermoedelijk zullen slechts weinig moslims in Nederland het met hem eens zijn. Maar Al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië, waar geen vrijheid van godsdienst is.  Al-Haddad is bovendien gepokt en gemazeld in het Saoedische denken. Hij eist in Europa het recht op om als moslim naar islamitische wetten te mogen leven, maar uiteraard gunt hij andersdenkenden deze rechten niet. Een fatsoenlijk debat viel er met hem niet te voeren: op kritische vragen gaf de imam geen antwoord, of hij verwees naar een ‘niet-verifieerbare’ bron, de Koran. Fundamentalisten maken geen interpretatieslag naar het heden en geloven dat de antwoorden van toen antwoord geven op alle vragen. Ruimte voor twijfel, ruimte voor diversiteit, ruimte voor het individu: die ruimte bestaat gewoon niet.

    Dat de Profeet Mohammed een dichter en dromer was die prachtige verhalen kon vertellen en een zwak voor mooie vrouwen had, dat gaat er bij de fundamentalisten onder zijn volgelingen niet in. Zij willen en kunnen alleen nog maar het strenge gezicht van de Profeet zien, dat overigens niet afgebeeld mag worden. Het is aan de ene kant beschamend als men Al-Haddad voor malloot of haatbaard uitmaakt –  en hem op deze manier dehumaniseert – maar waar Al-Haddad en zijn geestverwanten mee bezig zijn, is een dehumanisering van de islam. Hun doel is dit geloof van alle menselijke trekjes te zuiveren, te beginnen met de Profeet zelf. Tofik Dibi riep tijdens het Baliedebat niet voor niets uit: “Uw islam is niet mijn islam”.

    Gelovigen, ook fundamentalistische gelovigen, zijn allemaal anders. Aan de andere kant, conservatieve geloofsstromingen hebben veel intolerante trekjes en verhouden zich vaak slecht tot democratie en individuele vrijheid, waaronder ook de individuele godsdienstvrijheid. Kennedy en vooral Meijers zouden er goed aan doen deze kant wat meer te belichten.

     

    Uit de kast

    Nederland is nog niet veranderd in een Narnia-in-de-winterland: voor gelovigen is in onze samenleving nog steeds plaats, ze kunnen naar de kerk of de moskee, en krijgen ook geen seculiere staatsopvoeding. Ook mogen gelovigen, dankzij de vrijheid van meningsuiting, zeggen wat ze denken. Nederland is geen seculiere dictatuur.

    Aan de andere kant: maakt godsdienstvrijheid mensen vrij of leidt dit tot onderdrukking? Zijn christelijke homo’s die zeggen dat ze bewust voor een celibatair leven kiezen wel echt vrij, of doen ze dit uit angst voor uitstoting uit de gemeenschap waarin ze zijn opgegroeid, en de verwachting van een eeuwige straf na dit leven? Op deze vraag kun je eigenlijk geen bevredigend antwoord geven. De politiek moet daarom een zekere terughoudendheid in acht nemen. We moeten geen staatsopvoeding willen, ook al is deze seculier. Echter, een overheid die organisaties subsidieert die vrouwen en/of homo’s discrimineren, is ook niet neutraal, en maakt deze discriminatie zelfs mede mogelijk. De overheid dient op te komen voor minderheden en ook met minderheidsopvattingen die binnen een minderheid kunnen leven, maar moet voorzichtig zijn in haar optreden. Per geval moet goed bekeken worden wat de juiste keuze is. Soms weegt de vrijheid van de religieuze groep het zwaarst, soms de vrijheid van het individu.

    Belangrijker dan wat de overheid al dan niet moet doen, is de manier waarop het maatschappelijk debat wordt gevoerd. Op dit moment wordt er te veel naar elkaar gewezen:   seculieren beschouwen religieuzen te snel als barbaren, terwijl religieuzen zichzelf te snel in de slachtofferrol plaatsen –  vaak ook om maar niet te hoeven na te denken over de vraag of er misschien toch iets waar is van de kritiek van de ander. Dit komt door het drijven op twee gescheiden eilandjes en angst voor beïnvloeding van het eigen gekoesterde gedachtegoed. Voor een vruchtbaar debat is in de eerste plaats seculiere zelfbeheersing nodig. Christenen en moslims moeten niet meer als achterlijke barbaren worden gekarikaturiseerd, maar als mensen met een andere mening worden benaderd. Kritiek op die mening moet echter wel mogelijk blijven. Ook met religiekritiek is niets mis, zolang de aanhangers van religies maar als mensen worden blijven benaderd. Daarnaast zou het goed voor de discussie zijn, om niet alleen radicalen en extremisten aan het woord te laten, maar ook ‘normale’ religieuzen. Vooral voor de islamdiscussie zou dit heel heilzaam zijn en deze discussie bevrijden uit de verstikkende wurggreep van de polarisatie.

    In Narnia, het betoverde land achter de kleerkast, zijn de regels makkelijk. Of je volgt de White Witch, of je volgt Aslan. Een tussenweg is er niet. We moeten weg uit deze wereld. Gelovigen en seculieren moeten uit de kast komen, wakker worden uit hun utopische droom, en leren om in de echte wereld toch een beetje met elkaar samen te leven.

    Tags: Aslan, Bart Jan Spruyt, Erica Meijers, James Kennedy, Joop den Uyl
    Read More
  • De Nelson Mandela van Tsjecho-Slowakije

    0

    http://i.lidovky.cz/11/124/lnorg/APE402d80_charta77_79_03_5_46645.jpg

    (Václav Havel (links) en Charta 77)

     

    Door: Ewout Klei

     

    Hij was toneelschrijver, kroegtijger, vrouwenjager, dissident, mensenrechtenactivist, gevangene, dissidentenleider, revolutionair, president maar bovenal intellectueel. Václav Havel (1936-2011) was een van de grote leiders van de twintigste eeuw, te vergelijken met Nelson Mandela, Mahatma Gandhi, Winston Churchill, Konrad Adenauer en Lech Wałęsa. Over Havel is eind vorig jaar een prachtige biografie verschenen door Michael Zantovsky, die in het Nederlands is verschenen bij de Bezige Bij Antwerpen.

    Havel kwam uit een rijke Tsjechische familie en werd om die reden gediscrimineerd door het communistische regime, dat een hekel aan bourgeoiskinderen had. Havel ontwikkelde zich echter tot een begenadigd toneelschrijver en essayist die zich in dissidente kringen begaf. Zijn absurdistische verhalen, die duidelijk geïnspireerd waren door Franz Kafka, namen indirect het communistische systeem op de hak.

    Tijdens de Praagse Lente van 1968 bleef Havel op de achtergrond, maar toen daarna de ‘normalisering’  inzette ontpopte hij zich tot één van de belangrijkste woordvoerders van de intellectuele oppositie tegen het communistische regime. Samen met enkele geestverwanten richtte Havel in 1977 de mensenrechtenorganisatie Charta 77 op, die zich voor de rechten van dissidenten inzette.

    Aanleiding van Charta 77 was de arrestatie en veroordeling van de psychedelische rockband de Plastic People of the Universe. De communisten vonden deze langharige drugsgebruikers met hun harde muziek en provocerende teksten maar niets.  Havel kon de muziek ook niet zo waarderen, maar kwam voor hun rechten op. Dat werd niet gewaardeerd door de communisten. Als een van de leiders van Charta 77 belandde Havel in 1977 voor een korte periode in de gevangenis. In 1979 werd hij voor een langere periode opgesloten. Havel kwam pas in 1983 vrij.

    Het ging Havel om ‘een leven in waarheid’. Hij bedoelde daarmee dat je als mens authentiek moest blijven, trouw moest blijven aan jezelf, niet moest buigen voor de corrumperende invloed van een regime dat intimideert, liegt en ook probeert intellectuelen te verleiden met beloningen, mits ze maar loyaal zijn aan de staat. Havel hoefde voor zijn ideaal niet te sterven. Hij was geen martelaar. Maar een paar jaar in de gevangenis, hoe zwaar dat natuurlijk ook was, had hij er wel voor over.

    Vanwege zijn toneelstukken en zijn activiteiten als dissident was Havel onder westerse intellectuelen een beroemdheid geworden. De communisten, bang voor slechte publiciteit, durfden hem dan ook niet al te hard aan te pakken. Maar ook Havel werd beperkt in zijn doen en laten. In 1986 besloot de Stichting Praemium Erasmianum aan Havel de Erasmusprijs toe te kennen, die elk jaar werd uitgereikt in Rotterdam en waar een prijzengeld van 200.000 gulden aan verbonden was. Het bracht Havel in een lastig parket. Hij wilde het geld graag geven aan Charta 77 om vervolgde medechartisten te helpen, maar dat zou het communistische regime natuurlijk nooit accepteren. Uiteindelijk lukte het Havel om het prijzengeld via via aan de Charta Foundation in Stockholm door te sluizen. Een ander probleem was dat het communistische regime Havel waarschijnlijk niet zou toestaan om naar Nederland te reizen. In plaats van Havel reisden twee van zijn vrienden naar Rotterdam. De een nam de prijs in ontvangst, de ander las een toespraak van Havel voor. De Nederlandse regering, die de goede diplomatieke betrekkingen met Tsjecho-Slowakije belangrijker vond dan de vrijheid van meningsuiting, besloot echter om een passage uit de toespraak te censureren. Havel had geschreven ‘de eer die via mij wordt toegekend aan Charta 77, zij het indirect’. Dit werd vervangen door ‘de eer mij wordt betoond’. Bij de aanvaarding van een onderscheiding voor zijn strijd voor de mensenrechten werd Havel door de Nederlandse overheid in zijn recht op vrije meningsuiting geschonden.

    In 1989 viel de Berlijnse Muur. Ook in Tsjecho-Slowakije werden de communisten van het politieke toneel verwijderd. Het regime had niet de kracht meer om tegen de wil van het volk in te gaan, die droomde over vrijheid en winkels waar je alles kon kopen. Havel, die in de jaren zeventig en tachtig een enorm moreel gezag had opgebouwd, werd president. Net als Michail Gorbatsjov werd Havel als een held begroet in Amerika,  hij had immers ook een steentje bijgedragen aan de val van het IJzeren Gordijn. Ook in andere westerse landen was men groot fan van Havel. Binnenslands kreeg Havel het echter moeilijker. Slowakije scheidde zich in 1993 af en Tsjechië kampte met economische problemen die niet door Havel konden worden opgelost.  Toen Havel in 2003 aftrad als president waren veel Tsjechen opgelucht. De politieke houdbaarheid van Havel was allang verstreken.

    Negen maanden voor zijn overlijden op 18 december 2011 bracht Havel een film uit. Havel had altijd al een film willen maken, maar had die kans nooit gehad. Nu stond iedereen voor hem klaar. Het vertrek gaat over een president die de greep op alles dreigt te verliezen. Het verhaal was gebaseerd op Shakespeares King Lear en natuurlijk op Havels presidentschap zelf. Het was maar zeer de vraag of Havel de première op 22 maart 2011 kon bijwonen, want pas op 20 maart werd hij uit het ziekenhuis ontslagen. De film werd door de Tsjechische pers zeer kritisch ontvangen. Een recensent noemde de film ‘één grote rotzooi’, die typisch was voor ‘het hol van de waarheid en liefde, dat ons land overspoelt met zijn hypocriete pseudohumanisme en kleingeestige Tsjechische humor’. Het was niet slechts kritiek op de film, maar ook een persoonlijke aanval op Havel, wiens intellectualisme steeds minder werd begrepen in een land dat steeds ‘normaler’ begon te worden.

    Misschien is dat ook wel de tragiek van Havel. Dromers zijn een baken van hoop in een dictatuur, maar in een kapitalistische democratie gaat het gewoon om centjes verdienen en de verkiezingen winnen. Havel had na de val van het communisme gewoon weer fulltime toneelschrijver moeten worden. Dan had hij kunnen blijven leven in waarheid.

     

    N.a.v.: Michael Zantovsky, Václav Havel. Een leven (De Bezige Bij Antwerpen). 608 pagina’s. ISBN 9789085424420. € 39,99.

    Tags: Charta 77, Plastic People of the Universe, Václav Havel
    Read More
  • Bart Verbrugh, de Martin Bosma van het GPV?

    0

    Tweede Kamer debat, Verbrugh (GPV) interpelleert over defensienota - NL-HaNA 2.24.01.05 0 927-2634 WM239.jpg

    Door: Ewout Klei

     

    Opnieuw gerommel in de PVV. Geert Wilders heeft geprobeerd de publicatie van Martin Bosma’s boek Handlangers van de ANC-apartheid tegen te houden, een boek dat uiteindelijk niet werd gepubliceerd bij Prometheus omdat de uitgeverij er geen heil in zag. Wilders is dolblij, omdat hij niet met het blanke apartheidsregime geassocieerd wil worden.

    Het manuscript van Bosma’s ongepubliceerde boek is handen van de redactie van het NRC-Handelsblad. Bosma betoogt in zijn boek dat Nederland een nieuw Zuid-Afrika dreigt te worden, waar blanken fungeren als ‘proefkonijnen in een multicultureel laboratorium’. Bosma noemt de politiek van het African National Congress (ANC) ‘politiek-correct racisme’ en omschrijft deze partij verder als communistisch, gewelddadig en corrupt. Nederland wacht volgens Bosma hetzelfde lot als Zuid-Afrika, waar de blanken tegenwoordig tweederangs burgers zouden zijn:

    ‘Want de essentie van de progressieve ideologie is (…) dat die ons wil doen verzoenen met onze ondergang (…). Wat links heeft willen betekenen voor Zuid-Afrika wil het ook dolgraag Nederland aandoen. (…) De Afrikaners, dat zijn wij. De Afrikaners van vandaag zijn de Nederlanders van over vijftig of honderd jaar.’

    Martin Bosma is uiteraard niet de enige in Nederland die zich zeer verbonden voelt met de blanke Afrikaners en het blanke apartheidsbewind van weleer. Extreem-rechtse actiegroepen als Voorpost en de Identitair Verzet doen dat ook. Toen ANC-leider Nelson Mandela op 5 december 2013 overleed herdoopten actievoerders van Identitair Verzet de Mandelabrug in Utrecht tot ‘Moordenaarsbrug’.

    Van 1948 tot 1994 kende Zuid-Afrika de apartheid. De zwarten waren tweederangs burgers. Ze mochten niet stemmen en mochten in bepaalde gebieden niet komen. Ook werden ze uit hun huizen gezet en weggestopt in de zogenoemde ‘thuislanden’, de armste gebieden van Zuid-Afrika. In de jaren vijftig bestond er in Nederland veel begrip voor de apartheidspolitiek. De blanke Afrikaners waren immers afstammelingen van de Nederlanders die Zuid-Afrika vanaf de zeventiende eeuw koloniseerden. In de jaren zestig veranderde de stemming in Nederland. Het apartheidsregime werd veroordeeld als racistisch.

    Ook in gereformeerde kringen, waar van oudsher de meeste sympathie voor de Afrikaners bestond, werd men kritisch. Felle criticasters van de apartheid waren Siewert Bruins Slot van het dagblad Trouw en Jan Nico Scholten, Tweede Kamerlid van de Antirevolutionaire Partij (en later het CDA). Alleen de gereformeerden die in de jaren zestig en zeventig trouw bleven aan het erfdeel der vaderen – de rechtervleugel van de ARP en de kleine christelijke partijen – bleven de apartheid door dik en dun steunen.

    De meest overtuigde apartheidsapologeet in de jaren zestig en zeventig was misschien wel Bart Verbrugh, ideoloog van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV). Verbrugh was van 1939 tot 1945 in Indië geweest en vond het zeer vanzelfsprekend dat niet-blanken een ondergeschikte positie in de samenleving hadden. Toen hij terugkeerde naar Nederland trok hij fel van leer tegen de dekolonisatie en wilde hij dat de laatste restjes koloniaal bezit – Nieuw Guinea en Suriname – voor het Koninkrijk der Nederlanden bleven behouden. In de jaren vijftig was Zuid-Afrika nog niet bij Verbrugh in beeld. Hij kreeg pas belangstelling voor het land toen Zuid-Afrika in de jaren zestig internationaal zwaar onder vuur kwam te liggen. De blanke Afrikaners waren naast stamverwanten ook ideologische verwanten: ze wilden net als de vrijgemaakt-gereformeerden van het GPV hun eigenheid beschermen tegen de boze buitenwereld. Waar het GPV zich bedreigd voelde door de ontkerkelijking en de verdere Europese integratie (in 1963 ging het GPV de verkiezingen in onder de leus ‘Den vaderland getrouwe’), daar verzetten de blanke Afrikaners zich tegen het oprukkende zwarte nationalisme en communisme. Daar kwam nog bij dat het blanke Zuid-Afrika een christelijk land was met een christelijke grondwet. Verbrugh wilde in Nederland ook een christelijke grondwet, ten einde de christelijke identiteit van het Nederlandse volk te beschermen tegen het gevaar van secularisatie (de ChristenUnie, waarin het GPV in 2000 is opgegaan, streeft trouwens ook nog steeds naar een christelijke grondwet).

    In 1976 leidde Verbrughs pro-apartheidsstandpunt tot een pijnlijke confrontatie met Ed van Thijn, fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid. Aanleiding van deze confrontatie in de Tweede Kamer was het besluit van het kabinet-Den Uyl om aan Zuid-Afrika geen kernreactoronderdelen te leveren. Volgens Verbrugh was dit besluit genomen met een anti-apartheidsmotief. De Nederlandse regering zou voorstander zijn van een ‘sterk gemengde cultuurstaat’ in Zuid-Afrika, iets waar Verbrugh op tegen was. Vervolgens probeerde hij duidelijk te maken dat het in Zuid-Afrika niet zou gaan om een ‘rassenprobleem’ maar om een ‘cultuurprobleem’. Apartheid draaide volgens Verbrugh om gebiedsscheiding als gevolg van cultuurscheiding en had in principe niets te maken met de verschillen tussen rassen. Dat het pleidooi van Verbrugh puur theoretisch was bleek uit het betoog van de GPV-theoreticus zelf, want hij maakte enkele kritische opmerkingen over zwarte nationalisten. Niettemin vond Verbrugh dat een ieder die zich aan de heersende cultuur wilde aanpassen de kans moest krijgen om daarin te worden opgenomen. Een zwarte zou volgens Verbrugh in theorie deel kunnen worden van de blanke gemeenschap. Verbrugh probeerde zo alle schijn van racisme te vermijden.

    Verbrughs uiteenzetting werd door Van Thijn wel als racistisch betiteld, omdat Verbrugh ondanks zijn vertoog het Zuid-Afrikaanse regeringsbeleid bleef verdedigen: ‘Ik heb nog nooit zo’n racistisch betoog in deze Kamer gehoord. (…) Ik heb mij tijdens het betoog van Verbrugh tot het uiterste moeten beheersen om niet hetzij naar de interruptiemicrofoon te snellen, hetzij de Kamer te verlaten.’ Hierop snelde de fractievoorzitter van het GPV, Pieter Jongeling, zijn fractiegenoot te hulp en zei dat de PvdA-fractievoorzitter niet hard kon maken dat Verbrughs betoog racistisch was. Van Thijn, inmiddels weer wat afgekoeld, antwoordde dat het verhaal van Verbrugh niet geloofwaardig was. In Zuid-Afrika vielen cultuur en ras immers samen. CPN-leider Marcus Bakker wees vervolgens op de racistische huwelijkswetgeving in Zuid-Afrika, waar het blanken en zwarten verboden was om met elkaar te trouwen. Verbrugh antwoordde dat hij hierover niet had gesproken, laat staan dat hij dit goedkeurde.

    De pijnlijke confrontatie tussen Verbrugh en Van Thijn werd een paar weken later becommentarieerd door de Volkskrant. Verbrugh behoorde volgens deze krant tot de ‘goedwillende, doch misleide christenen’. ‘Zij kunnen niet zien wat er ginds werkelijk gebeurt, omdat zij, emotioneel gebonden aan Zuid-Afrika, tot elke prijs met de stam- en geloofsverwante blanken willen blijven praten’.

    Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1977 werd Verbrugh de nieuwe lijsttrekker van het GPV. Jongeling ging met pensioen. Het verkiezingsprogramma van het GPV heette ‘Toekomst van Nederland’. In zijn verkiezingsprogramma keerde het GPV zich niet alleen tegen abortus en pornografie, maar ook tegen de multiculturele samenleving. Gastarbeiders moesten remigreren naar het land van herkomst. In het orgaan Vrede en Vrijheid van de Stichting voor Nationaal Christelijke Politiek, een beweging voor GPV-sympathisanten, trok Verbrugh bovendien expliciet de vergelijking tussen Nederland en Zuid-Afrika:

    ‘We hebben kritiek op onze mede-Nederlanders, die het zo hoog in de bol hebben, dat ze hun neus ophalen voor het zware en vuile werk, dat in ons land moet worden gedaan (ploegenarbeid, schoonmaakdiensten), en ermee akkoord gaan dat dit door Turken, Marokkanen, Spanjaarden en Italianen wordt verricht. We zouden een Nederlands beleid toejuichen, dat erop gericht is deze arbeid weer in de handen van ons eigen volk te brengen, om zo het ontstaan van een heterogene cultuur in ons land te voorkomen (b.v. een moslim-cultuur naast de verzwakte christelijke cultuur). Op dezelfde manier zouden we een Zuidafrikaans beleid toejuichen, dat erop gericht is arbeidskrachten van de “Bantoes” te vervangen door die van de Afrikaanders.’

    In de jaren tachtig was Verbrugh betrokken bij de Oranjewerkers. Deze groep van blanke Zuid-Afrikaners onder leiding van Hendrik Verwoerd junior, de zoon van wijlen president Hendrik Verwoerd, begrepen dat het apartheidsregime op instorten stond. Om de dreigende Apocalyps voor te zijn deden ze een vlucht naar voren: ze wilden een thuisland voor blanke Afrikaners vormen waar zij zelf het werk deden. De Oranjewerkers brachten kortom het monoculturele ideaal van Verbrugh in de praktijk. Hun plan voor een blank thuisland mislukte echter begin jaren negentig: Zuid-Afrika werd een multiculturele staat.

    Eén van de drijvende krachten achter de Oranjewerkers was de conservatieve calvinistische theoloog Carel Boshoff, de schoonzoon van Hendrik Verwoerd senior. Boshoff was in 1990 ook de oprichter van de blanke enclave Orania, een stadje van nog geen 1000 inwoners dat de culturele erfenis van het ‘Afrikanerdom’ wilde beschermen en waar alleen blanken het werk mogen doen. Met dit Orania heeft de PVV dankzij Martin Bosma tegenwoordig politieke contacten. Tussen Verbrugh en Bosma bestaat dus via de Oranjewerkers een link.

    Was Verbrugh een Martin Bosma avant la lettre?  Ja en nee. Verbrugh is overleden in 2003, negen jaar na de afschaffing van de apartheid, en hij heeft in deze jaren nooit afstand genomen van zijn pro-apartheidsstandpunt. Toch erkende Verbrugh in zijn autobiografie Jong zijn en oud worden (Amsterdam, Buijten en Schipperheijn 2002) dat hij zich had verkeken op Mandela: de man die hij decennialang voor een terrorist had gehouden bleek heel goed in staat blank en zwart met elkaar te verzoenen. Verbrugh was dus milder dan Bosma.

    Ten slotte speelt de tijd een belangrijke rol: een reden waarom Verbrugh, maar ook veel andere conservatieve christenen (en ook sommige heidenen) in de jaren zestig en zeventig de apartheid bleven verdedigen was de polarisatie in politiek en maatschappij. De linkse partijen en actiegroepen waren zeer verontwaardigd over Zuid-Afrika, maar zij zwegen vaak over de misdaden die door de communisten werden gepleegd achter het IJzeren Gordijn. Het was veel critici van apartheid niet alleen om rechtvaardigheid en gelijkheid te doen, maar ook om hun grote gelijk ten koste van rechts. Dat sommige rechtse mensen om die reden lang bleven vasthouden aan zaken die je misschien/wellicht niet zou moeten willen verdedigen is begrijpelijk. In het heetst van de discussie, als je ergens middenin zit, kun je vaak niet objectief zijn. Voor Bosma en clubjes als Identitair Verzet gaat deze redenering echter niet op. Zij zitten er niet middenin maar construeren achteraf een verhaal dat een stuk eenzijdiger is dan het verhaal wat in wetenschappelijke geschiedenisboeken wordt verteld.

     

    Toch hoop ik dat Bosma’s boek ergens uitgegeven gaat worden: het boek mag misschien abjecte onzin zijn, maar voor historici kan abjecte onzin soms heel interessant zijn.

     

     

    Ewout Klei is politiek historicus. Hij promoveerde in 2011 op Klein maar krachtig dat maakt ons uniek. Een geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond, 1948-2003.

    Tags: Apartheid, Bart Verbrugh, Ed van Thijn, GPV, Identitair Verzet
    Read More
  • Made in Europe

    0

    De kunst die ons continent bindt

     

    Door: Ewout Klei

     

    Europa is meer dan de economische crisis en de Europese Unie. Cultuurhistoricus Pieter Stienz, boekenredacteur van het NRC Handelsblad, heeft een schitterend boek gemaakt over de Europese cultuur. Aan de hand van 104 essays en evenveel kleine stukjes schrijft hij onder andere over de humanisten Petrarca en Erasmus, de componisten Wagner en Verdi, het boek Lord of the Rings en de opera Der Ring des Nibelungen, James Bond en de Femme Fatale, chansonnier Jacques Brel en de Britse muziekgroep The Beatles, Homeros’ Odyssee en Ulysses van James Joyce, Monty Python’s Flying Circus en Candide ou l’optimisme, de nazifilm Triumph des Willens en Waterloo van Abba, etcetera, etcetera. Sommige essays hebben eerder in het NRC Handelsblad gestaan, andere zijn speciaal voor dit boek geschreven. Sommige lemma’s staan trouwens ook op zijn website http://pietersteinz.com/.

    Het leuke van Made in Europe is dat de artikelen niet alleen over het onderwerp zelf gaan, maar ook tal van verwijzingen naar andere verhalen hebben en naar elkaar verwijzen. Dat is natuurlijk ook nogal logisch, want in het boek wil Steinz immers betogen dat Europa een culturele eenheid vormt. Een paar voorbeelden: fragmenten uit de film Metropolis van Fritz Lang uit 1927 komen voor in de videoclip Radio Gaga van Queen (Queen heeft helaas geen eigen lemma); de Fabergé-eieren van de Russische tsaren spelen een belangrijke rol in de James Bond-film Octopussy; Koning Arthur inspireerde Monty Python; Voltaire komt behalve in het stuk over zijn boek Candide ook voor in de stukken over de Renaissancedenker Montaigne (een van Voltaires helden), de Encyclopédie, Café New York in Boedapest (hij kwam er nooit maar wel in andere koffiehuizen, Voltaire dronk per dag zo’n veertig kopjes koffie) en atlasmaker Blaeu in Amsterdam (Amsterdam was volgens Voltaire een stad van canaux, canards & canaille) en de Vlaamse striphelden Suske en Wiske krijgen geen eigen lemma maar worden wel genoemd in het stuk over Pieter Bruegel, Kuifje en Der Ring des Nibelungen.

    Made in Europe is verrassend up-to-date en combineert high culture met low culture. De beste zanger van België (en misschien ook wel Europa) op dit moment, Stromae, is geïnspireerd door Jacques Brel, de strip Asterix maakt grapjes over onder andere The Beatles, de Laokoöngroep, Le Penseur van Rodin, Pieter Bruegel, Kuifje Manneken Pis en Victor Hugo; het lemma over de minirok noemt ook de film Austin Powers die het Londen van de jaren zestig parodieert en Pieter Steinz geeft heel eerlijk toe dat zijn eerst kennismaking met Wagners opera Der Ring des Nibelungen tot stand kwam via het Suske en Wiske-album De Ringelingschat.

    Het nadeel van Made in Europe is dat het boek voor je gevoel niet af is. Er staat 208 grote en kleine artikelen in, maar het hadden er ook 300 of 500 mogen zijn. Zo heeft Oscar Wilde geen eigen lemma maar komt alleen terloops voor in het stuk over de Femme Fatale (zijn toneelstuk Salomé over de dochter van Herodus die Johannes de Doper liet onthoofden, dit toneelstuk heeft prachtige illustraties van Aubrey Beardsley, een briljante kunstenaar die in het boek helaas niet wordt genoemd); in het stuk over Shakespeares Macbeth wordt de gelijknamige hilarische tekenfilm van Herman Finkers niet genoemd (ik geef heel eerlijk toe dat dit mijn eerste kennismaking was met Shakespeare); de invloedrijke filosofen Kant, Nietzsche, Hegel, Heidegger en Wittgenstein hebben geen eigen lemma en Machiavelli, Spinoza, Bayle en Anne Frank komen helemaal niet in het boek voor.

    Als ik het boek had geschreven had ik dus andere keuzes gemaakt. Behalve over Wilde, Nietzsche, Bayle en Beardslay had ik lemma’s geschreven over de beroemde Duitse natuurwetenschapper Alexander von Humboldt en de bedenker van de evolutietheorie Charles Darwin; ook zou ik schrijven over Die Neue Welle (de Duitse New Wave), de Duitse films Goodbye Lenin en Der Untergang en de Franse film La grande bouffe. Als Steinz dat boek zou recenseren had hij wellicht opgemerkt waarom ik geen lemma had geschreven over de Russische schrijver Poesjkin, totaalvoetbal, het oriëntalisme, Pippi Langkous en het Melkmeisje van Vermeer.

    Met andere woorden: er zit iets subjectiefs in de onderwerpskeuze. Dat is ook helemaal niet erg. Cultuur is gewoon een kwestie van smaak en subjectiviteit. Over bepaalde zaken is (bijna) iedereen het wel met elkaar eens (Bach, Kafka, de Sint Pieter in Rome, Socrates, Goethe), maar over andere zaken bestaat er gewoon veel verschil van mening en van smaak.  Dat in de Nederlandse canon Willem van Oranje, Erasmus en Multatuli en Anne Frank thuishoren staat buiten kijf, maar of Anne M.G. Smit, Srebrenica of het planetarium van Eise Eisinga zo belangrijk zijn durf ik te betwijfelen.

    Zonder meteen voor een cultuurrelativist te willen worden versleten durf ik te stellen dat identiteit een hoog vaagheidsgehalte in zich heeft. Dat had Steinz wellicht iets duidelijker mogen maken in zijn prachtige boek.

     

    N.a.v.: Pieter Steinz,Made in Europe. De kunst die ons continent bindt (Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2014). ISBN 9789046815540. 432 pagina’s. €34,95.

    Tags: Pieter Steinz
    Read More
  • Sta op en leef, vader

    0

    http://www.uitgeverijjurgenmaas.nl/media/catalog/product/cache/1/image/9df78eab33525d08d6e5fb8d27136e95/c/o/cover_sta-op-en-leef-vader.jpg

    Door: Ewout Klei

     

    In zijn in het jaar 2000 verschenen debuutroman De dagen van Sjaitan heeft de Marokkaans-Nederlandse schrijver Saïd el Haji zijn overleden vader literair vermoord. In het eind 2013 verschenen Sta op en leef, vader, een boek dat een beetje het midden houdt tussen een roman en een literaire essaybundel, wil hij deze vadermoord terugdraaien.

    Saïd el Haji worstelt met zichzelf en met zijn achtergrond. Hij wil in alle vrijheid zelf zijn keuzes kunnen maken, maar zoekt hiervoor toch naar bevestiging bij zijn vader, zijn broers, zijn moeder en zijn zus. Zijn vader, die nadat hij arbeidsongeschikt is verklaard helemaal in Allah is (‘in de Heer zijn’ op z’n islamitisch), accepteert niet dat Saïd een ander pad is gaan bewandelen, samenwoont met een Nederlandse vriendin en geen moslim meer is, waardoor er een verwijdering tussen de twee ontstaat. Ook de broers en zus van Saïd komen in botsing met hun autoritaire vader. Vader en zoon verzoenen zich niet met elkaar. Als zijn vader op sterven ligt bezoekt Saïd hem maar één keer. In Sta op en leef, vader probeert Saïd deze verzoening daarom postuum tot stand te brengen:

    ‘Wat zou mijn vader ervan gevonden hebben als hij nog geleefd had? Hoe zou hij oordelen over het feit dat ik twee kinderen heb met een Nederlandse vrouw met wie ik niet getrouwd ben? Ik weet het niet. Maar ik ben benieuwd naar zijn reactie. Het zou een pak van mijn hart zijn te weten dat ik zijn zegen zou hebben. Te meer daar ik vrede heb met zijn denken en handelen nu ik zelf vader ben, en nu ik zijn wereld beter begrijp, hoewel ik het een onrechtvaardige wereld vind. Hem in alle openheid de zegeningen van mijn leven te tonen zou mij de ruimte geven om hem ongecompliceerd lief te hebben. In de liefde is iedereen gelijk. Ik wil hem laten zien dat intimiteit niet slechts een middel is om kinderen te krijgen, maar ook de basis van een betere wereld, waarin tederheid niet geldt als een zwakte die moet worden onderdrukt maar als een kracht die moet worden gecultiveerd. Ik zou willen dat hij nog leefde.’

    Deze laatste alinea van het boek is ook de kern van het boek. Saïd hoopt het weer goed met zijn vader te maken, maar dat kan alleen als zijn vader hem accepteert. Saïd zoekt dus nog steeds naar erkenning. Behalve natuurlijk dat gedane zaken geen keer nemen en de doden niet meer kunnen spreken, vermoed ik dat als Saïds vader daadwerkelijk uit de dood zou opstaan (heel christelijk trouwens, alleen daarom al zou zijn vader dit waarschijnlijk pertinent weigeren) hij Saïds keuzes nog steeds niet zou accepteren. Dat kan gewoon niet. Saïd heeft gebroken met de islam en heeft zich daarmee buiten de gemeenschap der heiligen geplaatst. Alleen als hij als een verloren zoon (ook heel christelijk, maar in dit geval islamfähig) zijn vader om vergeving zou vragen zouden de twee zich verzoenen.

    Waarom ik dit denk? Omdat ik een streng-christelijke moeder heb met eenzelfde wereldbeeld als de islamitische vader van Saïd.  Mijn moeder leeft gelukkig nog, maar sinds ik met het orthodox-christelijke geloof van haar en de vrijgemaakt-gereformeerde kerk heb gebroken is er ook iets stukgegaan wat nooit meer kan worden gelijmd. Ze accepteert mijn eigen keuzes niet. Ik moet mij bekeren. Dan pas komt het helemaal goed. Ik heb geaccepteerd dat ik niet word geaccepteerd. Niet door mijn moeder en ook niet door de andere orthodoxe christenen die ik heb ‘verraden’ door de kerk vaarwel te zeggen. Ik ben bevrijd, maar ik voel mij ook ontheemd. Ik hoor nergens echt helemaal bij. Ik ben de eeuwige verstotene. Net als Saïd. Orthodoxe gelovigen, of ze nu islamitisch of christelijk zijn, zijn niet in staat om andersdenkenden te accepteren. Tolerantie vloekt met het wezen van hun overtuiging, namelijk dat zij de absolute waarheid in pacht hebben, het definitieve antwoord op alle vragen. Je kunt als afvallige daarom ook niet eisen dat je wordt geaccepteerd. Je mag het wel doen, maar je krijgt gewoon nul op het rekest. In het beste geval ontstaat er een modus vivendi, dat je accepteert dat er onoverbrugbare verschillen zijn en dat je ander niet kan dwingen net zo te denken als jij, ook al hoop je stiekem nog steeds dat de ander tot een beter (orthodox dan wel verlicht) inzicht komt.

    Sta op en leef, vader is een prachtig geschreven boek over belangrijke thema’s, dat bij mij een gevoelige snaar heeft geraakt. Ik herken heel veel. Het boek maakt de titel ook waar, hoewel je het moet lezen als een wens van Saïd om zijn vader tot leven te wekken en niet als het tot leven wekken van zijn vader. Patricide blijft helaas iets onomkeerbaars.

     

    N.a.v.: Saïd el Haji, Sta op en leef, vader (Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam 2013). ISBN 9789491921001. 156 bladzijden. €14,95.

     

    Ewout Klei heeft zijn moeder nog niet literair vermoord. Misschien gebeurt dat nog. God heeft hij wel gedood, meerdere malen zelfs, maar Hij blijft maar terugkomen.

    Tags: islam, patricide, Saïd el Haji
    Read More
  • De woongroep

    1

    http://www.francatreur.nl/wp-content/uploads/2013/12/Franca-Treur-De-woongroep.jpg

     

    In 2009 debuteerde Franca Treur met Dorsvloer vol confetti, een autobiografische roman over het meisje Katelijne dat opgroeit in een strenggelovig boerengezin in het afgelegen Zeeland. Het was een literaire sensatie, waarvan meer dan 150.000 exemplaren werden verkocht en die van Treur in één klap een beroemde schrijfster maakte. Het boek appelleerde aan gevoelens van nostalgie en knusheid, ze beschreef een veilige wereld waarin de tijd leek stil te staan. De woongroep is Treurs langverwachte nieuwe roman. Dit boek speelt zich af in het bruisende Amsterdam in een alternatief links milieu. Een groter contrast met Dorsvloer vol confetti is eigenlijk nauwelijks denkbaar. Het NRC Handelsblad vond het boek tegenvallen en noemde De woongroep ‘zwalkend’ en ‘kleurloos’. Dit harde oordeel is niet terecht. De woongroep is juist een hele intrigerende roman over de keuzes die een mens maakt in onzekere tijden met zoveel keuzeaanbod.

    De woongroep draait om Elenoor, een jonge vrouw van 28 die aan het begin van het verhaal samenwoont met een over een paard getitelde werkloze historicus die al zeven jaar bezig is met een filmscript en vermoedelijk aan het syndroom van Asperger lijdt.  Het enige wat deze Erik goed kan is met een cynische blik de wereld afzeiken, zonder zelf een poot uit te steken. Elenoor is een stuk sympathieker en staat met haar onzekerheid een beetje symbool voor de huidige generatie jongvolwassenen. Ze heeft – uiteraard – geen vaste baan, maar houdt als ZZP’er websites van verschillende bedrijven bij. Hoewel ze geen boeken leest heeft ze wel hooggestemde idealen, maar daar houdt ze zich vervolgens allesbehalve consequent aan. Ze zegt vegetariër te zijn en is tegen de consumptiecultuur, maar ze eet stiekem kroketten bij de snackbar, is vaak te vinden op een terrasje en drinkt op feestjes bier als een kerel. Ook houdt ze de website van de vader van Erik bij, die directeur is van een malafide zorggigant die oudjes en personeel misbruikt om maar zo veel mogelijk winst te maken. Als Elenoor en Erik bij een bevriend stel op kraamvisite gaan slaat de twijfel toe. Moeten wij ons straks ook braaf settelen en kindjes krijgen? Of is er misschien toch meer in het leven? Als Erik zegt dat hij graag met Elenoor wil gaan samenwonen en ook verlangt naar een gezinnetje besluit ze dat het tijd is haar leven helemaal om te gooien. Ze verhuist in haar eentje naar een woongroep.

    Katelijne, dezelfde Katelijne uit Dorsvloer vol confetti, is naar Afrika vertrokken voor een of ander idealistisch Derde Wereldproject. Er komt daarom een plekje vrij in een woongroep van linkse ex-studenten die hun volwassenheid nog een tijdje lijken te willen uitstellen. Elenoor krijgt de kamer van Katelijne en besluit, hoewel dus een beetje inconsequent, helemaal voor haar idealen te gaan.

    Het boek speelt zich af in 2010, een jaar dus voor de Occupy-beweging. Dit is eigenlijk best wel een beetje jammer. Die Guy Fawkes-maskers uit V for Vendetta en dat gelul over de 99% en 1% zouden namelijk heel goed bij het verhaal hebben gepast. En Elenoor en de andere bewoners van de woongroep zijn net als Occupy tegen het kapitalisme, maar weten net als Occupy eigenlijk ook niet waarom. Hun protest blijft daarom beperkt tot provoacties die het klootjesvolk niet begrijpt. Zo bekogelen ze in een luxe restaurant een aantal steenrijke graaiers (drie maal raden welke bekende van Elenoor hier tussen zit)  en verkleden ze zich als clowns om te demonstreren tegen het consumentisme in de Kalverstraat. Het mooiste is nog wanneer ze – volkomen terecht – worden uitgelachen door Marokkaanse jongens die deze treurige vertoning met hun mobiele telefoons opnemen.  Het wordt bijna grimmig als een agressieve punkmevrouw, de vreugdeloze Joy, de politie probeert te provoceren. De fascisten pakken de naar hun toegeworpen handschoen echter op en nemen deze dame mee naar het bureau. Gerechtigheid.

    Elenoor voelt zich, de lezer ziet dit al van mijlenver aankomen, steeds minder thuis in de woongroep. Toch wil ze er niet weg, gewoon omdat ze geen Huisje, Boompje, Beestje met Erik wil. De relatie gaat uit en Elenoor wordt vervolgens in beslag genomen door de amoureuze verwikkelingen van haar huisgenote Annerie met een getrouwde dichter (een laffe lamlul van achter in de 40 die de naïeve Annerie aan het lijntje houdt) en de verdwijning van een andere huisgenoot, Alexander, die later verdacht wordt van moord. De crime story rond Alexander is wat minder geslaagd omdat het afleidt van het centrale thema van het boek, welke keuzes je als mens kunt/moet maken om je bestaan zin te geven. Dankzij het gedoe rond Alexander belanden Elenoor en Erik echter wel weer bij elkaar in bed, een seksscène met stukjes mandarijn die door Treur smakelijk verteld wordt.

    Het verhaal eindigt een beetje Candide-achtig. Zoals Candide na de halve wereld te hebben rondgereisd ontdekt dat Pangloss al die tijd uit zijn nek heeft gekletst en het geluk in kleine dingen schuilt, “Il faut cultiver notre jardin”, zo kiest Elenoor uiteindelijk toch voor een braaf burgertrutjesbestaan, met Huisje, Boompje, Beestje, Kindje, Hypotheekje en Pensioenpolisje. Een happy end met een nasmaakje dus. Die mandarijn was blijkbaar toch niet helemaal vers meer.

     

    N.a.v. Franca Treur, De woongroep (Prometheus, Amsterdam 2014). ISBN 9789044616583. €19,95.

     

    Ewout Klei vindt hippies langharig werkschuw tuig en is een groot voorstander van repressieve tolerantie. Over de zin van het leven denkt hij na, maar die moet hij nog schrijven.

    Tags: Candide, De woongroep, Dorsvloer vol confetti, Franca Treur, Guy Fawkes
    Read More
  • Grondsop en verwarring: Rob Hartmans opnieuw over intellectuelen en hun illusies

    1